In profielen, essays en recensies over Denzel Washington komt het steeds terug, al decennia: het charisma van de acteur is onovertroffen. Het maakt hem een van die zeldzame kunstenaars die bij critici even geliefd is als bij het publiek. Eén puntje van kritiek dan: is Washington niet té cool?
Die granaat. Ineens duikt-ie op in Highest 2 Lowest, de nieuwe film van Spike Lee, en zijn vijfde samenwerking met Denzel Washington. Laatstgenoemde speelt David King, een legendarische platenbaas die te horen krijgt dat zijn zoon is ontvoerd. Dit brengt meteen alle andere stress in zijn leven naar boven. Hij zit in een bureaustoel op zijn kantoor en gaat tekeer tegen een vriend. Dan heeft hij opeens die granaat vast. ‘Zie je dit?’ vraagt hij met een manische glimlach. ‘I thought about blowing this motherfucker up many times.’
King schudt zijn hoofd, speelt met de pin. De granaat is nep; hij móét nep zijn; King is een platenbaas, geen gangster. Maar door het spel van Washington krijgt het ding een raadselachtige betekenis. ‘Ik kon de moed niet vinden’, zegt hij tenslotte. Glimlach verdwenen.
Dit stond allemaal niet in het script, vertelde Spike Lee onlangs in een podcast van The New Yorker. Lee klonk verwonderd, alsof hij na 35 jaar samenwerken nog steeds niet kon geloven dat Washington met zoiets op de proppen komt. Volgens Lee blijkt hieruit wat de beste acteurs van de rest onderscheidt. ‘Het draait niet alleen om wat er in het script staat. Het moet dieper gaan dan dat.’
Net als King is ook de nu 70-jarige Washington een legende. En dat hij die granaat tevoorschijn tovert, is tekenend voor zijn spel. Zijn filosofie is ongeveer als volgt samen te vatten: nauwkeurig in de voorbereiding, los op de set.
Vóór het draaien stelt Washington zichzelf ‘een miljoen vragen’ over zijn personage, vertelde hij aan Instagramkanaal Stepping Through Film. Hij wil precies weten hoe Kings leven is geweest, wat zijn drijfveren zijn, zijn dromen, wie zijn ouders zijn, broers, zussen, wat zij van hem vinden, enzovoorts. Eenmaal op de set kan hij zichzelf vrijlaten.
Zo werkt hij al zijn hele carrière. In Training Day (2001), vermoedelijk zijn meest geroemde werk, hij won er een Oscar mee, reeg hij de improvisaties aaneen. Washington speelt Alonzo, een corrupte undercoveragent. In de auto vertelt hij zijn beginnende, naïeve collega Jake (Ethan Hawke) dat je het als agent met alleen correct gedrag niet overleeft. Om een wolf te kunnen vangen, moet je een wolf zíjn. Dan gooit Alonzo zijn hoofd achterover en jankt als een wolf. Het is raar, het is perfect, en het is geïmproviseerd, vertelde regisseur Antoine Fuqua jaren later bij The Rich Eisen Show.
Nog bekender is de apotheose van de film. Alonzo nadert zijn ondergang, hij is ontwapend door Jake en wordt ingesloten door criminelen. Toch blijft hij schreeuwen. Ze kunnen hem niets maken, hij gooit ze allemaal in de gevangenis. ‘King Kong ain’t got shit on me’, brult hij. Een moderne klassieker, en wederom verzonnen door Washington.
Fuqua zei nog iets: ‘Dat is gewoon zijn...’ hij dacht even na. ‘Swagger’.
In profielen, essays en recensies komt het steeds terug, al decennia, in uiteenlopende termen: swagger, charisma, bravoure, flair, presence. Toen Washington vorig jaar op de rode loper een nogal ongemakkelijke ontmoeting had met de Britse koning Charles, kopte een Amerikaanse nieuwszender: ‘The Coolest Man on Earth Loses His Cool’. In een zoveelste lofrede schreef GQ Magazine: ‘Cool is de basisinstelling van alle Denzel-personages.’
Hij lijkt inderdaad niet anders te kunnen. Sommige acteurs van de buitencategorie, zoals Daniel Day-Lewis en Joaquin Phoenix, verdwijnen in hun rol. Washington doet dat zelden. Hij is agent, advocaat, marinier, piloot, docent, bodyguard of boxer, maar hij is ook altijd Denzel Washington.
Wat zijn personages zo intrigerend maakt, is dat ze iedere handeling met toewijding uitvoeren. De ijzige controle waarmee hij in American Gangster (2007) als drugsbaas Frank Lucas door een kamer beweegt. Het geduld waarmee hij als alcoholistische piloot in Flight (2012) toewerkt naar een verpletterende biecht: hoe hij zijn keel schraapt, zijn schouders losgooit. Zelfs als hij in The Equalizer 3 (2023), een trilogie over voormalig geheim agent Robert McCall, alleen maar een servet uitvouwt, is dat een belevenis.
Er staat een gevulde servettenhouder op tafel, maar McCall is een neuroot, hij heeft zijn eigen servetten mee. Hij vouwt er een open, strijkt ’m zorgvuldig glad. Pakt een tweede servet voor zijn lepel, legt die ernaast. Nadat hij besteld heeft, pakt hij een derde servet, voor zijn kop thee. Alleen krijgt hij geen thee, hij krijgt een cappuccino. Het gaat nergens over, maar door de aandacht die Washington voor zijn servetten heeft, voel je met McCall mee: dit is een ramp.
Washington kan als geen ander emotionele diepte suggereren met de kleinste gezichtsuitdrukkingen. Het bekendste voorbeeld, leuk gepersifleerd door collega-acteur Jamie Foxx, is die trillende, naar binnen gezogen onderlip. In Flight zijn het zijn ogen. Na een vliegtuigongeluk ligt de piloot zwaargewond in een ziekenhuisbed. Hij wil weten wie er dood is. Hij kan niet bewegen, maar Washington heeft aan zijn blik genoeg. ‘Wie van de crew, Charlie?’ is het enige wat hij vraagt, met een mix van angst en vastberadenheid. Tijdens zijn beste scène in Glory (1989), waarin hij als zwarte soldaat tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog wordt gegeseld, zegt hij überhaupt niks. Hij staart alleen maar. Eerst onderkoeld en geconcentreerd, dan woedend, dan gebroken.
Washington kan volstrekt geloofwaardig razendsnel van emotie wisselen. In Crimson Tide (1995), dat zich afspeelt in een Amerikaanse kernonderzeeër tijdens de dreiging van een atoomoorlog, speelt hij een eerste officier. In een koffiepauze, terwijl de rest van de bemanning toekijkt, raakt hij in discussie met zijn meerdere. De kapitein is van de oude stempel en vindt dat de officier maar moeilijk doet met zijn ethische vragen. Washington houdt stand, maar je ziet zijn personage gespannen raken. Hij moet voortdurend schakelen: aarzelend, overtuigd, zoekend, meegaand, vriendelijk en dan weer fel. Iedere tel is zijn emotie anders, je ziet ze voor je ogen verschieten.
Zijn techniek heeft hij geleerd in het theater. Hoewel Washington een van de grootste filmsterren ter wereld is, ziet hij zichzelf helemaal niet zo. ‘Ik ben een toneelacteur die films doet, niet andersom’, zei hij eerder dit jaar bij een Amerikaans ochtendprogramma, waar hij werd geïnterviewd over een Broadway-uitvoering van de Shakespeare-tragedie Othello. Het is geen toeval dat de beste en meest succesvolle film die hij zelf regisseerde, Fences (2016), de verfilming is van een toneelstuk en ook als een toneelstuk aanvoelt.
Dat Washington in het theater belandde, was niet vanzelfsprekend. Zijn moeder had een schoonheidssalon, zijn vader had verschillende banen en was daarnaast predikant. Het is verleidelijk om in de roeping van zijn vader al iets van Denzels latere memorabele filmspeeches te zien, zoals zijn motiverende toespraken als Americanfootballcoach in Remember the Titans (2000), een Bijbelvers in The Book of Eli (2010) of zijn monologen in The Tragedy of Macbeth (2021).
Toen zijn ouders waren gescheiden, Denzel was 14, stuurde zijn moeder hem naar een privéschool in New York. ‘Die beslissing veranderde mijn leven’, zei Washington hier later zelf over in het Amerikaanse magazine Parade. ‘Ik zou de richting die ik destijds opging niet hebben overleefd. Mijn vrienden van toen hebben bij elkaar opgeteld zo’n veertig jaar in de gevangenis gezeten.’
Daarna kon hij naar de Universiteit van Fordham, waar hij het acteren ontdekte en meespeelde in Shakespeareproducties. Washington is overtuigd christen – hij leest dagelijks de Bijbel en haalde afgelopen jaar zijn predikantslicentie – dus toen een kerklid hem ooit vertelde dat ze in een visioen had gezien dat hij grootse dingen ging verrichten, bleef dat hangen. En daar, op het toneel van Fordham, dacht hij: misschien bedoelde ze dit.
Maar succes komt nooit vanzelf, en zeker niet voor een zwarte acteur in de jaren zeventig. Hij begon als professional in een theater in San Francisco, speelde mee in de tv-film Wilma waar hij actrice Pauletta Pearson ontmoette, met wie hij inmiddels vier kinderen heeft. Enige bekendheid verkreeg hij in de jaren tachtig, als Dr. Philip Chandler in de ziekenhuisserie St. Elsewhere.
Zijn grote doorbraak kwam in 1987, toen hij de Zuid-Afrikaanse anti-apartheidsactivist Stephen Biko speelde in Cry Freedom. Het leverde hem een Oscarnominatie op. Hij verloor van Sean Connery (The Untouchables), maar won twee jaar later voor zijn bijrol in Glory. De erkenning hield daarna niet meer op. Begin dit jaar nog ontving hij de Presidential Medal of Freedom, de hoogste eer voor een burger in de Verenigde Staten. Washington is een van die zeldzame kunstenaars die ongeveer even geliefd is onder critici als bij het grote publiek.
Ook dat is niet vanzelfsprekend voor een zwarte acteur. Zeker niet voor een zwarte acteur die zijn mond opentrekt. Washington is het ongemak nooit uit de weg gegaan. Op de set van Crimson Tide, waar Quentin Tarantino aan meeschreef, confronteerde hij Tarantino met zijn racistische dialogen. Het was niet zomaar dat Washington met Spike Lee de biografische film Malcolm X maakte, over de compromisloze voorvechter van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. En Washington heeft Sidney Poitier (1927-2022), de eerste zwarte acteur die een Oscar voor een hoofdrol won, altijd geroemd als zijn voorbeeld.
Vanzelfsprekend was niet álles in Washingtons carrière een succes. Hij heeft ook heus weleens meegewerkt aan een beroerde film. En toch: ‘Misschien is één maatstaf voor zijn grootsheid wel hoe hij consequent beter is dan de films waarin hij speelt’, zei een New York Times-filmcriticus een paar jaar geleden toen die krant Washington uitriep tot de grootste acteur van de 21-ste eeuw.
Goed, dan toch een kritiekpuntje. Vorig jaar kwam Gladiator II uit, waarin Washington een slavenhandelaar speelt. Er zijn gladiatoren, senatoren, keizers, generaals. Maar geen van allen loopt een ruimte binnen met de gratie van Washington. In feite speelt hij de slechterik, omdat hij de held van het verhaal uitbuit en manipuleert. Maar het lukt je als kijker maar niet om hem te haten – je wilt naar niemand liever kijken dan naar hem. Misschien is dat zijn enige zwakte, als acteur: Denzel Washington is te cool om afstotelijk te zijn.
Highest 2 Lowest is nu te zien bij Apple TV+.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant