Home

‘De brandweer redde mijn leven door me uit het raam te gooien’

Suze Meijer-Crost is 100 jaar. Hoe kijkt deze lenige zwemster terug op de eeuw die achter haar ligt?

Suze Meijer-Crost is een kordate en goedlachse vrouw, die met veel armgebaren over haar leven vertelt. De 100-jarige kookt nog haar eigen potje, trekt wekelijks baantjes in het zwembad en stapt af en toe nog op haar stadsfiets. In de hoek van haar woonkamer staat een televisie, met een stoelfiets ervoor, zodat ze ook tijdens het tv kijken in beweging blijft. De voor haar leeftijd bijzonder fitte ‘Zeg maar Suze’ kijkt liever vooruit dan terug.

Hoe ziet uw dagelijks leven eruit?

‘Elke ochtend sta ik om 7 uur op, ’s avonds om 10 uur ga ik slapen. Na het wakker worden doe ik in bed gymnastiekoefeningen, alles tien keer: benen strekken, kniebuigingen, fietsen en nog wat dingen. Elke week heb ik zoveel activiteiten, dat ik ze heb opgeschreven.’

Ze pakt een volgeschreven vel papier uit een la en leest al haar bezigheden voor. Ze blijkt vaak te vinden in een wijkcentrum in Amstelveen, voor spelletjes, ouderengymnastiek en koffiedrinken met ‘twee dames die bevroren maaltijden verkopen’. Elke dinsdagmiddag gaat ze scrabbelen met haar buurvrouw, op woensdagochtend zwemmen en op vrijdag sjoelt ze in clubverband. ‘En elke zondag is het moederdag, dan komen mijn twee dochters om en om, met hun man. Ze nemen altijd boodschappen mee, bloemen en chocola. Ik geef ze een pluim en hoop dat ze het volhouden – mijn oudste dochter is al 80, de jongste 77. En mijn kleindochter krijgt ook een pluim, want zij maakt al 25 jaar wekelijks mijn huis schoon.’

Hoe verplaatst u zich naar al die activiteiten?

‘Naar het wijkcentrum kan ik lopen, zonder rollator of stok. Een 75-jarige vriendin haalt mij woensdag op met de auto om naar het Miranda-zwembad in Amsterdam te gaan. Ze zwemt altijd een kwartier langer dan ik, dat komt goed uit want zo heb ik alle tijd om me weer aan te kleden. Na afloop brengt ze mij weer thuis en dan maak ik een tosti voor haar. Als de weersomstandigheden perfect zijn, dus geen regen, geen wind, niet te koud en niet te warm, dan ga ik op de fiets naar een oude buurvrouw in een verpleeghuis.

‘Na 10 minuten lopen of fietsen gaan mijn benen zeer doen. Daar ben ik voor naar de dokter gegaan, die zei: ‘Ja, wat wil je op deze leeftijd?’ Ik antwoordde: ‘Ik wil het niet.’ Zo bedoelde hij zijn opmerking natuurlijk niet, maar ik wel.’ Ze lacht.

U woont pas drie jaar hier in Amstelveen, en de hele buurt kent Suze Meijer-Crost, vertelde uw kleindochter.

‘Ik ben verhuisd omdat mijn woning in Amsterdam werd gerenoveerd. Vanaf de eerste dag heb ik het hier erg naar mijn zin. Ik heb bij mijn naaste buren een briefje door de bus gedaan met mijn telefoonnummer en een uitnodiging om koffie te komen drinken. Ik zag dat er veel leuke activiteiten zijn in het wijkcentrum en werd lid van een sjoelclub. Ik maak makkelijk contact en heb hier veel nieuwe vrienden gekregen.’

U heeft een vol programma voor een 100-jarige.

‘Ik doe alles kalm aan, anders houd ik het niet vol. Als ik alleen thuis ben, lees ik een boek of kijk televisie, zonder geluid, want ik kan het toch niet verstaan.’

Ze opent de lade weer en laat een handgeschreven lijst zien met twee kolommen: links staan haar fysieke beperkingen – twaalf stuks – en rechts de positieve aspecten van haar leven – veertien stuks, waaronder: ik slaap goed, zwemmen, gym, veel sociale contacten, prettige woning. Ze zegt: ‘Ik heb een lijfspreuk, hij is heel oud, maar klopt als een bus: je moet nooit iets doen waar ‘te’ voor staat, behalve tevreden zijn.’

Heeft u met de computer en smartphone leren omgaan?

‘Ik heb een telefoon waarmee je alleen kunt bellen. Toen de computer kwam, dacht ik: dat ga ik niet leren, want ik word toch niet oud. Mijn moeder overleed op haar 56ste, waarom zou ik ouder worden, dacht ik. Als kind kreeg ik altijd te horen dat ik een zwak poppetje was. Ik was niet sterk, zag altijd witjes, at niet zoveel en viel vaak flauw. Ik viel zelfs flauw toen ik op straat aan het spelen was en in de verte een auto zag aankomen. Auto’s zag je in die tijd bijna niet.’

Had u een meisjesdroom?

‘Ik wilde graag illustrator worden. Ik kon goed tekenen. In mijn tijd gingen de meeste meisjes naar de huishoudschool, ik ook. De leerkrachten daar zeiden: ‘Wat doe je hier? Je hoort op de mulo.’ Na de huishoudschool zou ik naar de kunstnijverheidsschool gaan, wat nu de Rietveld Academie is. Maar de oorlog brak uit, er was geen geld voor. Toen mijn kinderen zelfstandig waren, heb ik nog veel cursussen gedaan aan de Volksuniversiteit, zoals aquarelleren en talen.’

