Een minuut lang op de zaterdagmiddag op Monza was Lando Norris niet alleen de voorlopige polesitter voor de Grand Prix van Italië, maar ook een recordbreker: zijn ronde van 1.18.869 betekende een gemiddelde snelheid van 264,423 kilometer per uur, sneller dan de 264,362 km/u waarmee Lewis Hamilton vijf jaar geleden rondging in de kwalificatie op hetzelfde circuit.
Maar vervolgens ging Max Verstappen nóg sneller, met een ronde van 1.18.792 en een gemiddelde snelheid van 264,681 km/u. Het snelheidsrecord verdween op het moment zelf misschien wat naar de achtergrond, aangezien de focus vooral lag op het feit dat Red Bull tegen de verwachtingen in de pole pakte. Laten we daarom, los van het hier en nu, Verstappens prestatie nader belichten met een duik in de geschiedenisboeken.
Om terug te gaan naar het begin van dit record, laten we de aanwezigheid van de Indy 500 als F1-race in de jaren ’50 en begin jaren ‘60 buiten beschouwing. Dat betreft immers andere auto’s en een oval. Het eerste record van een snelste ronde ooit in een F1-race werd vanzelfsprekend gezet tijdens de eerste Grand Prix voor WK-punten, op Silverstone in 1950. Giuseppe Farina, die dat seizoen wereldkampioen zou worden, zette het eerste record neer met 151,300 km/u. Silverstone zag er destijds heel anders uit dan nu het geval is.
Farina verbeterde het record in de Zwitserse en Belgische Grands Prix die volgden, voordat zijn teamgenoot, de legendarische Juan Manuel Fangio, het brak in Frankrijk en Italië. In de eerste race op Monza meetellend voor het wereldkampioenschap bracht Fangio het record naar 191,231 km/u. Dat bleef een jaar staan voordat Fangio het opnieuw brak, wederom in de kwalificatie op Monza. De Argentijn kwam tot 200,353 km/u in de doorontwikkelde versie van de Alfa Romeo 158 die hij een jaar eerder had bestuurd. Op dat punt leverde de Alfa 159 met zijn 1,5 liter achtcilinder meer dan 400 pk.
De auto’s die daarna kwamen waren minder extreem; het waren vooral Formule 2-wagens die de grid vulden. Fangio’s record bleef onaangetast tot de 2,5-literformule rijp was – en het was opnieuw Il Maestro die zijn eigen record brak: in 1955 op Monza, met de legendarische en herbouwde kombochten. Met de ‘streamliner’-versie van de innovatieve Mercedes W196 legde Fangio de lat op 216,216 km/u.
Een jaar later deed Fangio het opnieuw op Monza, voor de laatste keer: hij leidde een Ferrari 1-2-3 in de kwalificatie met een gemiddelde snelheid van 221,402 km/u. Merkwaardig genoeg ging dit aan diverse prominente commentatoren voorbij: Denis Jenkinson besteedde er geen aandacht aan in zijn verslag voor Motor Sport, terwijl Autosport-verslaggever Gregor Grant te druk was met lof voor Stirling Moss’ overwinning en Peter Collins’ sportiviteit om het überhaupt te noemen.
Daarna werd het record slechts af en toe gebroken tot begin jaren ’70. Tony Brooks noteerde in 1959 met zijn Ferrari 240 km/u op het Duitse Avus. De F1 werd een 1,5-literformule in 1961, dus het is niet verrassend dat het record bleef staan tot na de ‘terugkeer van de pk’s’ in 1966: toepasselijk genoeg was het de onovertroffen Jim Clark die het record in 1967 brak op Spa-Francorchamps, met 243,92 km/u in de kwalificatie op het angstaanjagende oude 14,120 kilometer lange circuit.
De ongelukkige Chris Amon, één van de beste coureurs die nooit wereldkampioen werd, brak het record eveneens op Spa in 1970 (244,700 km/u) en op Monza in 1971 (251,213 km/u). Daartussen, op Monza in 1970, ging Jacky Ickx met een Ferrari rond in 246,018 km/u. En dit was, vergeleken met nu, een Monza zonder chicanes. Amons recordronde in 1970 is een buitenbeentje in deze lijst, omdat hij deze in de race reed in plaats van in de kwalificatie. En dat ook nog eens in een auto die nauwelijks vooruitstrevend was: de weinig geliefde March 701. Bovendien hij won niet eens – hij zat in een vergeefse achtervolging op Pedro Rodriguez’ BRM.
