Kong Dexiang is 100 jaar. Hoe kijkt deze Chinese veteraan, die in 1949 met het leger van Chiang Kai-shek naar Taiwan vluchtte, terug op de bewogen eeuw die achter hem ligt?
is China-correspondent van de Volkskrant.
Voor Kong Dexiang is alles geopolitiek. De 100-jarige begroet zijn interviewer met een indrukwekkende hoeveelheid parate kennis over haar thuisland: ‘Haa, Nederland! U kent onze gedeelde geschiedenis? Zo’n driehonderd jaar geleden had u hier op Taiwan het Fort Provintia. Maar uiteindelijk heeft (de VOC-gouverneur, red.) Frederick Coyett zich overgegeven.’
‘Een klein, maar fijn land, u mag er trots op zijn’, vervolgt Kong, terwijl hij een stoel zoekt in de gemeenschappelijke ruimte van de seniorenflat voor veteranen, waar hij nog altijd zelfstandig woont. ‘Iets groter dan Taiwan, ruim 40 duizend vierkante kilometer tegenover onze 36 duizend vierkante kilometer.’
Dan roemt Kong nog in één adem enthousiast de Nederlandse onderzeeërs – ‘die kochten wij, toen wij ze zelf nog niet konden bouwen’ – en de fotolithografiemachines van ASML: ‘Nog altijd kan geen enkel ander land die produceren!’
Ook als Kong over zijn eigen leven praat, spreekt hij liever over geopolitiek dan over zijn ervaringen en gevoelens. Het zij hem vergeven, want zijn leven en de politieke geschiedenis van China en Taiwan in de afgelopen eeuw zijn uitzonderlijk nauw verweven.
In welke omstandigheden bent u opgegroeid?
‘Zeer eenvoudige. Wat zal ik zeggen, mijn vader werkte op het land. Het was een tijd waarin we in China volledig afhankelijk waren van de grillen van de natuur. Als het regende, was er voedsel. Als er geen regen was, dan brachten de droge velden niets te eten op. Tijdens zo’n hongersnood zijn we met mijn familie naar het noordoosten getrokken, naar wat nu de Chinese provincie Jilin heet.
‘Indertijd heette het daar Mantsjoerije. Zogenaamd een onafhankelijk land, geregeerd door de laatste Chinese keizer Puyi, maar eigenlijk was het een Japanse marionettenstaat. Hij dacht dat hij met de hulp van Japan de Qing-dynastie van zijn voorouders kon herstellen. Als je er nu op terugkijkt, kun je het niet anders dan naïef noemen.’
Voelde u zich Chinees?
‘Dat is een interessante kwestie. De meeste mensen voelden zich gewoon Mantjoerijenaren. Ook mijn oudere familieleden hadden er geen benul van dat ze hun land verloren hadden, dus nee, als kind voelde ik mij niet Chinees.
‘U moet weten, onderwijs is heel belangrijk. Dat was allemaal in het Japans. Als ik er nu op terugkijk, dan noem ik het ‘dom-volk-onderwijs’: de Japanners wilden ons gewoon onwetend houden. Ze lieten je de Chinese geschiedenis niet leren; ze onderwezen slechts de Japanse.
‘Gelukkig had ik wel een goede basiskennis van het Chinees, dankzij mijn grootvader. Hij was een geleerde geweest ten tijde van het laatste keizerrijk. Hij gaf me privéles, ik denk dat ik zo rond mijn 4de begon met leren lezen. Alle Chinese klassiekers, tot aan de Analecten van Confucius en de werken van Mencius aan toe.’
Kreeg u daardoor toch ook de traditioneel Chinese, confucianistische waarden mee?
‘Nee, zover wil ik niet gaan. Daar was ik te jong voor (lacht). Ik leerde er goed Chinees door, maar echt begrijpen wat ik las, deed ik niet.’
Kong vertelt dat hij zich pas voor het eerst Chinees voelde aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen Mantsjoerije werd bevrijd door de troepen van de Chinese Nationalistische Partij (KMT). De intocht van deze soldaten maakten grote indruk op de 21-jarige Kong.
‘De nationalistische troepen waren door de Amerikanen van wapens, eten en kleding voorzien, en ze zagen er allemaal uitstekend uit. Allemaal eersteklas, nationale standaard. En ook hoe ze zich gedroegen, het was van hoge kwaliteit.
‘Toen wist ik pas wat China was. Ik begreep de grootsheid van China, van het grondgebied, de bevolking, de geschiedenis.’
U sloot zich vervolgens als medicus aan bij het KMT-leger van Chiang Kai-shek, dat in de Chinese burgeroorlog vocht tegen het leger van Mao Zedong. Als het nou de communisten waren geweest die u hadden bevrijd van de Japanners, had u zich dan bij hen aangesloten?
‘Eerlijk gezegd, ik had de communisten helemaal niet op de radar. De Communistische Partij was gewoon een ongeorganiseerde menigte, zo zag ik dat. Een bende bandieten, die geen grote dingen konden bereiken.
‘Destijds, als we over de twee partijen spraken, dan was de Communistische Partij van Mao Zedong de zwakkere partij, en de sterkere partij was de Nationalistische Partij. De Republiek China was ook onder leiding van de nationalisten verenigd. De Volksrepubliek China is pas later opgericht, nadat de Communistische Partij de Nationalistische Partij had verslagen.
‘Dus we koesterden destijds geen grote hoop voor de Communistische Partij. Maar in werkelijkheid, omdat zij de zwakkere partij was, stond zij zeer dicht bij het volk. Naast vechten, richtten zij zich erop om de mensen op alle mogelijke manieren te helpen. In dit opzicht schoot de Nationalistische regering tekort, nietwaar?’
