is columnist voor de Volkskrant en doet eens per week op geheel eigen wijze verslag van een debat in politiek Den Haag.
Een type boek dat ik hier niet eerder heb behandeld, is de roman met experimentele inslag. Een boek waar op sommige bladzijden ineens heel veel witruimte is, bijvoorbeeld, of waar de auteur alles in e-mails vertelt, of, zoals in het boek dat ik deze week las, begint met een stuk tekst in een heleboel opgeknipte zinnetjes.
Lezers van deel een van deze serie
zullen zich herinneren
dat het verhaal eindigde
met een telefoontje
uit Kopenhagen
Zo begint Het duivelsboek van de Deense schrijfster Asta Olivia Nordenhof (de vertaling is van Michal van Zelm). Ik dacht meteen drie dingen: 1. O, er is dus een deel 1? 2. Waarom schrijft ze die zin niet gewoon aan elkaar?, en 3. Wordt dit een boek met een heleboel opgebroken zinnen, oftewel, met een experimentele inslag?
Noem me ouderwets, of een zeikerd, of een ouderwetse zeikerd, maar ik vind romans met een experimentele inslag vaak irritant. Een van de weinige uitzonderingen is Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit van Dave Eggers, dat in 2000 uitkwam en me toen door de ziekte van Pfeiffer heen heeft gesleept (ik viel door die ziekte steeds in slaap, dus kon lang met het boek doen). Dat boek is ook experimenteel, of zoals je dat moet zeggen, postmodern, met allerlei meta-uitwijdingen over de titel, gekke blurbs, doorbrekingen van de vierde wand et cetera.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Ook Nordenhof houdt van door de vierde wand breken, dat doet ze dus meteen in het begin, waar ze, in opgebroken zinnetjes, begint te vertellen wat deel 1 van haar oeuvre inhield, hoe ze pogingen deed om deel 2 te schrijven maar alles weggooide, en uiteindelijk op dit verhaal uitkwam.
Het verhaal is een raamvertelling. De hoofdpersoon wordt door een haar onbekende man gevraagd om mee te gaan naar Londen om bij hem in zijn appartement te logeren, wat ze doet, waar ze vervolgens een roman schrijft over de keer dat ze, tijdens haar loopbaan als sekswerker, geblinddoekt met een andere man meereisde naar een voor haar onbekende locatie om vast te zitten in een hotelkamer en overladen te worden met cadeaus.
Allemaal best prikkelende situaties, maar op de een of andere manier kreeg Nordenhof, die in haar eigen land geldt als een grote literaire belofte, me niet mee met haar in zichzelf gekeerde, licht onaangename hoofdpersonage.
Dat kan gebeuren, maar als je al geen contact krijgt met de hoofdfiguur, maakt het je extra geërgerd als aan het begin en eind van het boek alle zinnetjes pagina’s lang opgebroken zijn.
Als een verhaal goed is verteld, zoals toen bij Eggers, trek ik het prima dat er wat postmoderniteit aan te pas komt. Want dat is precies het enige wat een roman moet zijn: een goed verteld verhaal.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns