Na de bloedige moordpartijen op de druzen in Syrië van deze zomer dreigt het land in kantons uiteen te vallen. Een druzische familie ontkwam aan de dood door hulp van een bedoeïenen-familie. Maar zulke banden zijn verleden tijd.
Door Jenne Jan Holtland
Fotografie Bülent Kiliç
De familie die bijna dood was geweest, ontvangt met koffie en koekjes. De gezinsleden gaan op stoelen zitten in de woonkamer in Damascus. Van links naar rechts: zoon, vader, dochter en moeder, overlevenden van een bloedbad waar Syrië nog nauwelijks van is bekomen. Het gezin is alles kwijtgeraakt: hun boerderij, hun bezittingen, hun dorp. ‘Alles wat we de voorbije 25 jaar hebben opgebouwd’, in de woorden van de moeder van het gezin, Widad Bali (48).
Mahmoud al-Muhaythawi en Widad Bali met hun zoon Hazem en dochter Haneen in hun tijdelijke woning in Damascus. Het druzische gezin is gevlucht uit hun dorp.
Wie wil begrijpen hoe de familie aan de dood kon ontsnappen, moet terug naar het begin. Het gezin is druzisch, een gemeenschap (3 procent van de Syrische bevolking) die de zwaarste zomer sinds mensenheugenis beleeft. Het begon in juli met gevechten tussen druzen en bedoeïenen, twee groepen die al anderhalve eeuw naast elkaar leven. In totaal vielen er volgens mensenrechtenorganisaties bijna tweeduizend doden, onder wie talloze onschuldige burgers.
Experts van de Verenigde Naties spreken van een ‘gerichte campagne’ tegen druzen. Vernederende beelden van mannen bij wie de snor door regeringstroepen werd afgeschoren (de snor is een belangrijk symbool in het druzische geloof), gingen de wereld over. Meer dan 760 mensen werden standrechtelijk geëxecuteerd. Tientallen druzische meisjes en vrouwen werden gekidnapt en zijn vermist. Andersom begingen ook druzische milities misdaden. De regering heeft beloofd een onderzoek in te stellen.
Wat aanvankelijk oogde als een bloedige burenruzie, staat in werkelijkheid symbool voor het Syrië van nu. Het land is een mozaïek van religieus-etnische bouwsteentjes, met behalve een meerderheid van soennitische moslims ook christenen, Koerden, ismaïlieten, druzen en alawieten. Veel van de minderheden staan sceptisch, boos of ronduit afwijzend tegenover het bewind van interim-president Ahmad al-Sharaa, dat zij beschouwen als autoritair en extremistisch. Dat wantrouwen was er al, en is na de moordpartijen op de druzen en – eerder dit jaar – de alawieten alleen maar gegroeid. De belangrijkste druzische geestelijke, sjeik Hikmat al-Hijri, zegt nu openlijk dat hij een ‘aparte regio’ nastreeft.
Andersom probeert Sharaa zijn kapotgeschoten land na jaren van burgeroorlog bij elkaar te houden. ‘Eén, één, één, Syrië is één’, scandeerden betogers ooit bij het begin van de opstand tegen toenmalig dictator Bashar al-Assad, die eind 2024 van zijn troon werd gestoten. Nog altijd is dat bij velen een diep doorleefd idee: het land moet koste wat kost verenigd blijven.
Vernielde beeltenis van Bashar al-Assad op een museum in Dera’a.
Struiken in een tank van de voormalige strijdkrachten van Assad.
Voor Sharaa is het zuiden daarom een lakmoesproef. Hij heeft er de steun van de bedoeïenen (qua geloof soennitisch), maar een garantie voor succes is dat niet. Faalt de regering in het zuiden, dan dreigt een verbrokkeling van Syrië in afzonderlijke kantons. Ook de Koerden in het noordoosten, om een voorbeeld te noemen, azen op een vorm van politiek zelfbestuur. De verdeel-en-heerspolitiek van buurland Israël (dat zich ongevraagd opwerpt als ‘beschermer’ van de druzen) in datzelfde zuiden maakt de situatie nog heikeler.