Moet u nog vaak aan het geweld en de ellende uit de burgeroorlog denken?
‘Natuurlijk denk ik er nog aan. Ik denk vooral terug aan de momenten waarop ik het maar net overleefd heb. Een zo’n moment was in Shanghai, vlak voor de troepen zich terugtrokken naar Taiwan. Ik werkte in een veldhospitaal. Afgezien van noodoperaties, zoals het fixeren en verbinden van een gebroken been, waren er geen andere behandelingen mogelijk.
‘Toen bleek dat schepen in de haven zich opmaakten voor de evacuatie. Iedereen ging weg, niemand vertelde me precies wat er aan de hand was. Ik haastte me om er met een bus heen te gaan, en ik nam ook gewonden mee. Maar eenmaal aangekomen, bleek dat er niemand meer was om voor ze te zorgen.
‘Toen kwam er een oudere militair naar me toe. Die zei tegen me: ‘Je houdt je mond, en je volgt mij.’ Hij leidde me naar de boot. Ik was nog zo jong, ik begreep niks van de oorlogssituatie. De gewonden bleven in de bus wachten, maar ze waren verloren.
‘We mochten ze niks vertellen, omdat ze nog wapens droegen. Sommigen hadden handgranaten bij zich. Als ze wisten dat we hen achterlieten, dan zouden ze die gebruiken, en dan zouden wij allemaal verloren zijn gegaan. Het was een gruwelijke situatie.
‘Als je me vraagt, geloof je in God, ik weet het niet. Maar ik ben een begunstigde, dat ik het overleefd heb. Anders zou ik niet met u kunnen praten, nietwaar?’
Uw komst naar Taiwan is een grote breuk in uw leven geweest. Koesterde u nog lang de hoop dat u kon terugkeren?
‘In het begin zei de oude president Chiang nog steeds dat we ons moesten voorbereiden op de tegenaanval op het vasteland, en de politieke macht op het vasteland moesten herstellen. We accepteerden deze gedachte en hadden ook de spirit om daar terug te keren.
‘Maar toen brak de Koreaanse Oorlog uit. In die tijd wilde Chiang Kai-shek nog steeds terug naar het vasteland. Wij, zijn ondergeschikten, moesten zijn bevelen opvolgen, maar ik zag toen heel duidelijk: Amerika zou ons geen militaire steun meer kunnen bieden om terug te keren, en zonder hen was er geen enkele kans van slagen.
‘Toen besloot ik ook te hertrouwen.’
Wacht even, u was al getrouwd?
‘Ja, ik was op mijn 20ste getrouwd, voor ik in dienst trad.
‘Maar het vasteland van China en Taiwan waren in die tijd compleet gescheiden, nietwaar? Toentertijd gold op Taiwan het beleid van ‘Drie Keer Nee’: geen contact, geen onderhandelingen, geen compromissen. Niet alleen persoonlijke bezoeken, maar zelfs een briefwisseling was niet toegestaan. Je durfde absoluut geen contact op te nemen met het vasteland, dat kon je de kop kosten.
‘Het was zeker geen beslissing op stel en sprong om opnieuw te trouwen. Maar als ik niet getrouwd was, dan zou er geen nageslacht meer komen, dan zou de lijn uitsterven. Jullie Nederlanders hebben waarschijnlijk ook dit idee. Nu heb ik meer dan twintig nakomelingen in Taiwan.’
Wie was uw grote liefde?
‘Ach, later heb ik achterhaald dat mijn eerste vrouw ook hertrouwd was. Ze was ook al overleden toen we weer contact mochten leggen met het vasteland. Ik heb haar nooit meer gezien. Ook mijn Taiwanese vrouw is inmiddels overleden.
‘Daarnaast, mijn kinderen zijn volwassen en hebben mijn liefde niet meer nodig. Ze zijn allemaal onafhankelijk geworden. Ook mijn kleinkinderen zijn allemaal ouder dan veertig. Mijn werkelijke liefde, die is voor het Taiwanese volk.’
Hoe ziet u de toekomst van Taiwan?
‘Om eerlijk te zijn, Taiwan kan het vasteland niet verlaten. En het vasteland zal Taiwan ook niet loslaten. Xi Jinping vindt dat Taiwan en het vasteland van dezelfde cultuur en afkomst zijn, één familie. Dat is waar.
‘Maar Xi Jinping heeft gezegd dat hij het gebruik van geweld niet wil uitsluiten (om hereniging van Taiwan met China te bewerkstelligen, red.). Dat moet hij niet zeggen. Je jaagt de Taiwanese mensen toch angst aan? Ten tweede zei hij: ‘De kwestie van Taiwans onafhankelijkheid kan niet generatie op generatie worden uitgesteld.’ Nou, dat betekent dat hij het nog in zijn eigen leven wil oplossen, dat hij militaire middelen wil inzetten en dat er doden zullen vallen. Ook dat zou hij niet moeten zeggen.
‘Als China Taiwan echt als familie beschouwt, dan moet ze het juist liefde geven. Onvoorwaardelijk.
‘Deng Xiaoping zei: ‘De toekomstige richting van Taiwan moeten wij in deze generatie niet bepalen. Laat de toekomstige generaties beslissen hoe ze ermee omgaan.’ Die woorden zijn heel belangrijk.’
Geboren: 12 december 1924 in Ningyang (China).
Woont: in een seniorenflat, in Taoyuan, Taiwan
Beroep: diende dertig jaar in het leger van de Kuomintang. Daarna werkte Kong dertig jaar als huisarts
Familie: 5 kinderen, 11 kleinkinderen, 5 achterkleinkinderen
Weduwnaar sinds 2018
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant