is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
De Vuelta is een reserve-Ronde, een frustratie-Ronde, een Ronde waarin wielrenners die net niet goed genoeg zijn om de Tour te winnen hun gram kunnen halen en zich even een groot kampioen kunnen wanen. Dit jaar leek het aanvankelijk anders te zullen gaan toen Vingegaard én Pogacar op de startlijst stonden – tot Vingegaards eeuwige rivaal besloot dat hij toch te moe was voor nóg eens drie weken racen: Vuelta beslist.
De erelijst van de derde van de grote Rondes is lang en fraai, maar ook veelzeggend. De laatste vier winnaars – Roglic, Kuss, Evenepoel en Simon Yates – waren niet goed genoeg voor winst in de Ronde van Frankrijk.
De afgelopen 35 jaar bewezen de winnaars Froome, Contador, Nibali en Ullrich dat elke wetmatigheid zijn uitzonderingen kent, maar een lange lijst half-kampioenen zoals Valverde, Quintana, Zülle en Rominger lieten haar juistheid zien: de Vuelta doet er voor de allergrootsten niet écht toe. Je kunt heel goed een schitterend palmares zonder de Vuelta bij elkaar fietsen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
En dat terwijl de koers zo mooi is. Het peloton rijdt er door desolate streken en zinderende dorpjes waar je soms een door God en iedereen verlaten 100-jarige ziet die haar armoedige stulpje voor de laatste keer is uitgestrompeld om nog éénmaal het leven te zien passeren – maar verder niemand.
Op de obsceen steile Angliru (vrijdag 5 september, mis het niet) krijgt het wielrennen iets wreeds, vooral wanneer je in schemering en mist het spook van de herfst al ziet naderen en God om genade smeken het enige is wat rest. Zulke huiveringwekkende scènes hebben Giro en Tour niet te bieden, alleen al omdat ze plaatsvinden in menselijker jaargetijden.
Dit jaar lijkt de Ronde van Spanje om de een of andere reden extra te lijden onder een algehele vermoeidheid – ik heb er zelf ook last van.
Op Eurosport – de enige zender waarop de Vuelta is te zien, ook al een teken aan de wand – doen Karsten Kroon en Jeroen Vanbelleghem dagelijks verslag. Aan het eind van de dag vertaalt Vanbelleghem synchroon wat de geïnterviewde renners te zeggen hebben over de etappe. In die gesprekken komt alles samen: de interviewers zijn na maandenlang uitgevraagd (‘Tell us what happened’), de wielrenners zijn uitgeantwoord (‘I had good legs’), Jeroen is uitvertaald (‘Hij zegt dat hij goede benen had’) en ik ben uitgeïnteresseerd.
Het is net een cliché te veel, het is de voorspelbaarheid voorbij en het krijgt iets onverdraaglijks. Niemand kan er iets aan doen, maar de gesprekjes zorgen ervoor dat je een onberedeneerde haat jegens wielrenners ontwikkelt.
Vroeger werden coureurs na afloop ook ondervraagd, maar was het onmogelijk te verstaan wat ze antwoordden omdat niemand chocola kon maken van hun gebrabbel, behalve oma thuis voor de radio. Dus viel het niemand op dat ze elke dag hetzelfde beweerden. (Meestal was het ‘de groeten uit Frankrijk aan ons moeder’).
Tegenwoordig spreekt elke coureur wieler-Engels, een taal die ongeveer tweehonderd woorden telt waarmee de etappe van de dag perfect kan worden samengevat en die van morgen kan worden voorbeschouwd. Dag na dag debiteert elke wielrenner dezelfde formules. Daar kun je gek van worden.
Het stond dit jaar al voor de start vast wie de Vuelta gaat winnen. Dat was in de Tour ook al zo en over dat gebrek aan competitie maken ze zich in het wielrennen terecht zorgen – je offert toch drie weken van je leven op om naar iets te kijken waarvan de uitkomst al vaststaat. Dat kun je een paar jaar volhouden, maar er komt een keer een eind aan, en dan zit je opeens naar korfbal te kijken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns