Analyse Het wantrouwen tussen burger en Den Haag neemt toe, maar de interesse in het thema lijkt weg. „Kiezers willen een overheid die resultaten boekt, maar het tegenovergestelde is gebeurd.”
Bordjes bij ‘De Straat Op’, een protestmars in Amsterdam op 24 mei tegen populisme en verdeeldheid. Foto’s Sabine Joosten/ANP
Het is een veel gehoorde theorie in Den Haag: de Tweede Kamerverkiezingen van 29 oktober worden een herhaling van die van twee jaar geleden. Anders dan veel voorgaande verkiezingen is er geen nieuwe partij die de aandacht naar zich toetrekt. Veel kandidatenlijsten lijken sterk op die van toen. De thema’s die partijen willen agenderen zijn grotendeels dezelfde als in november 2023: migratie, geopolitiek, de wooncrisis, stikstof. Je hoeft, merkt een co-auteur van een verkiezingsprogramma op, eigenlijk alleen maar het programma van 2023 te copy-pasten, en klaar ben je.
Maar één onderwerp ontbreekt deze keer grotendeels: de vertrouwenscrisis tussen overheid en burger. Zoek maar in de stapel (concept)verkiezingsprogramma’s waar partijen deze dagen over gaan beslissen (en komend weekend gebeurt dat op de partijcongressen van VVD, CDA, NSC, Partij voor de Dieren, ChristenUnie en JA21). Het lage vertrouwen van burgers in de politiek was een van de belangrijkste thema’s van de verkiezingen van 2023. En nu? Stilte.
En dat is vreemd, want het probleem is minstens even groot als toen, als je het de kiezer vraagt. Volgens een peiling van het RTL Nieuwspanel, vorige week, is het vertrouwen dat burgers in „politiek in het algemeen” hebben „nog nooit zo laag” geweest: 4 procent. In de tweede helft van vorig jaar was dat vertrouwen 30 procent.
Protestborden op 24 mei.
Het is maar één peiling, maar wel eentje die de trend bevestigt die het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) al jaren ziet. Het SCP volgt, in het doorlopende onderzoek Burgerperspectieven precies hoe burgers kijken naar politiek, overheid en elkaar. Hun conclusie, eerder deze zomer: het vertrouwen in politiek wás al laag, maar is sinds het aantreden van het kabinet-Schoof in 2024 alleen maar verder gedaald. Waarom? Het SCP schrijft: „Geen oplossingen, onderling gedoe, verkeerde koers, incompetent.” Burgers hebben er een hekel aan als politici geen resultaten boeken, maar met zichzelf bezig zijn en ruziemaken.
Er is wel goed nieuws in de vertrouwenscrisis, zegt hoogleraar politicologie Tom van der Meer (Universiteit van Amsterdam). De oplossing is bekend. Wat kiezers wél willen, is uitputtend onderzocht. Van der Meer werkt mee aan een groot internationaal onderzoek naar vertrouwen in politiek. „Burgers willen een onpartijdige, betrouwbare overheid die resultaten boekt. En ze willen goed vertegenwoordigd worden door de Tweede Kamer. Hoe meer politiek en bestuur aan die voorwaarden voldoen, des te meer stijgt het vertrouwen.”
Een laag vertrouwen is dus niet per se een probleem, zegt Tom van der Meer. „Zolang het vertrouwen maar weerspiegelt hoe de overheid functioneert. Scepsis van kiezers is iets goeds. Het wordt pas een probleem als kiezers hun overheid blind vertrouwen, of blind wantrouwen. Blind vertrouwen kan leiden tot beleid dat veel te ver gaat, zoals de Patriot Act van de Amerikaanse president Bush na 9/11. Blind wantrouwen duidt erop dat kiezers definitief afhaken. Dat is in Nederland niet zo.”
Maar slecht nieuws is er ook, zegt Van der Meer. Hoe simpel de oplossing ook is, gewoon beter presteren, Kamer en kabinet trekken zich hier weinig van aan. Het (demissionaire) kabinet-Schoof viel ruziënd uiteen. Van regeren is nauwelijks iets gekomen. Wetten kwamen er niet, of ze waren zo slecht onderbouwd dat de Raad van State er niets mee kon. De politiek keerde alleen maar verder naar binnen. Van der Meer: „En in plaats dat partijen probeerden burgers tegemoet te komen, ging het alleen maar slechter. De verhoudingen raakten verzuurd, politici gingen juist meer op de persoon spelen. Het tegenovergestelde van wat kiezers wilden, is gebeurd.”