In wat voor gezin bent u opgegroeid?

‘Ik was de een na oudste van vier meisjes. We woonden op een bel-etage vlak bij het Rijksmuseum in Amsterdam. We waren niet arm en niet rijk. We aten bruin én wit brood. Arme mensen aten in die tijd bruin brood, rijken wit. Mijn vader was handelaar in tabak. Voordat hij bij de groothandel zijn keuze maakte, pakte hij een blaadje, stak dat aan en snoof de rook op. De balen tabak verkocht hij aan bedrijfjes aan de Nes, die er sigaren van maakten.

‘Mijn moeder had paranormale ervaringen, die heb ik van haar geërfd. Op een dag ging ze met mijn oudere zusje koffiedrinken bij mijn tante, die een drogisterij had in het huis naast ons. Ze liet mij thuis, slapend in de wieg. Ze vertelde haar schoonzus over een droom die nacht – dat ons huis in brand stond. Op dat moment hoorde ze de brandweer onze straat in rijden, rende naar buiten en zag ons huis in brand staan. Ze riep dat haar baby boven lag. De brandweer ging naar binnen, en gooide mij uit het raam – ik werd opgevangen met een zeil.’

Welke paranormale ervaringen heeft u zelf?

‘Het zijn vaak dromen, die kort erna of jaren later uitkomen. Pas achteraf begrijp ik de betekenis ervan. Zoals die droom over onze overbuurman, meneer Lindeman. Hij was heel dik. Ik was 14 jaar toen ik droomde dat hij langzaam dunner en dunner werd en uiteindelijk stierf. Korte tijd later brak de oorlog uit en inderdaad, hij werd steeds dunner en stierf uiteindelijk in de Hongerwinter. In 1953 droomde ik dat heel Nederland onder water stond, alleen Amsterdam bleef droog. Een paar dagen later begon de Watersnoodramp in Zeeland.

‘Ik heb een lijst gemaakt van mijn dromen, ik zal die er even bij pakken.’ Ze leest er een aantal voor. ‘Een droom die bleef terugkomen, was over een slecht bed waar een van mijn dochters en haar man op sliepen. Ik bleef maar zeuren dat ze een nieuwe moesten kopen. Tien jaar later gingen ze scheiden.’

Welke conclusie trekt u uit deze voorspellende dromen?

‘Het kan niet anders of alles wat er gebeurt, staat al vast. Dat kan ik alleen niet rijmen met leed dat kinderen overkomt, of het nu in een ziekenhuis is of in een oorlog. Dat vind ik moeilijk.

‘Ik heb ook andere paranormale ervaringen, naast dromen. Op een ochtend werd ik wakker met het gevoel dat er iets afschuwelijks was gebeurd in mijn familie. Ik belde meteen mijn dochters, de oudste nam op en vertelde dat die nacht de sterkste van de tweeling van mijn kleindochter aan wiegendood was gestorven.

‘Langer geleden, toen ik met mijn tweede man op bezoek ging bij zijn zus, voelde ik een sterke drang om naar mijn moeder te gaan. ‘Maar we zijn hier nog maar net’, zei Joop. Ik was niet te houden. We gingen naar haar toe; ze bleek net overleden aan een hartstilstand.

‘Een andere paranormale ervaring is dat ik bij begrafenissen bijna altijd de overledene zie. Zo zag ik mijn vriendin Lia op haar eigen begrafenis in een prachtige rood- en goudkleurige jurk naast de open kist staan waar haar lichaam in opgebaard lag. Ze keek vol verbazing naar de kist en naar zichzelf. Nog zoiets: tien jaar na het overlijden van mijn tweede man wilde ik zijn ingelijste foto opbergen. Hij is nu al zo lang dood, dacht ik. Het lukte niet, ik voelde een heel sterke energie die mij tegenhield. Daarom staat die foto nog steeds op mijn nachtkastje. Deze ervaringen zijn voor mij een bewijs dat iedereen na zijn overlijden voortleeft.’

Zijn die paranormale beelden prettig of een last?

‘Daar heb ik nooit over nagedacht. Ze horen gewoon bij me.’

Wie is uw grote liefde?

‘Daar kan ik geen antwoord op geven. Als je 100 bent, kijk je heel anders terug op gebeurtenissen. Toen ik een tiener was, vond ik kleine kinderen heel leuk en dacht: ik wil later ook een man en kindjes. Maar je wist niks, ook niet hoe kinderen worden geboren.’

Kwam het te vroeg? U was nog jong toen u in 1945 moeder werd.

‘Laat ik het zo zeggen: het gebeurde aan het eind van de oorlog, een heel moeilijke periode waarover ik niet wil praten.’

Is niet over moeilijke episoden praten voor u de beste manier ermee om te gaan?

‘Waarom zou ik erover praten? Dat heeft geen zin, het is voorbij. Ik leef in het nu. Mijn ouders zongen vaak een bekend liedje uit hun jeugd, van Jean-Louis Pisuisse. ‘Mensch durf te leven’.’

Suze Meijer-Crost

Geboren: 23 juli 1925 in Amsterdam
Woont: zelfstandig, in Amstelveen
Familie: 2 kinderen, 3 kleinkinderen, 4 achterkleinkinderen
Weduwe sinds 2001

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next