Voor de familie begon het op een stille dinsdagochtend, vertelt moeder Widad. Zij en de anderen waren thuis in Lubayn, een druzisch dorp op 30 kilometer van de provinciale hoofdstad Suwayda, en dronken yerba maté, bij druzen een geliefde drank. Ze hadden gehoord dat president Sharaa een dag eerder, op 14 juli, zijn politietroepen naar het zuiden had gestuurd. Formeel om de ‘orde’ te herstellen, maar daar kwam weinig van terecht. In plaats daarvan sloten ze zich aan bij de bedoeïenen om samen de druzische facties een lesje te leren.
Op de ochtend van 15 juli werd de familie opgeschrikt door harde geweerschoten. ‘Ik zag gewapende mannen op motoren’, zegt Widad, een vrouw met zorgvuldig geëpileerde wenkbrauwen. Even later bliezen vier strijders het hek voor het huis op met een granaat. ‘Allahu akbar’, riepen ze, God is de grootste, waarna ze het vuur openden op de deur en de ramen. Bij de vader van het gezin, Mahmoud al-Muhaythawi (48), floot een kogel over het hoofd. Terugblikkend zegt hij: ‘Onze dood voelde onvermijdelijk.’ Iedere druus leek vogelvrij. Elders in het dorp werden die dag negen neven en nichten gedood.
Maar zijn eigen familie ontsprong de dans. De strijders kregen de deur niet open, en verlegden hun aandacht naar Mahmouds boerderij. Ze stalen de vijf koeien van de familie, evenals de melk- en koelingsapparatuur. Alles werd op pick-ups geladen, waarna ze met de buit vertrokken.
Het loont de moeite om Lubayn op een kaart op te zoeken. Feitelijk gaat het om een grensplaats. Alles ten westen van het dorp: overwegend islamitisch. Er wonen bedoeïenen, een enigszins misleidend woord. Het gaat om conservatieve moslims wier ouders of grootouders ooit als nomaden in tenten leefden. Veel tenten hebben inmiddels plaatsgemaakt voor huizen. Alles ten oosten van Lubayn: overwegend druzisch. Tussen de twee groepen waren vaker spanningen, ook ten tijde van de Assad-dictatuur (1970-2024), maar er werd óók gehandeld. ‘We kochten hun melk’, zegt Mahmoud. ‘Omgekeerd stuurden zij hun zonen om als herders op onze schapen te passen, of te helpen bij de oogst.’
© de Volkskrant. Bron: Institute of Druze Studies
In het dorp werkte Mahmoud jarenlang als dierenarts. Hij verzorgde gewonde schapen, zowel van druzen als bedoeïenen. Het bezorgde hem een sleutelpositie. Jaren geleden leerde hij een man kennen, Ahmad (niet zijn echte naam), afkomstig uit een bedoeïenendorp verderop. De twee raakten bevriend, en hielpen elkaar soms uit de brand. Ter illustratie: onder dictator Assad werd Ahmad wegens dienstweigering gezocht. Als zijn zoon ziek was, was het Mahmoud die hem ophaalde en hem naar het ziekenhuis reed.
Schuilend in het huis ging Mahmoud de opties na. Een auto had hij niet, die had hij een week eerder verkocht. Dus belde hij Ahmad. ‘Ik kom eraan, maar tot die tijd moet je je verstoppen’, zei hij.
Maar nog voordat Ahmad kon arriveren, verscheen er een nieuwe groep strijders. Het waren mannen uit de streek. Ze braken de voordeur open, stormden naar binnen en troffen een doodsbang gezin aan. Vlug zei Mahmoud dat er ‘een vriend’ onderweg was om hen op te halen. Maar één van de mannen had hem al herkend. ‘Jij bent toch de dierenarts?’
We waren ongewapend. We hadden niet eens een keukenmes bij ons
Mishleen al-Jaber
druzische vluchteling
De mannen besloten zich over het gezin te ontfermen. Vader, moeder, zoon en dochter kropen achterin een pick-up, met de belofte dat ze naar het huis van Ahmad zouden worden gebracht. Hazem, met zijn 13 jaar het jongste gezinslid, was er niet gerust op. ‘Het voelde alsof ik tussen leven en dood zweefde’, zegt hij nu. ‘Ik gaf me over aan God.’