Protestborden op 24 mei.
In 2023 spraken partijen nog vrome woorden. Het Rutte-tijdperk kwam ten einde. Destijds had de vertrouwenscrisis zich met name aan het einde verdiept, mede door het Toeslagenschandaal en de Groningse gaswinning. Pieter Omtzigt was mateloos populair. Hij had zich losgemaakt van regeringspartij CDA en voerde, eerst als eenmansfractie, later als leider van de nieuwe partij NSC, campagne voor ‘goed bestuur’ en een integere overheid. NSC won uiteindelijk twintig Kamerzetels.
Blader door de verkiezingsprogramma’s van toen, en meteen valt op dat bijna alle partijen ingaan op de zorgen die Omtzigt verwoordde. De VVD, jarenlang de grootste partij, schreef dat de overheid niet langer „los van de samenleving” moest staan, maar „dienstbaar, betrouwbaar en transparant” moest worden. GroenLinks-PvdA had in het verkiezingsprogramma van 2023 een uitgebreide analyse van het dalende vertrouwen. Het „diepe wantrouwen” werd onder meer veroorzaakt door „doorgeslagen digitalisering, complexe regels en institutioneel racisme”. Er moest weer „grip op de publieke zaak” komen. NSC voerde vooral op dit thema campagne.
Deze verkiezingen is dat anders. De VVD heeft het niet meer over het wantrouwen in politiek en overheid. De overheid moet kleiner, staat in het huidige verkiezingsprogramma, en ambtenaren moeten „efficiënt” werken, zoals „in Singapore”, een stadstaat die bepaald niet de ranglijsten over persvrijheid en burgerlijke vrijheden aanvoert.
Bij GroenLinks-PvdA ontbreekt het thema nu ook grotendeels. Vertrouwen komt nog wel voor in het programma, maar dan andersom: de overheid moet burgers weer vertrouwen en meer vrijheid geven. NSC, opgericht om dit onderwerp, besteedt nog steeds een heel hoofdstuk aan het vertrouwen in de overheid, maar opvallend genoeg is dat niet langer hoofdstuk 1, maar hoofdstuk 3.
Tegelijkertijd neemt de kiezerswoede toe. En zo ontstaat wat je een cirkel van wantrouwen kunt noemen. Politici zien dat kiezers boos zijn en doen daarom een grote belofte (‘stem op ons, wij lossen de stikstofcrisis op’). Die belofte kunnen ze niet waarmaken. Kiezers worden nog bozer, en stemmen op politici die nog grotere beloftes doen. Die maken nog minder waar, waardoor kiezers… enzovoort.
Door deze cirkel van wantrouwen konden populistische nieuwkomers afgelopen jaren snel winnen (denk aan de LPF, FVD of BBB), om daarna vaak snel weer uit de gunst te raken bij kiezers. Dit jaar is dat anders. Nu doen er geen nieuwkomers mee, waardoor de verkiezingen een andere dynamiek kunnen krijgen.
Want waar moet de boze of teleurgestelde kiezer straks naartoe? Hij zal uit het bestaande aanbod moeten kiezen. Dat kan betekenen dat de radicaal-rechtse PVV groot blijft, al had de PVV als grootste regeringspartij nog zo’n groot aandeel in de huidige politieke chaos.
Keren kiezers, zoals peilingen aangeven, massaal terug naar het CDA, dat overigens wel veel aandacht besteedt aan vertrouwen in het verkiezingsprogramma? Blijven ze thuis? Na de verkiezingen zeggen partijen ongetwijfeld vast weer dat „de kiezer gesproken heeft”, dat ze „het signaal serieus nemen”.
Maar wat de wortels van het wantrouwen zijn, daarvoor bestaat vóór de verkiezingen maar weinig belangstelling.
Volg politiek Den Haag op de voet en word zelf een Haagse ingewijde
Source: NRC