Op Monza in 1971 zorgde Amons recordronde voor wrevel bij de tifosi, omdat zijn Matra – dankzij een slipstream van Tim Schenkens Brabham – sneller was dan Ickx’ Ferrari in de strijd om pole-position. De tijdwaarnemers weigerden aanvankelijk Amons ronde te erkennen en er werd breed gemeld dat geen enkele andere stopwatch dezelfde tijd voor Ickx had waargenomen als die van de officials. In een moeilijk jaar voor Ferrari ‘werd algemeen aangenomen dat ze met de cijfers hadden gesjoemeld om het Italiaanse publiek op te zwepen’, schreef Autosport destijds. In de race maakte Amon een slechte start en trok hij later per ongeluk zijn hele vizier eraf toen hij een tear-off wilde verwijderen, waarna hij een halve minuut achterstand opliep.
Amons record bleef onaangetast tot 1985, toen Keke Rosberg in een Williams-Honda de lat naar 258,983 km/u tilde tijdens de kwalificatie op Silverstone. En dat terwijl zijn linker voorband langzaam druk verloor door een lek en binnen enkele minuten nadat hij de pits was ingereden leeg was. Het was een typisch staaltje Keke-bravoure, een alles-of-nietsronde in de kwalificatie terwijl de eerste regendruppels vielen. Hij beweerde dat het nog sneller had gekund, ware het niet dat het lek hem een zwabber gaf bij de Woodcote-chicane.
Dit was wellicht het hoogtepunt van het 1000 pk-turbo-tijdperk, voordat de FIA de turbodruk en tankinhoud aan banden legde om de snelheid te beperken. En zo gebeurde het: Rosbergs record bleef staan tot 2002. Toepasselijk genoeg was het opnieuw een vechterstype achter het stuur en weer in een Williams: Juan Pablo Montoya. In een seizoen vol Ferrari-dominantie gaf de bloeiende samenwerking tussen Williams en BMW een signaal af in de kwalificatie op Monza. Een nieuw record van 259,827 km/u was alles wat JPM dat weekend overhield, want in de race liet zijn auto hem in de steek.
Toen het machtige V10-tijdperk zijn hoogtepunt bereikte in 2004, deed Montoya het opnieuw op Monza, ditmaal boven de 262 km/u. “Ook al wordt het niet officieel genoteerd als de snelste pole-position, ik weet wat ik heb gedaan”, schreef Montoya destijds in zijn vaste column voor Autosport. De Colombiaan refereerde hiermee aan het feit dat hij zijn ronde afwerkte in de eerste kwalificatie, die niet meetelde voor de uiteindelijk grid. “Dit is belangrijk voor mij, want dit is waarschijnlijk het laatste jaar dat zo’n record gebroken kan worden. Met alle regelwijzigingen die eraan komen, kan het wel vijftig jaar duren voordat mijn record weer sneuvelt.” Die sombere visie paste bij de tijdgeest, waarin FIA-president Max Mosley de strijd aanging met budgetten en prestaties. Er kwamen kleinere V8-motoren aan, wat Montoya dat weekend deed opmerken: “Zou u liever in een BMW 1-serie rijden of in een M5?”
In werkelijkheid duurde het slechts veertien jaar voordat het record opnieuw werd verbroken, weer in Monza en dit keer door een Ferrari-coureur – voor het eerst sinds Ickx in 1970. Kimi Raikkonen pakte de laatste van zijn achttien pole-positions met een gemiddelde snelheid van 262,587 km/u. Zijn plek in het recordboek hield twee jaar stand, tot Hamilton hem in 2020 onttroonde. Toen waren de beroemde fluisterende bomen van Monza de enige getuigen langs de baan van Hamiltons 264,362 km/u; vanwege de coronapandemie werd het evenement achter gesloten deuren gehouden.
Hoe mooi is het dan dat er in 2025 een vol huis aanwezig was om het record tweemaal op één dag te zien sneuvelen: eerst door Norris en even later door Verstappen.
Bekijk: F1-update: Max Verstappen deelt verhaal achter bijzondere boordradio, waarom hielp Piastri Norris?
Source: Motorsport