Eenmaal in het huis van Ahmad moest het gezin zich twee nachten stilhouden. Het gevaar was niet geweken. Soms kwamen er argwanende dorpelingen – bedoeïenen – vragen of het klopte dat Ahmad druzen in zijn huis herbergde. Nee, zei Ahmad voor de zekerheid, ‘die zijn al naar Damascus.’ Via twee andere adressen kon het gezin uiteindelijk ontkomen. In de hoofdstad logeren ze nu in het huis van druzische kennissen.
Tegenover de Volkskrant wil Ahmad, wiens naam om veiligheidsredenen gefingeerd is, ondanks herhaaldelijke verzoeken niks kwijt over zijn hulp. In een sms laat hij weten dat hij slechts zijn ‘plicht’ heeft gedaan voor zijn ‘vrienden’. Het relaas van de familie is op cruciale punten met andere betrokkenen geverifieerd.
Hoewel er inmiddels een staakt-het-vuren van kracht is in de hele provincie Suwayda, lijkt de volgende ronde van geweld een kwestie van tijd. Nog altijd zijn het druzische milities die het zuiden beheersen. De onderliggende factoren – hun eis van autonomie, het harde ‘nee’ van Damascus – zijn onveranderd, met als gevolg dat de situatie explosief blijft.
Regeringstroepen bij een wegversperring, zo’n 60 kilometer boven Suwayda.
Om de druzische leiding tot overgave te dwingen, heeft Sharaa’s regering de zuidelijke provincie grotendeels afgegrendeld. Ook journalisten zijn in het gebied niet welkom. Bij de laatste wegversperring wordt de Volkskrant door regeringstroepen tegengehouden. Ook water, benzine, broodmeel en medicatie voor speciale aandoeningen (diabetes, kanker) bereiken Suwayda maar heel mondjesmaat. De VN waarschuwen voor een humanitaire crisis. ‘Mijn vrouw en ik overleefden aanvankelijk op één maaltijd per dag’, zegt werktuigbouwkundige Socrates Naufal (41) telefonisch vanuit de stad. ‘Dat zijn er nu gelukkig twee. Proteïnen zitten daar niet in, want er zijn bijna geen eieren en vlees. Ik voel dat ik verzwak.’
Een bijkomend probleem is dat de schaarse hulpkonvooien van de Syrische Rode Halve Maan geregeld worden beschoten door wraakzuchtige bedoeïenen. In de nabijgelegen stad Dera’a probeerden jongeren – tevergeefs – de stroomtoevoer naar de druzen door te knippen. Volgens mediaberichten wil de Israëlische regering nu een ‘humanitaire corridor’ naar Suwayda openen, met steun van het Amerikaanse Witte Huis, maar het is onduidelijk of Damascus daar groen licht voor gaat geven. Tussen Syrië en Israël lopen sinds weken diplomatieke gesprekken.
Wie in de naburige provincie gaat kijken, treft een landschap vol kogelgaten uit de vorige oorlog. In het stadje Bosra, op drie kwartier rijden van Suwayda, slapen bijna tachtig mensen tijdelijk in een verwaarloosde basisschool. Het gaat hoofdzakelijk om ontheemden uit andere delen van het land. Ooit vluchtten ze voor de troepen van dictator Assad, nu zijn ze voor de tweede keer op drift geraakt.
Ontheemden in een leegstaande school in Bosra.
Anderen, zoals schapenherder Suleiman Thlayjan (59) en zijn zes kinderen, hebben hun matrasjes neergelegd in een leegstaande bouwval. Ze zijn afkomstig uit een bedoeïenenwijk van Suwayda, en zeggen door druzische milities te zijn aangevallen. Na een urenlang vuurgevecht ontvluchtte het gezin de stad. De herder vindt het allemaal de schuld van de druzen. ‘Ze willen gewoon geen soenniet als president.’
Er gaan glaasjes mierzoete thee rond. Op de muur heeft iemand met een stift de soennitische geloofsbelijdenis (‘Er is geen God behalve God’) gekalkt. Suleimans 23-jarige zoon Mohammed is erbij komen zitten. Zijn gezicht staat grimmig. ‘Als de druzen niet snel capituleren’, zegt hij, ‘zullen we ze allemaal uit de weg ruimen.’
Bedoeïen Suleiman Thlayjan is met zijn gezin naar Bosra gevlucht voor druzische milities. Rechts zijn zoon Mohammed.
Wraakzucht, rouw en woede wedijveren aan beide kanten om voorrang. Door dit alles dringt zich ook de vraag op of de Syrische puzzel nog te lijmen valt, of dat het daarvoor te laat is. Kunnen druzen en bedoeïenen nog in vrede naast elkaar leven?
Stel je die vraag in de druzische wijk van zuidelijk Damascus, dan krijg je uiteenlopende antwoorden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van de 36-jarige Mishleen al-Jaber. Tijdens haar vlucht uit Suwayda werd de vluchtauto zonder aanwijsbare reden met artillerie beschoten, net als de auto achter haar. Iedereen kwam om: haar man, haar schoonzus en haar beide schoonouders.
Mishleen al-Jaber verloor veel familieleden tijdens de vlucht uit Suwayda, hun auto werd beschoten.
Alleen al-Jaber en een neefje overleefden. Afgezien van een gebroken pols is ze ongedeerd. ‘We waren ongewapend’, zegt ze, de schok nog op het gezicht. ‘We hadden niet eens een keukenmes bij ons.’ Ondanks de gruwelen wil ze, zodra dat weer kan, terug naar Suwayda. Ze wil terug naar haar puberdochter die ze bij haar ouders heeft ondergebracht. ‘Het zal moeilijk zijn om daar te leven, maar ik heb geen andere keus.’
Voor veel andere families is terugkeer echter ondenkbaar. Zo’n 33 zuidelijke dorpen zijn tijdens de gevechten leeggeroofd en platgebrand, waaronder ook Lubayn, het dorp van Mahmoud en zijn familie. Een van de andere dorpelingen, een 39-jarige vrouw die uit angst voor represailles niet met haar naam in de krant wil, verloor bij het geweld haar schoonmoeder, -zus en zwager. Haar ogen zijn door het huilen roodomrand. ‘Je thuisland is als een moeder’, omschrijft ze haar gevoel. ‘Die moeder ben ik nu kwijt. Ik voel me hier een vreemde.’ Ze hoopt op asiel in Europa.
Jaramana, een druzische wijk in Damascus waar veel mensen naartoe zijn gevlucht.
In de woonkamer van Mahmoud en diens gezin zijn de koffiekopjes leeg. Hoewel ze werden gered door een dappere buurman uit een bedoeïenendorp, is er van verbroedering geen sprake. Daarvoor is het gevoel van verraad te groot. Naar het dorp willen ze nooit meer terug. Op de vraag of hij nog zij-aan-zij kan leven met de bedoeïenen, antwoordt Mahmoud heel beslist. ‘Absoluut niet.’
Naast hem valt het stil. ‘Misschien ooit, in de verre toekomst’, zegt Widad dan, waarop er links en rechts geknikt wordt. Een volgende generatie wellicht. Zover is het nog lang niet.
De spanning is te snijden tussen de nieuwe Syrische regering en de Druzen, een ethnisch-religieuze minderheid. Veel Druzen wantrouwen president Ahmad al-Sharaa en bereiden zich voor op een harde strijd. ‘De Ottomanen hebben we ook verslagen.’
Druzische milities botsen met regeringstroepen in de stad Suwayda in Zuid-Syrië, waar sinds zondag 166 doden zijn gevallen door geweld tussen druzen en bedoeïenen. Niet alleen de Syrische regering, maar ook het Israëlische leger heeft zich in het conflict gemengd.
In Suwayda in Zuid-Syrië zijn sinds dit weekend zeker 89 doden gevallen bij gevechten tussen druzen en bedoeïenen. Het is de eerste keer sinds de val van Assad dat in de druzische hoofdstad gevechten tussen milities zijn uitgebroken. Syriëkenner Fabrice Balanche is niet verrast door het geweld.
Source: Volkskrant