Landelijke politiek Het kabinet-Schoof beloofde beweging en daadkracht, maar kwam niet voorbij stilstand. Grote dossiers als stikstof, woningbouw en belastinghervorming blijven onopgelost. Is de politiek nog wel in staat de grote vraagstukken van deze tijd op te lossen?
Het aantreden van het kabinet-Schoof, ruim een jaar geleden op het bordes van Paleis Huis ten Bosch.
De politiek moet na jarenlange stilstand weer „keuzes durven maken”. „Richting geven.” „Van stilstand naar beweging.”
Op zijn tweede werkdag als minister-president leest Dick Schoof in de grote zaal van de Tweede Kamer zijn ‘regeringsverklaring’ voor. In het daaropvolgende Kamerdebat klinken de leiders van regeringspartijen PVV, VVD, NSC en BBB net zo voortvarend. „Het is mij een lief ding waard”, zegt VVD-leider Dilan Yesilgöz, „als we in Den Haag minder met onszelf bezig zijn en meer met het oplossen van problemen in dit land”.
Nu, ruim een jaar later, is het tegendeel gebleken. Het kabinet-Schoof was een kabinet van stilstand. Het struikelde van crisis naar crisis en slaagde erin om twee keer te vallen. Voor de grote problemen in Nederland heeft het kabinet nog niet het begin van een oplossing gevonden.
Het stikstofprobleem is onverminderd groot, de woningbouw niet versneld, Nederland dreigt zijn klimaatdoelen niet te halen. De jarenlange politieke wens om belastingen en toeslagen te versimpelen, is nog precies dat: een wens.
Maar het probleem lijkt groter dan deze kabinetsperiode. Voorgaande kabinetten zagen de problemen rond stikstof, wonen, en de complexiteit van belastingen en toeslagen eveneens – en lieten die voortbestaan.
Oud-topambtenaar Bernard ter Haar, die hoge functies vervulde op de ministeries van Financiën en Sociale Zaken, trok in 2021 al een sombere conclusie. „De Nederlandse overheid heeft deze eeuw nog niets substantieels tot stand gebracht”, schreef hij op zijn persoonlijke weblog. Het openbaar bestuur „schiet al twintig jaar tekort”.
Zijn pessimisme wordt breder gevoeld. Ook veel ondernemers snakken naar duidelijke politieke keuzes. Nog geen uur nadat Geert Wilders het kabinet-Schoof ten val bracht, reageerde bedrijvenvereniging VNO-NCW dat het „dringend” nodig is dat Nederland „weer eens langere tijd wordt bestuurd door een daadkrachtig en stabiel kabinet”.
Wat is er aan de hand? Is de politiek niet meer in staat om grote vraagstukken van deze tijd op te lossen? En is de politiek dat ooit wél geweest? En hoe valt de bestuurbaarheid van Nederland te verbeteren?
Deze vragen zijn extra actueel nu er weer verkiezingsprogramma’s vol daadkrachtige taal verschijnen. Partijen willen „scherpe” (VVD) en „moedige” (CDA) keuzes maken om Nederland „zo snel mogelijk weer vooruit te krijgen” (GroenLinks-PvdA).
Veel ambitieuze plannen van partijen stranden in de kabinetsformatie of daarna, als kabinetten hun ideeën gaan uitwerken, zegt Paul ’t Hart, hoogleraar bestuurskunde (Universiteit Utrecht) en vicevoorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. „Dan wordt het concreet en worden ook belangengroepen actief.”
Grote en politiek omstreden hervormingen kennen vaak winnaars en verliezers. De bestaande ordening wordt immers doorbroken, gevestigde belangen staan op het spel. Denk aan de piekbelasters in de veehouderij, of vervuilende industriële bedrijven. Zij kunnen zich als slachtoffer presenteren en verzet organiseren. Tegen verandering, voor de status quo.
Zie daar maar eens doorheen te breken als politicus, zeker als het verzet ook uit je eigen partij komt.
Dat is moeilijker geworden voor politici, zegt Anchrit Wille, hoogleraar transities in de publieke sector (Universiteit Leiden). Kiezers zijn beweeglijker geworden en dat maakt politici onzeker. „Als ze jouw hervorming niet leuk vinden, kan je steun afkalven en ben je bij de volgende verkiezingen weg.”
Kijk maar naar de afgelopen zes jaar: in 2019 werd Forum voor Democratie de grootste partij bij de provinciale verkiezingen, in 2023 BBB. Acht maanden later, bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2023, was BBB alweer veel kleiner, en waren PVV en NSC de grote winnaars. Nu is het CDA met een opmars bezig en lijkt NSC weggevaagd te worden.
Periodes waarin de politiek veel grote hervormingen doorvoerde waren rond 1900 (algemeen kiesrecht, leerplicht, sociale woningbouw) en rond 1960 (AOW, bijstand, WAO). In die tijd waren er veel minder ‘zwevende’ kiezers, zegt ’t Hart. Politieke partijen waren „geworteld in sociale bewegingen waar mensen hun hele identiteit aan ontleenden”.
Hoe vanzelfsprekend al die sociale wetten nu ook zijn, destijds hadden politieke leiders daar allemaal hun eigen ideeën over. De wetten kwamen er doordat zij compromissen sloten. „Iedere partij kon enorme winst behalen, maar moest ook veren laten”, zegt ’t Hart. „Die leiders gingen terug naar hun achterban en zeiden: dit is eruit gekomen, hier moeten we het mee doen.”
„De essentie van hervormend leiderschap”, zegt ’t Hart, „is dat je je eigen achterban in de klauw hebt”. Nu is het eerder andersom: politici houden nauwlettend in de gaten hoe burgers denken over verschillende onderwerpen, geholpen door het toegenomen aantal peilingen.
Hoogleraar Wille moet denken aan voormalig CDA-vicepremier Wopke Hoekstra in het kabinet-Rutte IV. In de formatie had Hoekstra ingestemd met een halvering van de stikstofuitstoot in 2030, maar na een half jaar nam hij daar publiekelijk afstand van. Hij had gezien hoeveel weerstand dat voornemen opriep, ook bij CDA-stemmers. Wille: „Dat maakt dat je op je schreden terugkeert, om politieke zelfmoord te voorkomen.”
Wat niet helpt is de politieke versplintering. Er zijn nu zoveel kleine partijen, dat er vaak vier regeringspartijen nodig zijn voor een meerderheid in de Tweede Kamer. Meer partijen in het kabinet, betekent ook: een grotere kans dat hervormingsplannen bij zeker één van hen op weerstand stuiten.
Wordt Nederland zo steeds stuurlozer? Die conclusie gaat ’t Hart te ver. „Soms zijn er periodes dat de besluitvorming helemaal vastzit, en dan kan er ineens ruimte ontstaan.”
Hij noemt de arbeidsongeschiktheidsuitkering WAO. Al in de vroege jaren tachtig was er discussie over de betaalbaarheid daarvan, maar er veranderde niets. „Daar hadden we echt een crisis voor nodig.”
Die kwam begin jaren negentig, nadat premier Ruud Lubbers zijn politieke lot had verbonden aan de snelle stijging van het aantal arbeidsongeschikten. Als er één miljoen arbeidsongeschikten zijn, zei hij in 1990, stap ik op. Zo kwamen stijgende kosten én politieke urgentie bij elkaar: een jaar later besloot het derde kabinet-Lubbers de WAO in te perken.
Hetzelfde ziet ’t Hart nu bij defensie. Pas nu er een groot urgentiebesef is, gaan de defensie-uitgaven omhoog, en dan ook nog eens met vele miljarden euro’s per jaar. Kortom: in de Nederlandse politiek is vaak een gevoel van onvermijdelijkheid nodig om moeilijke veranderingen door te voeren.
Wat ook helpt: een kwestie als het ware depolitiseren. Zoals de Paarse kabinetten (1994-2002). Die verplaatsten overheidstaken naar de vrije markt en gaven bedrijven meer vrijheid. Ze presenteerden het als „optimaliseringshervormingen”, zegt ’t Hart, en konden wijzen naar het buitenland: kijk maar, iederéén geeft de vrije markt ruim baan.
Dat verklaart mede waarom het in Nederland zo moeilijk is om de klimaatdoelen te vertalen in concrete maatregelen. Het urgentiegevoel is laag doordat andere landen ook afwachtend zijn. „Ja, dan blijft het in Nederland ook vastzitten”, zegt ’t Hart.
Zo bijeen wekt dit de indruk dat politici machteloze passanten zijn, gegijzeld door kiezers, tijdgeest en omstandigheden. Kunnen zij niet zélf ergens voor staan en door alle weerstand heen breken?
Jawel, zegt ’t Hart, maar de politieke risico’s kunnen groot zijn. Denk aan PvdA-leider Diederik Samsom ten tijde van Rutte II. Hoe groot de kritiek in zijn partij ook was: hij bleef vol vuur de noodzaak verdedigen van zware bezuinigingen in crisistijd, om de overheidsfinanciën op orde te brengen.
De bezuinigingen kwamen er, maar tegen een hoge politieke prijs. Bij de eerstvolgende Tweede Kamerverkiezingen verloor Samsom de lijsttrekkersstrijd van Lodewijk Asscher. En de PvdA zakte terug van 38 naar 9 zetels, een historisch dieptepunt.
Voor ’t Hart illustreert dat de moeilijke positie van politici. Je wilt de politieke toekomst van jezelf en je partij niet zomaar op het spel zetten. „Dan moet je wel erg overtuigd zijn van het absolute belang van de maatregelen die je verdedigt.”
Toch willen ’t Hart en Wille waken voor te veel somberheid. Heeft de Nederlandse overheid al een kwart eeuw niets substantieels tot stand gebracht, zoals oud-topambtenaar Ter Haar stelt? ’t Hart: „De overheid heeft weinig groots en meeslepends gedaan, dat is waar. Maar iedere dag opnieuw levert de overheid behoorlijk moeilijke prestaties.”
Zo is het aantal rokers de laatste twintig jaar sterk gedaald, zegt Wille. „Dat was een grote transitie in kleine stapjes, door het bijsturen van gedrag.”
En zelf heeft oud-topambtenaar Ter Haar sinds het schrijven van zijn weblog ook een positieve uitzondering bedacht op zijn stelling: het project ‘Ruimte voor de Rivier’. Daarmee is sinds 2006 het stroomgebied van rivieren vergroot, om extreem hoog- en laagwater beter te kunnen opvangen.
De overeenkomst tussen deze positieve voorbeelden is dat ze politiek niet zwaar omstreden waren. Voor controversiële hervormingen geldt: in een democratie zal het voor politici altijd lastig blijven om die door te voeren, zeker in een coalitieland als Nederland.
Kun je dan een slagvaardigere vorm van democratie ontwerpen? Ook dat heeft nadelen, zegt Wille. Kijk naar de Verenigde Staten, waar de president veel macht heeft en waar Donald Trump die macht nu nog verder probeert op te rekken. „Dat is daadkrachtig”, zegt Wille. „Maar ik denk niet dat we dat hier willen.”
Wat politici wel meer kunnen doen, zegt ’t Hart, is een duidelijke toekomstvisie voor Nederland neerzetten. „Wat voor land willen we zijn? Waar gaan we naartoe?” Te vaak vindt hij dat verkiezingsprogramma’s eruitzien als „een boodschappenlijst”.
Geert Wilders, zegt ’t Hart, zet op zijn manier wel een duidelijk toekomstbeeld neer. Een idyllisch „etno-nationalistisch verhaal”, waarvoor hij AI-plaatjes twittert van witte, blonde vrouwen met blauwe ogen. „Ik vind het abject”, zegt ’t Hart, „maar het is wel een groot verhaal over waar het naartoe moet met Nederland”.
Het is zonde dat andere partijen daar geen duidelijk verhaal tegenover weten te zetten, zegt ’t Hart. Hij wijst op Helmut Kohl, die zich als West-Duitse bondskanselier inzette voor een hereniging met Oost-Duitsland. Ondanks grote weerstand, kreeg hij het voor elkaar. „Waarom lukte dat? Door romantische verhalen over dat verenigde Duitsland, over ‘bloeiende landschappen’. Dat raakte mensen.”
’t Hart hoopt dat Nederlandse politici daar een voorbeeld aan nemen. „Als mensen offers moeten brengen, willen ze weten waar dat aan bijdraagt. We hebben betekenis nodig.”
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC