El-Halija was een kleine nederzetting voor mijnwerkers in Frans-Algerije, bij de kustplaats Philippeville (nu Skikda). Eind augustus 1955 vielen militanten van het Front de libération nationale (FLN) het stadje binnen, met hulp van Algerijnse mijnwerkers die hun de woningen van hun Europese buren wezen. Een orgie van geweld volgde. Bij aanvallen op andere stadjes diezelfde dag, nu zeventig jaar geleden, werden nog eens tientallen pied-noirs, Franse Algerijnen, gruwelijk om het leven gebracht.
De ‘massamoord van Philippeville’, een keerpunt in de Algerijnse oorlog (1954-1962), wekte wereldwijd afschuw en leidde tot een Franse represaille die volgens het FLN zeker tienduizend Algerijnen het leven kostte. Pas zeven jaar later, na nog eens honderdduizenden doden, was de dekolonisatie een feit en werd Algerije onafhankelijk.
Allerlei onbehaaglijke parallellen dringen zich op, bij de herdenking van de moordpartij zeventig jaar geleden. De uitzinnigheid van het bloedbad, de sinistere euforie van het afslachten van onderdrukkers die ook buren waren, doet onweerstaanbaar denken aan de Hamas-terreur van 7 oktober 2023. Net als de ontketende Franse wraakzucht erna lijkt op die van Israël, dat streeft naar het uitroeien van de ‘barbaarse’ vijand. Er leek geen weg terug uit de spiraal van geweld. Tot De Gaulle over zijn schaduw sprong en een streep zette onder het koloniale Franse bewind.
Was die anti-Franse geweldsuitbarsting te rechtvaardigen? In de literatuur over genocide, de term die nu terecht ingang heeft gevonden over de Israëlische vernietiging van Gaza, bestaat ook een term voor genocidaal geweld van gekoloniseerden, subaltern genocide (het eerste woord slaat op de ‘ondergeschikten'). Als voorbeelden worden wel aangehaald het bloedbad dat Haïtiaanse tot slaaf gemaakten in 1804 aanrichtten onder hun meesters, of inheemse Amerikanen onder mannen, vrouwen en kinderen in Fort Mims, Alabama (1813).
De bloeddorst is een overeenkomst met 7 oktober, net als de samenwerking van gewapende militanten en meelopers; een verschil is het nemen van gijzelaars – wat wijst op een politieke intentie, naast het doden. De ongebreidelde Israëlische wraakzucht sindsdien – met finale afrekening als doel – past in het patroon.
Niet iedereen vindt de term subaltern genocide zinvol of gepast. In een urgent nummer van het tijdschrift Wijsgerig Perspectief over genocide staan de bezwaren verwoord: de term miskent de machtsongelijkheid van onderdrukkers (Israël) en verdrukten (Gaza) en het structurele karakter van die onderdrukking – wat de uitzonderlijke wreedheid kan helpen verklaren van uitbarstingen ertegen.
Een soortgelijk argument hoor je ook wel als het gaat om ‘anti-wit-racisme’: dat heet een onzinnige term te zijn omdat racisme, de legitimatie van een onderdrukkende structuur, per definitie is voorbehouden aan een dominante partij, of die nu kwantitatief in de meerderheid is (zoals in de Verenigde Staten) of in de minderheid (Zuid-Afrika).
Voor racisme lijkt me dat overtuigend. Maar macht en geweld zijn toch een andere kwestie. Ook dominante groepen kunnen zich, door hun kwade geweten, inbeelden dat ze zwak zijn en bedreigd worden – zoals de nazi’s het waanidee koesterden van een Joods wereldcomplot, of slavenhouders in het Amerikaanse Zuiden hun sadisme rechtvaardigden met de constante vrees voor opstand.
Het omgekeerde geldt ook: zwakke partijen kunnen zich ideologisch of moreel superieur wanen en zo hun eigen genocidale geweld rechtvaardigen, ook onderling. Haat en geweld zijn „geen programma” (Fanon) maar ze hebben wel hun eigen dynamiek. Algerije betaalde er een hoge prijs voor, ook nog decennia na de onafhankelijkheid.
En Gaza? In Israël rijst nu protest, maar het land heeft geen De Gaulle, integendeel. Blijft dat zo, dan rest de klacht van Jesaja: „Wij zien uit naar licht, maar zie, er is duisternis. [..] Wij verkeren, als de doden, in woeste plaatsen.”
Source: NRC