Gaza-oorlog Het uitblijven van duidelijke maatregelen om het Israëlische geweld in Gaza te stoppen, vergroot ook de twijfel over de Nederlandse democratische rechtsorde, vindt Herman Tjeenk Willink.
Twee weken geleden bezocht ik in Parijs een kleine tentoonstelling, getiteld Les trésors sauvés de Gaza, 5.000 ans d’histoire (‘de geredde schatten van Gaza, 5.000 jaar geschiedenis’). En ik realiseerde met schaamte hoezeer de Europese geschiedenis van de afgelopen honderd jaar en het westerse denken van de afgelopen eeuwen Palestina, zijn bewoners en zijn eeuwenoude cultuur onherstelbaar hebben beschadigd.
Herman Tjeenk Willink is minister van staat. Hij was vicepresident van de Raad van State en informateur bij vijf kabinetsformaties.
Een vernietigingsproces dat nu door Israël verhevigd wordt doorgezet. Mijn schaamte en verontwaardiging betroffen ook de collectieve onmacht, het gebrek aan politieke moed, het tekort aan historisch besef en daarmee ook de eenzijdigheid van de Nederlandse blik op Israël in de afgelopen decennia.
Na twee wereldoorlogen werd – met onvoorwaardelijke steun van Nederland – ingezet op internationale rechtsordening. ‘Dit nooit weer’. Niet toevallig werden het Genocideverdrag en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in 1948 in dezelfde vergadering van de Verenigde Naties vastgesteld. Maar daarmee, bleek achteraf, was hun universele werking niet gegarandeerd.
Daarbij stond ook de westerse dominantie in de weg. Vrij naar de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington: het Westen won niet door de superioriteit van zijn waarden of religie, maar eerder door zijn superioriteit in het inzetten van georganiseerd geweld. Westerlingen vergeten dit vaak; niet-westerlingen nooit.
Die westerse dominantie is tanende. Als je macht tanende is, komt het op gezag aan. En dus dringt zich nog sterker de vraag op: hoe houden we de internationale rechtsordening overeind? Ook in Gaza gaat het om inzet van georganiseerd geweld en internationaal vastgelegde waarden. Kiezen we ervoor iets te doen? Of verspelen we ons laatste restje moreel gezag tegenover de rest van de wereld?
Door de veranderende geopolitieke verhoudingen moet Europa meer aan defensie uitgeven. Terecht, de verhouding met de VS is uit balans, de afhankelijkheid te groot, het bondgenootschap te onzeker. Maar wat verdedigen we eigenlijk als de regering nauwelijks maatregelen neemt tegen – en dus medeplichtig wordt aan – schendingen van het Genocideverdrag door een land waarmee we door de geschiedenis nauw verbonden zijn? Hoe serieus nemen regering en parlementaire meerderheid de internationale rechtsordening waarvan Nederland voor zijn voortbestaan, ook als democratische rechtsstaat, zo afhankelijk is?
In NRC herinnerde Caroline de Gruyter er onlangs aan dat Israël zijn huidige beleid niet uit zichzelf zal stoppen, omdat dat het dat al ver voor 7 oktober 2023 heeft ingezet. Er is tegendruk nodig in de vorm van harde maatregelen van buiten. Want Montesquieu wist al: macht zonder tegenmacht wordt absolute macht.
Met andere woorden: als we willen dat Netanyahu te elfder ure nog een andere koers gaat varen, zal ook Nederland op een andere, aanzienlijk steviger koers moeten inzetten. Alleen door fors tegenwicht te bieden, kan misschien nog voorkomen worden dat de geloofwaardigheid en het bestaansrecht op langere termijn van Israël zelf op het spel komen te staan.
Juist de beste vrienden van Israël zouden de alarmbel moeten luiden, vanuit het besef dat de catastrofe die zich nu voltrekt – niet alleen in Gaza, ook op de Westelijke Jordaanoever – „tot andere rampen zal leiden”, zoals oppositieleider Yair Lapid het zei, en nog generaties zal doorwerken.
Ook daarom vind ik de gedachte alleen al onverdraaglijk dat uitgerekend de staat Israël die is ontstaan en het eigen bestaan rechtvaardigt als veilige plek voor de nabestaanden van de Shoah, zelf genocide pleegt, getto’s inricht, systematisch een bevolking van haar grond verjaagt en een eeuwenoude cultuur vernietigt. Daarmee wordt, in mijn ogen, de nalatenschap van de slachtoffers van de Shoah door deze Israëlische regering aangetast.
Het uitblijven van duidelijke maatregelen vergroot ook de twijfel in Nederland over de eigen democratische rechtsorde. De maatschappelijke onvrede neemt toe. Dat leidt tot spanningen tussen bevolkingsgroepen die onvermijdelijk tot uitbarsting zullen komen. Zeker als het ‘integratieargument’ als oorzaak van stal wordt gehaald: zij voldoen niet aan onze waarden.
Maar integratie in wat eigenlijk? Wat zijn ‘onze gemeenschappelijke’ waarden waard, als ze – te beginnen met artikel 1 van de Grondwet – selectief worden toegepast? Democratie biedt ruimte voor verscheidenheid. De gebondenheid aan het recht, van burgers én overheid, biedt zekerheid. Dáárover hoort het bij integratie te gaan.
Ook groeit de afstand tussen de (nationale) politiek en beroepsgroepen die in het functioneren van de democratische rechtsstaat niet gemist kunnen worden: juristen, journalisten, wetenschappers, ambtenaren. Zij maken duidelijk dat ze de huidige koers steeds minder met hun beroepsethiek kunnen verenigen. Ze dreigen af te haken.
Politieke partijen onderschatten de gevolgen van een vertrouwensbreuk tussen bestuur en ambtenaren. In discussiebijeenkomsten en bij spreekbeurten ontmoet ik steeds vaker ambtenaren die worstelen met de spanning tussen de waarden van de democratische rechtsorde die zij moeten verdedigen en de loyaliteit die voortvloeit uit het primaat van de politiek.
Ik ben me er de laatste decennia steeds meer van bewust geworden dat het primaat van de politiek alleen kan gelden als de wetgever ook recht-gever is, en de politieke meerderheid zich aan het recht gebonden weet. Zowel het ene als het andere blijkt steeds minder het geval.
Als het functioneren van de vertegenwoordigende democratie hapert, komt het op de maatschappelijke democratie aan. De actiebereidheid is groot. De twee massale Rode Lijn-demonstraties maakten indruk, maar leidden nauwelijks tot politieke actie. Zoals Sigrid Kaag vorige maand zei: „Het morele kompas staat nu vaker op straat dan in de politieke wandelgangen.”
Anders dan bij een bedrijf, gaat het bij de overheid in een democratische rechtsorde uiteindelijk niet om effectiviteit en efficiëntie, kosten en baten, maar om waarden. Als het erop aankomt, gaat het om het morele besef bij ieder van ons – ambtsdragers en burgers – van wat wel en niet mag. Vind ik dit rechtvaardig, kan dit door de beugel, is dit proportioneel? Op dat morele besef is het gezag van de democratische rechtsorde gebaseerd.
Dit is een bewerking van een tekst die de auteur afgelopen week uitsprak bij een sit-in van ambtenaren tegen het Gaza-beleid
Source: NRC