Home

Schrijven voor de prullenmand – Thomas Heerma van Voss schreef ongemakkelijke interviews met oude schrijvers

Essay Thomas Heerma van Voss interviewde een generatie schrijvers voor wie literair succes nog heel gewoon was – maar toen trad het verval in. Onverbloemd eerlijke literatuurgeschiedenis, die ook dubbele gevoelens wekt.

Cees Nooteboom

Weinig boeken waaraan ik onverwachts zo verslingerd raakte als De prullenmand heeft veel plezier aan mij: ik heb alles achter elkaar doorgelezen, het hele boek in één ruk uit, opgevreten. En: weinig boeken waar ik zo van genoot, maar waaraan ik ook zoveel dubbele gevoelens overhield.

Eerst de verslingering. Die was onverwacht, omdat dit een verzameling interviews is met oude schrijvers die terugkijken op hun carrières en zich wentelen in hun vergane glorie. Sommigen vergeten, de meesten balancerend op het randje van de vergetelheid, de één berustend en tevreden, de ander verongelijkt.

En nou heb ik wel iets met schrijvers, met verhalen over dat wereldje, met schrijversinterviews. Maar dit is een bundeling, dus in principe geen pageturner, geen doorlopende lijn, geen verhaal waarvan je wilt weten hoe het verder gaat. Alles begint in feite elk interview weer opnieuw, en dan is de insteek ook nog telkens dezelfde, en vrij specifiek. Dit project begon met een serie getekende zelfportretten van schrijvers, die literair tijdschrift De Revisor in 1977 publiceerde. Een halve eeuw later zocht schrijver Thomas Heerma van Voss (1990) hen op (degenen die nog leefden en nog wilden) om ze te interviewen over dat portret.

Verhalen over hoe ze zichzelf zagen, vroeger, toen literatuur nog heel gewoon was, over de afkalving daarvan, en over de ouderdom die alles komt verslinden, telkens weer. De ene keer heet de hoofdpersoon Rudolf Geel, de volgende keer Hilbert Kuik, dan weer Ad Zuiderent – ja, ook Cees Nooteboom en Judith Herzberg komen langs, maar het gros van de interviews is met mensen waarvan je, zogezegd, niet echt wist dat je nog een interview wilde lezen.

Maar: wel dus. Ik verslond de interviews. Minder door het wie of wat dan door het hoe, en dat is vooral aan Heerma van Voss te danken. Als interviewer is hij op het eerste oog vooral meegaand, empathisch. Je stelt je voor dat hij steeds zwijgend en met verwachtingsvolle hondenogen tegenover de geïnterviewden plaatsnam, hen vervolgens alle ruimte gaf om leeg te lopen. Of: om hun eigen graf te graven. Want de grondtoon is onmiskenbaar tragisch – het is allemaal niet meer wat het geweest is – en die tragiek is weinig flatterend.

Of is dat discutabel? De geïnterviewden lijken in elk geval niet erg gepikeerd met het resultaat, ze komen gewoon opdraven bij Heerma van Voss’ boekhandelstournee. Toegegeven: de tragiek is subtiel, wat ik tragisch vind zou een ander eerlijk kunnen noemen. Wellicht is het zo dat de context, het feit dat al deze schrijvers uitgebreid gelegenheid krijgen om hun verhaal te doen, de pijn verzacht. Maar de titel van het boek is wat dat betreft curieus: de zin komt uit een (montere) beschrijving van Judith Herzbergs werkwijze: „Voor mij blijft poëzie vooral een spel. Een spel met woorden, en met inkorten. Mijn gedichten zijn eerst altijd veel langer, en dan ga ik de boel snoeien. De prullenmand heeft veel plezier aan mij.” Losgeknipt heeft die zin een heel andere gevoelswaarde. Dan zie je een schrijver wiens enige resterende publiek de prullenmand is.

Thomas Heerma van Voss weet best wat hij doet: in de toonzetting is de tragiek voelbaar, maar vooral voor wie het wil zien – en dáárom verslind je deze interviews, om die subtiele spanning, de onbedoelde bijklanken. Voorbeeld: dichter Arie van den Berg schreeuwt van de daken dat hij het prima vindt dat zijn langste tijd voorbij is, waarna Heerma van Voss vaststelt: „Dat doet hij de rest van deze middag vaker: geanimeerd kijken terwijl hij woorden uitspreekt die zeker uitgeschreven zwartgallig overkomen.” Zo klinkt de slotzin van het interview ook: „Dan vertrek ik, en Arie van den Berg blijft achter.” Triest bijna, welbewust tragisch, maar toch ook gewoon feitelijk, zoals het was.

Judith Herzberg

Zo doet Judith Herzberg de deur open in pyjama, ze had zich een dag vergist, en beschrijft Heerma van Voss hoe ze een ongaar eitje opslurpt. Zo blijft Jan Kuijper maar namen van generatiegenoten noemen die Heerma van Voss telkens niet kent. Zo zien we hoe Cees Nooteboom op zijn oude dag op Menorca verzorgd wordt door echtgenote Simone Sassen: „Nooteboom drinkt whisky met ijs. Wanneer zijn glas leeg is, zegt hij: ‘Tingelingeling.’ Sassen komt dan overeind en schenkt hem bij.” Zo komt tijdens het interview net de woningcorporatie langs bij Jan Kal en zegt de medewerkster dingen als: „Het licht in de badkamer werkt niet, de wc is kapot. Doucht u nog?”

Die twee interviews, met Nooteboom en Kal, zijn de hoogtepunten van de bundel, door die snijdende details, die hun karakters en de aftakeling zo rauw in beeld brengen. Dit lees je niet onaangedaan.

En misschien krijg je zo de eerlijkste literatuurgeschiedenis, de meest onverbloemde, de menselijkste. Meer dan schrijvers zien we hier mensen, en dat zijn onvermijdelijk mensen in verval, ontdaan van hun vroegere glans. Maar het opvallendste aan dit boek: van hun literatuur, wát ze schreven, krijgen we hoogstens karakteriseringen van anderhalve zin. De boeken zijn historische feiten geworden, relieken die dichtgeslagen staan te verstoffen in de kast.

Dat ligt natuurlijk aan de opzet van dit boek – Heerma van Voss kondigde in zijn voorwoord al aan zijn portretten „niet te stutten met veel jaartallen, titels, feitjes, stijlanalyses of geëxpliciteerde dwarsverbanden”. Die opsomming is trouwens ook een retorisch slimmigheidje: alles wat niet bij de categorie ‘portret’ hoort, krijgt zo inderdaad de bijklank van stoffig huiswerk. „Belachelijk”, noemt Cees Nooteboom zijn volle werkkamer, nu in onbruik. Het gevolg is wel dat Nooteboom, óók de schrijver die op een geniaal moment de roman Rituelen schiep, hier gereduceerd wordt tot de oude man die hij nu is.

In dat kielzog beschouwen de geïnterviewden de hedendaagse literaire cultuur ook telkens door de lens van vroeger. „Het gaat slecht met de Nederlandse literatuur”, klaagt Hans Vervoort. „Vroeger gold: twee goeie recensies en mensen kochten je boek”, moppert Mensje van Keulen. „Dat is nu ondenkbaar. Maar ja, bijna alles van toen is ondenkbaar nu”, kniest Ad Zuiderent. „Geen idee was te gek destijds, echt alles kon”, schept Rudolf Geel op. „Verkoop deed er niks toe.” Waardoor er ook een vals stemmetje in je hoofd gaat pruttelen: als niemand die boeken hoefde te lezen, waren ze dan wel wat waard?

Jan Kal

Volgens de schrijvers zelf wel. Lidy van Marissing kon „iets aantikken van de ongrijpbare dingen in het leven, waar je anders nooit bij komt”. Jan Kal „wilde iets verbaliseren waarvan ik niet precies wist wat dan”. Hilbert Kuik vond in het schrijven „een rustplaats”: „Juist ook als de weken in puin lagen, dan was ik op papier iets heel concreets aan het bouwen.” Mooi gloedvolle argumenten, waarmee ze vooral de waarde van literatuur aanduiden op het kleinste, persoonlijke niveau. Het draait om wat er tussen de schrijver en de woorden op het papier gebeurt.

Dat deed me denken aan Het archief (2024), de meest recente roman van Thomas Heerma van Voss. Centraal stond daarin het redacteurschap van hoofdpersoon Pierre Rosenau bij literair tijdschrift Arabesk dat een roemruchte reputatie had, maar nu noodlijdend is, in verval. Toch blijven de redacteuren toegewijd: ze spannen zich in om alle komma’s, puntkomma’s en beletseltekens op precies de juiste plekken te zetten. Daar zit nog steeds waarde. Dat niemand het las? Heel jammer, maar betekent dat dat je het tijdschrift dan maar niet meer moet maken?

Het zat mij dwars aan Het archief: dat echte literatuur zo werd voorgesteld als iets teers, een kwetsbaar kuikentje, en iets marginaals. Eigenlijk: een stervende oude man die je toch nog niet wilt afschrijven. Die vergelijking is niet toevallig: de roman ontleende veel kracht aan het slotdeel, waarin Pierres oude vader op sterven ligt. Er tekent zich een parallel af tussen het tijdschrift en de oude vader, allebei hooggeachte culturele instituten uit een voorbije tijd. Moet Pierre loslaten of hooghouden? In de laatste zinnen van het boek neemt hij zich voor om, tegen de vergetelheid, het boek te schrijven dat we net gelezen hebben. „Aan mij de taak om mijn aandacht erbij te houden”, neemt hij zich voor. „Ik moet het allemaal goed gaan vertellen.” Om het tere te eren.

