Chaconne Muziek kent tal van genres en subculturen: NRC’s muziekprofessor biedt essentiële muziekkennis. Deze week: de chaconne. Wat moet je luisteren en wie moet je kennen?
Vier dalende tonen, telkens herhaald, met daarboven melodieuze variaties: de chaconne waaide in de zestiende eeuw vanuit Latijns-Amerika over naar Spanje. Begonnen als een snel danslied met spottende teksten, groeide de chaconne in de loop der tijd uit tot een diepzinnig raadsel dat – op de langzame hartenklop van de baslijn – steeds verder in de kelders van de ziel lijkt af te dalen.
Nou ja, dat laatste hangt natuurlijk af van welke van de vele honderden versies je erbij pakt. Al geldt goedbeschouwd maar één hiervan als ‘dé’ chaconne: het slot van de Tweede Partita voor viool solo van Johann Sebastian Bach.
„Op één notenbalk voor een klein instrument schept Bach een volledige wereld van de diepste gedachten en krachtigste gevoelens”, schreef componist Johannes Brahms in een brief. „Had ik dit stuk geschreven, dan zou tomeloze opwinding en de verpletterende ervaring ervan me tot waanzin hebben gedreven.”
Brahms leerde de Bach-chaconne van binnenuit kennen door het maken van een eigen pianobewerking voor de linkerhand. Een andere waanzin dan die waarover hij filosofeert lijkt de drijvende kracht achter het origineel: niet de waanzin van de euforie, maar die van het verdriet. Bach keerde na een reis van drie maanden met zijn broodheer, de vorst van Anhalt-Köthen, half juli 1720 terug naar huis. Daar wachtte de componist het nieuws dat zijn vrouw Maria Barbara – bij zijn vertrek nog blakend van gezondheid – een week eerder was gestorven en al onder de grond op het kerkhof lag.
Verscheidene musicologen betoogden in de afgelopen drie eeuwen dat Bach zijn ‘Chaconne’ kort daarna schreef als grafschrift voor Maria Barbara. Dat de Tweede Partita met de dood van doen heeft, lijkt wel zeker. Bach schreef een reeks van zes stukken voor viool solo, drie sonates en drie partita’s, waarvan hij koppels maakte met in gedachten de grote christelijke feestdagen: Kerstmis, Pasen en Pinksteren. Het verwijst ook naar de drie-eenheid zoals je die terugvindt in de Latijnse spreuk Ex Deo nascimur, in Christo morimur, per Spiritum Sanctum reviviscimus: uit God geboren, in Christus gestorven, door de Heilige Geest herrezen. De Tweede Sonate en Partita verklanken Pasen, het sterven.
De Duitse muziekwetenschapper Helga Thoene zocht in de vioolstukken naar verborgen betekenissen. Ze schreef er een verhandeling over: Ciaconna, Tanz oder Tombeau. Chaconne, dans of gedenkteken. Op basis van de principes van Gematria – waarbij cijfers aan letters worden verbonden – ontdekte ze de naam Maria Barbara in de beginmaten van de Chaconne. Ook de naam Bach dook op met het woord dood in zijn voetspoor. Het is niet voor niets dat Thoene zich in de numerologie verdiepte, want dat was in de baroktijd een geliefde methode van componisten om raadsels en boodschappen in hun muziek te verbergen.
Thoene kwam in de ‘Chaconne’ ook veel citaten uit bekende christelijke koralen tegen, zoals Maarten Luthers hymne Christ lag in Todesbanden, over hoe Jezus de dood wist te overwinnen. Op basis van Thoenes onderzoek maakte het Britse Hilliard Ensemble met violist Christoph Poppen een opname van de ‘Chaconne’ met die koralen erin verwerkt. Iets mysterieuzer, rauwer en kaler – en wat mij betreft ‘mooier’ – is de versie van de Nederlandse violist Diamanda Dramm: niet met gepolijst koor, maar met twee zangeressen.
Doet Thoene aan creatief muzikaal boekhouden, aan zin zoeken waar die niet bestaat? Wie zal het zeggen. Hoe dan ook: Bachs ‘Chaconne’ spreekt tot ons in raadsels en geheimenissen. „Het behoort niet alleen tot de grootste muziek”, vindt violist Joshua Bell, „maar tot de grootste prestaties van een mens in onze geschiedenis.” Daarom maakten veel musici hun eigen ‘vertaling’: van pianisten Ferruccio Busoni en Brahms, tot saxofonist Raaf Hekkema, gitarist Julian Bream en dirigent Leopold Stokowski.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC