Engagement Met wie moet de kunstenaar deze nazomer solidair zijn? Niets heeft de westerse mens, en niet alleen hij, met zoveel passie geproduceerd als de identiteit van het slachtoffer, met alle consequenties van dien.
Onlangs liet actrice Monique van de Ven (1952) in Trouw optekenen dat we in een „truttige tijd” leven. Ze gaf ook een verklaring voor die truttigheid: „We willen steeds veiliger leven omdat de buitenwereld zo heftig is, denk ik.”
Er wordt al jaren verzucht dat deze tijd zo truttig is en al minstens zo lang roepen sommige burgers, vooral oudere mannen, dat ze ook niets meer mogen zeggen, waarmee ze bedoelen dat er andere dingen niet meer gezegd mogen worden dan vroeger. Elke gemeenschap bestaat inderdaad bij de gratie van verboden en dat die verboden voortdurend van aard veranderen, mag eenieder duidelijk zijn die een paar jaar middelbare school achter de rug heeft. Of die nieuwe verboden beter zijn dan de vorige, daarover is discussie mogelijk, sterker nog, veel cultuuroorlogen zijn en worden over deze kwestie gevoerd. Het zou kunnen dat de huidige zedenmeesters, veel meer nog dan hun voorgangers, geobsedeerd zijn door veiligheid, maar elke zedenmeester zal het onwenselijke altijd weer bestrijden in naam van het algemeen belang.
Nog niet eens zo lang geleden publiceerde de katholieke kerk lijsten met verboden boeken om de zieltjes van haar schapen te redden. Tegenwoordig ziet redding er anders uit, de schapen zijn ook veranderd. Musea informeren hun bezoekers over de wandaden van de kunstenaars, die zij toch tentoonstellen – met dichtgeknepen neus weliswaar, een bewijs van morele verhevenheid – of ze waarschuwen dat een kunstwerk choquerend zou kunnen zijn, zoals sommige koffieketens op hun bekertjes de boodschap laten drukken dat de inhoud ervan kokendheet kan zijn.
Van sommige kardinalen zou men nog kunnen beweren dat zij werkelijk geloofden dat hun lijst met verboden boeken de ziel ietsje reiner zou houden, terwijl men bij hedendaagse culturele instellingen, en soms ook bij kunstenaars en andere publieke personen, de indruk krijgt dat de motor achter het engagement gedreven wordt door zorgen om het eigen imago.
De empathie die uit de overdreven voorkomendheid moet spreken betekent in de praktijk dat de medemens de grootst mogelijke labiliteit wordt toegedicht. Het past binnen een grotere ontwikkeling: de roeping van de westerse mens is om patiënt te zijn en, na er de voordelen van te hebben ontdekt, dat ook voor altijd te blijven.
Probleem is dat veiligheid een gevoel is en met gevoelens kan men alle kanten uit. Waar de microagressie begint en waar ze vervolgens ook weer ophoudt, is een discussie waar de Schriftgeleerden die Jezus uit de tempel wilde jagen nog een puntje aan kunnen zuigen. Jezus meende dat de Schriftgeleerden de geest van de wet veronachtzaamden, dat zij van de wet een speeltuin hadden gemaakt voor hun eigen spitsvondigheid en winstbejag. Hoe het met Jezus afgelopen is, is bekend, wat gebleven is, is het ideaal van de zuiverheid.
Het kon ook niet anders: waar de zuiverheid van de ziel is afgeschaft zullen andere vormen van zuiverheid bovendrijven. En wij weten dat het verlangen naar zuiverheid oneindig groot is en dat elke gemeenschap die naar zuiverheid streeft uiteen zal vallen, omdat er altijd deelgemeenschappen zijn die meer en betere zuiverheid verlangen. Maar ook zuiverheid bestaat bij de gratie van het tegenovergestelde, de onzuiverheid, het obscene, waarover men zich vervolgens met de ongekende hartstocht van de gekwetste verontwaardigd betoont.
Ik twijfel er niet aan dat de emoties en de verontwaardiging van de festivalganger die een Palestijnse of voor mijn part Oekraïense vlag voor zijn tentje hangt, oprecht en intens zijn. Probleem is dat wij kunnen weten – denk aan het werk van de nog altijd populaire René Girard (1923-2015) – dat onze emoties niet van ons zijn. Onze emoties zijn andermans emoties. De oproep tot gebed die wij in de verte horen is de oproep tot imitatie. En alleen al dat maakt de vraag naar de echtheid van de emotie een heikele kwestie. Of verontwaardiging als reactie op genocide en andere oorlogsmisdaden niet een absurditeit is, is een geheel andere discussie.
Er was een tijd, ook niet zo heel lang geleden, dat het weldenkende deel van de natie meende boven de verontwaardiging te moeten staan, zeker als het om de schone kunsten ging. Verontwaardiging was iets voor mindere goden, de priesters, dominees en hun aanhang, die in een verleden leefden dat na hun dood voorgoed achterhaald zou zijn. Denk aan het ezelproces van Gerard Reve in 1966, waarin de auteur werd aangeklaagd omdat hij zich God had voorgesteld als een ‘éénjarige, muisgrijze ezel’ die hij zou bezitten in zijn geheime opening. De auteur werd vrijgesproken en na een paar decennia verdween hij zelf langzaam in de nooduitgang van de geschiedenis.
De hedendaagse variant van het ezelproces zou dan het minispektakel zijn rond Douwe Bob en Dilan Yesilgoz. Voor hen die onder een steen leefden: zanger Douwe Bob weigerde op een Joods voetbaltoernooi op te treden omdat er zionistische flyers waren gesignaleerd, waarna Yesilgoz hem van antisemitisme beschuldigde. Daarop deed Douwe Bob weer aangifte wegens smaad, laster en belediging. Wedstrijden in verontwaardiging. Mij is dan, puur esthetisch gezien, die éénjarige, muisgrijze ezel liever, al wil ik uiteraard niet de indruk wekken dat ik genocide geen schande vind.
Laat ik volstaan te zeggen dat Yesilgoz en Douwe Bob zo diep in de geheime opening van de geschiedenis zullen verdwijnen dat zelfs ijverige historici moeite zullen hebben hen te vinden.
Omdat iedereen altijd weer van de ander wil weten of hij aan de goede kant van de geschiedenis staat, om misverstanden te voorkomen – mijn eigen positie: ik ben een diasporist, ik ben voor de min of meer vrijwillige verplaatsing van de Israëlische bevolking, inclusief de Israëlische Arabieren, naar dunbevolkte gebieden in Europa waar autonome regio’s gevormd zullen moeten worden. Ik denk aan de Drentse Heuvelrug, delen van Oost-Duitsland, Sicilië en het Centraal Massief in Frankrijk. Naast een oplossing voor Palestina zou dit een ongekende revitalisering van Europa betekenen. Natuurlijk ook met het risico van een conflict, maar het Europese vredesproject na 1945 kwam in praktijk vooral neer op de export van oorlogen naar de periferie. Een vorm van kolonialisme. En je hoeft de geschiedenis maar met een half oog bestudeerd te hebben om te weten dat het verschil tussen revitalisering en conflict niet zo groot is.
Overigens getuigt die obsessie met de goede kant van de geschiedenis van een wat naïeve kijk op de toekomst. Niets wijst erop dat de geschiedenis onvermijdelijk één kant opgaat, de goede, om vervolgens uit te monden in een soort rechtszaal waar de bokken definitief van de schapen zullen worden gescheiden. Karl Marx dacht zo, maar wij kunnen weten dat alle menselijke pogingen het noodlot af te schaffen zijn uitgelopen op groteske mislukkingen die soms zeer, dat moet gezegd, de moeite van het bekijken waard waren. Hooguit is het gelukt kleine stukjes van het noodlot enigszins te temmen, in de volksmond heet dat vooruitgang, en ja, die kan zeer reëel zijn. Mijn favoriete voorbeeld blijft de tandheelkunde.
Dit alles laat onverlet dat het voorkomen van imagoschade, het sussen van het eigen geweten en het heilige engagement naadloos in elkaar overlopen, zoals het (gewapende) conflict en revitalisering in elkaar overlopen. Is dat erg? Voor hen die het niet zo prettig vinden dag en nacht in vrome leugens te leven misschien wel.
Met het oog op de revitalisering: laten we de Tweede Wereldoorlog er nog eens bij halen, want feitelijk is die oorlog een gigantisch meer waar je altijd weer verkwikt uitgeklauterd komt, hoe vaak je er ook ingegooid bent. Je weet niet wat leven is als je nog nooit met Hitler bent vergeleken of anders met wel een anonieme kapo of een voorzitter van de Joodse Raad.
Tijdens die oorlog waren ongeveer 45.000 Nederlanders actief in het verzet, circa 0,5 procent van de toenmalige bevolking, negen miljoen mensen. Laten we zeggen dat die telling niet klopt en dat eigenlijk 1 procent van de Nederlanders bereid was enorme risico’s te lopen om een veelvoud aan andere mensen te helpen. Dan nog is statistisch gezien de kans enorm dat u en ik meneer en mevrouw Windvaan zijn. Nu is het misschien niet prettig elke ochtend in de spiegel naar die Windvaan te moeten kijken, maar wie zelfonderzoek serieus neemt, zou toch eens tegen het eigen spiegelbeeld moeten zeggen, ‘goedemorgen, Windvaan, lekker geslapen?’
Het is niet aan de mildheid te danken die met de jaren zou komen dat ik de menselijke lafheid steeds meer ben gaan waarderen, maar aan de liefde. Wie van de mensen wenst te houden, zou eerst moeten leren met de lafheid te slapen en wie dat een vies idee vindt, mag zich geen mensenliefhebber noemen.
Een van de perverse neveneffecten van de herinneringscultuur zoals die zich geleidelijk aan na 1945 ontwikkelde, is dat de constructie van de identiteit van het slachtofferschap zich als een virus over de hele wereld heeft verspreid. Wie heeft die slachtofferidentiteit niet omarmd? Ook de kiezers van Trump, zo weten wij uit allerlei artikelen, wanen zich slachtoffer van een al dan niet academische, liberale elite. Voor iedereen is uiteindelijk wel een plaatsje onder de zon, lidmaatschap van een of andere groep gemarginaliseerden behoort altijd tot de mogelijkheden.
Niets heeft de westerse mens, en niet alleen hij, met zoveel passie geproduceerd als de identiteit van het slachtoffer, met alle consequenties vandien: productie van vijandbeelden, creatie van imaginaire gemeenschappen, permanente strijd om de vraag wie het waardige en wie het onwaardige slachtoffer is, andere vormen van leedcompetitie (wij zijn de waarlijk vergetenen). Aan die constructie ligt dikwijls reëel slachtofferschap ten grondslag dat een permanente, geïnstitutionaliseerde, culturele basis krijgt. Het reële slachtofferschap versteent als het ware.
Waar slachtofferschap gelijkstaat aan spreekrecht, daar staat het grootste slachtofferschap gelijk aan het recht om op te eisen. En er is altijd iets wat opgeëist moet worden, een stuk land, de cultuur, een wc, kerstmis, de nacht, het eigen volk. Het spel der spelen is niet meer een wedkamp in poëzie, hardlopen of speerwerpen maar de vraag wie het grootste en meest waardige slachtoffer is. Met wie moet de kunstenaar deze nazomer solidair zijn? De vraag wie zich met welke veren mag tooien (culturele toe-eigening), is slechts een neveneffect van dit spel der spelen.
Als dit het resultaat is van de herinneringscultuur, dan is vergeten misschien zo gek nog niet.
De filosoof Ludwig Marcuse (1894-1971) publiceerde in 1962 zijn studie Obsceen, de geschiedenis van een verontwaardiging. Hij beziet de meer recente geschiedenis van de schone kunsten, met name van de literatuur, als de geschiedenis van de vraag wat obsceen is, dat aan de hand van rechtszaken die tegen bepaalde kunstwerken, met name literatuur, bijvoorbeeld Madame Bovary van Gustave Flaubert, zijn aangespannen. Men eist een kunst op die de geest en de maatschappij moeten bevorderen en dat betekent dat er hier en daar iets verboden moet worden.
In die studie schrijft Marcuse deze heerlijke en nog altijd zeer accurate zin: „De maatschappelijk betrokkenen zijn vaak alleen maar betrokken bij hun gebrek aan kennis.”
In de rechtszaken die hij aanhaalt in zijn studie zijn het meestal beschrijvingen van de bijslaap die niet door de beugel zouden kunnen. Tegenwoordig zijn veel van de literaire werken die hij noemt wederom omstreden, omdat bijvoorbeeld de vrouw niet op de juiste manier wordt afgebeeld. Ik haast mij te zeggen: dat zou zeer goed kunnen.
De angst voor uitstoting strijkt ’s avonds laat als ik de slaap niet kan vatten langs mijn been.
Hoe dan ook, de revolutie en het conservatisme hebben een ding gemeen: het komt altijd weer neer op grote schoonmaak.
Marcuse noteert: „De meesten waren van horen zeggen gekwetst.”
Het is waar dat we de waarheid in de meeste gevallen alleen van horen zeggen kunnen kennen. Maar ook als de steen des aanstoots een boek is of een lang artikel, lijken de meeste mensen zich erin te schikken alleen van horen zeggen gekwetst te zijn. Het spaart tijd en moeite. Ook vooruitgang.
En wat zou er zonder aanstoot zijn?
Voor hen die niet dagelijks met de dood worden bedreigd, is de leegte het grootste onrecht.
Source: NRC