Het mag niet onopgemerkt blijven. Dat verlangen echoot in het motief voor deze interviewreeks. Op een zeker moment bespiegelt Heerma van Voss dat het hem niet gaat „om verval of toenemende onzichtbaarheid”, maar juist om „te horen op welke manier ze terugblikken […] welke grondtoon blijft hangen”. Wat er nog wél resteert dus. Tja. Dit lijkt me een nuanceverschil, zeker als die grondtoon toch tragisch is en als het motief toch ook angst voor de vergetelheid en zinloosheid is. Zo schrijft hij in zijn voorwoord „dat de gesprekken onvermijdelijk ook over mij gaan”, hij is nu grofweg zo oud als de geïnterviewden ten tijde van hun zelfportret. „Elke keer dat ik vroeg hoe een schrijver zichzelf in 1977 had gezien, vroeg ik in zekere zin of iemand mijn bestaan bijna vijftig jaar later wilde erkennen.” Die erkenning gaf „troost”: „Dat iets wat nu gebeurt, ook iets onopvallends wat een minuutje in beslag neemt, over een halve eeuw aanleiding kan zijn voor een urenlang gesprek, en voor een terugblik naar wat de jaren de moeite waard heeft gemaakt.”

Iets onopvallends: daaruit spreekt een wel heel voorzichtige, bescheiden opvatting over wat literatuur vermag. Van die opvatting is dit boek doortrokken – en dat zit me dwars, want ik vind het een verdrietige literatuuropvatting. Het suggereert verslagenheid, berusting in de marginaliteit, en daarmee: het kent literatuur wel heel geringe betekenis toe. Dat de boeken van de oude geïnterviewden nauwelijks opengeslagen worden, draagt daaraan bij.

Dat gaat helemaal voorbij aan het feit dat een boek een lezer diep kan raken, tot in haar wezen, ook in 2025 nog – of die literatuur nou nu geschreven wordt, of al tientallen jaren oud is (ik noemde Rituelen al). Ja, dat gebeurt vrijwel altijd buiten het zicht van de auteur, en het is misschien niet wijs als een schrijver al te veel laat afhangen van reacties. Maar is weerklank niet van wezenlijk belang om het schrijven tot een zinvol aanvoelende tijdsbesteding te maken? Toch heeft Heerma van Voss het met Mensje van Keulen niet over de eindeloze herdrukken van haar debuut Bleekers zomer, met Jan Siebelink niet over al die honderdduizenden lezers van Knielen op een bed violen.

Doen alsof schrijven alleen maar gaat over wat er tussen de schrijver en de woorden gebeurt, is ook, op z’n minst deels, valse bescheidenheid. Deze schrijvers willen iets maken, maar ook iets overbrengen. Anders schreven ze wel voor de bureaula of prullenmand, anders waren ze wel minder verbolgen over die uitgevers die hun werk niet meer willen publiceren (al is de reden daarvoor altijd geld, hoor, nooit kwaliteit!). Het eerlijkst daarover is Willem Jan Otten: „Ik geloof dat ik nog steeds meer uit geldingsdrang schrijf dan uit innerlijke noodzaak.” Hij wordt ongemakkelijk van die vaststelling, want geldingsdrang is ook een vies woord, en iets waar hij zich bij anderen aan ergert. Maar: „Tegelijkertijd is die drang cruciaal, je moet iets blinds hebben als kunstenaar, want daar begint scheppend vermogen en dus ook schrijverschap mee.”

Dat is misschien de belangrijkste les uit Heerma van Voss’ boek, al gaat die bijna kopje onder in de zee van bescheidenheid – om niet te zeggen illusieloosheid – die Heerma van Voss overspoelt, en zijn lezer met hem, als hij het telkens met de oude schrijvers over de huidige Nederlandse literaire cultuur heeft. Ja, veel is minder dan vroeger, maar was het vroeger echt allemaal makkelijker? Je zou het een literair tempo doeloe-gevoel kunnen noemen, dat langs de onwelgevallige kantjes kijkt – de generatie van de Revisor-zelfportretten (zeg maar: van de stervende vader van Pierre Rosenau uit Het archief) hoeft ook weer niet tot in het oneindige geïdealiseerd te worden. Drie van de achttien schrijvers in dit boek zijn vrouwen, om maar iets te noemen.

Daar kan Thomas Heerma van Voss niets aan doen (dit waren nou eenmaal de Revisor-zelfportretten) en misschien móést De prullenmand heeft veel plezier aan mij ook wel nostalgisch, melancholisch, tragisch uitpakken. Maar nadat je deze interviews tot je hebt genomen, triest om zoveel verval, en in de krant weer eens in een donderpreek leest dat de betekenis van de Nederlandse roman „geruisloos uitgehold” is, denk je ook korzelig: maar wat schieten we nou op met dat eeuwige omkijken? Met die voorzichtigheid? Ook nu nog worden romans gepubliceerd die binnenkomen als een dolkstoot in je hart, ook nu nog weet literatuur onze blik op de dingen diepgaand te veranderen.

En dat alles dankzij iemand die „iets blinds” had, die geen genoegen nam met „iets onopvallends wat een minuutje in beslag neemt”. In de bravoure die Willem Jan Otten zijn vroegere zelf verweet, klonk tenslotte ook bewondering door: „Je hebt zo nog helemaal niks te vertellen, werkelijk geen spoor van inhoud heb je, en toch claim je het: ja hallo, ik schrijf, hier ben ik.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next