De nieuwe oliestaat Guyana verandert in razend tempo - maar het meeste geld verdwijnt naar het buitenland. Twee presidentskandidaten beloven om het hardst meer profijt voor de bevolking.
Door Joost de Vries
Fotografie Guus Dubbelman
In Georgetown denderen de oliedollars over het kersverse zwarte asfalt, honderden vrachtwagens met volle laadbakken rijden af en aan. Hijskranen torenen uit boven geraamtes van toekomstige hotels. Hoog boven de rivier Demerara leggen bouwvakkers de laatste hand aan een vierbaans hangbrug. Guyana’s nieuwe olierijkdom is overal zichtbaar in de hoofdstad van het kleine Zuid-Amerikaanse land.
Dankzij een immens olieveld voor de kust is Guyana in vijf jaar tijd veranderd in de snelstgroeiende economie van het westelijk halfrond. ‘Guyana heeft zoveel geld’, zegt Keisha Moore (35) terwijl ze de korte dreads van een buurjongen in glanzende puntjes draait. ‘Meer dan ik kan tellen.’ De haarstilist werkt op de stoep van haar huisje van golfplaat en planken.
Keisha Moore doet op de stoep voor haar huisje het haar van een buurjongen om wat bij te verdienen.
Om haar twee kinderen te voeden, heeft ze meerdere baantjes, vertelt ze. Want die 400 euro bonus die ze één keer van de overheid kreeg, was snel op. ‘Alles op de markt is hartstikke duur.’ Haar sloppenwijkje Tiger Bay ligt in het hart van Georgetown. Moore gebaart met haar hoofd schuin over haar schouder. ‘Daar woont de president.’ Pal achter de krottenbuurt staat het presidentieel paleis.
De nieuwe welvaart bereikt nog lang niet alle grofweg 800 duizend inwoners van Guyana, de voormalige Britse kolonie die als kersverse oliestaat een kleine voorsprong heeft op buurland Suriname. Tien jaar geleden ontdekte het Amerikaanse ExxonMobil op 200 kilometer voor de kust het immense Stabroek-olieveld, goed voor minstens 11 miljard vaten ruwe olie.
In dit gebouw in Georgetown, dat hier ineens verscheen, zit oliebedrijf ExxonMobil.
Sinds in december 2019 de olie begon te stromen, is de productie razendsnel opgelopen. Vandaag pompt Exxon samen met de kleinere partners Hess (eveneens Amerikaans) en Cnooc (Chinees) 900 duizend vaten per dag op. Die rijkdom lonkt ook voor Suriname. Begin 2020 werd daar voor de kust een vergelijkbare schat ontdekt. Het Surinaamse overheidsbedrijf Staatsolie verwacht over drie jaar te beginnen met pompen.
De Surinaamse kiezers gaven in mei hun vertrouwen aan Jennifer Simons, partijgenoot van de overleden oud-dictator Desi Bouterse. Zij mag het eerste oliegeld gaan verdelen en kan lessen leren van haar buurman, president Mohamed Irfaan Ali, die op 1 september hoopt te worden herkozen. De islamitische Ali is nazaat van Indiase contractarbeiders die door de Britten na de afschaffing van de slavernij naar Guyana werden gehaald. Hij is de eerste Guyanese president in het nieuwe olietijdperk.
President Mohamed Irfaan Ali voert campagne voor een nieuwe termijn en belooft gouden bergen.
Voor het houten State House, waar tot 1966 de Britse gouverneur huisde, werpen in de avond vrolijke lampjes een warme gloed over Main Street. Heel Guyana lijkt bovendien in een feeststemming dankzij de gekleurde vlaggetjes die aan vrijwel elke elektriciteitspaal hangen. Het zwart-rood-geel van Ali’s Progressieve Volkspartij (PPP), de regeringspartij met een overwegend Indiaas-Guyanese achterban, is alomtegenwoordig. Veel zeldzamer zijn het groen en blauw van zijn twee voornaamste uitdagers.
Ali’s lachende gezicht prijkt op grote billboards met teksten als ‘Beloftes ingelost’. In campagnetijd loont het om president te zijn. Zijn regering beschikte de afgelopen vijf jaar over meer geld dan Guyana ooit heeft gehad. Volgens de Wereldbank groeide de economie in recordjaar 2022 met ruim 60 procent. Wie deze verkiezingen wint, zit de komende jaren op een nog veel grotere goudberg.
Inwoners van Geogetown die aan de overkant van de Damararivier werken, keren ’s avonds met bootjes terug. Over de rivier wordt nu een grote brug gebouwd.
Drie weken geleden kondigde ExxonMobil een vierde olieproject aan waarmee de omzet tegen de huidige olieprijs uitkomt op 50 miljoen euro per dag. Oftewel 18 miljard euro per jaar. Het bedrijf verwacht dat in 2027 de buiken van de enorme FPSO-olietankers (Floating Production Storage and Offloading units) zich vullen met 1,3 miljoen vaten per dag. ‘De diepzeeprojecten van ExxonMobil Guyana zijn de succesvolste ter wereld’, jubelt de multinational op zijn website. Het is een oliewonder met magische uitwerking.
Het leven speelt zich in Guyana vooral langs de kust af, daar waar de Nederlandse en de Britse kolonisten hun vestigingen bouwden, maar de oliewinning vindt plaats ver buiten het zicht van de bevolking. ExxonMobil vliegt zijn mensen per helikopter naar de boorplatformen. De opgepompte olie wordt onmiddellijk verscheept naar voornamelijk Europese raffinaderijen. Bij het uit donker beton opgetrokken nieuwe Exxon-hoofdkantoor naast het lokale vliegveld aan de rand van Georgetown stuit de Volkskrant op hoge hekken en bewakers. Een e-mail met vragen blijft onbeantwoord.
Aan de vaste wal is het geld dat uit de hoge hoed stroomt bijvoorbeeld zichtbaar in Silica City, een ‘stad van de toekomst’ die president Ali landinwaarts laat bouwen, op zo’n anderhalf uur rijden van Georgetown. Een slimme plek, want hoewel de Nederlanders hun slavenarbeiders een dijk lieten aanleggen om de kust te beschermen tegen de getijden van de Atlantische Oceaan, zijn twee eeuwen later de kuststeden kwetsbaar voor de stijgende zeespiegel.
Buiten de hoofdstad wordt de luxe nieuwbouwwijk Silica City gebouwd. Arbeidsmigranten uit omringende landen kunnen daarmee een goede boterham verdienen.
Silica City kan uitkomst bieden, al is ‘stad’ voorlopig een groot woord voor de driehonderd huizen in aanbouw. In de schaduw van een houten keet handelt opzichter Abhie Jhakry (34) in biertjes en sigaretten. De bouwvakker uit Suriname verdient in Guyana 500 Amerikaanse dollar per week, vertelt hij. ‘Thuis krijg je dat per maand.’ Hij is een van de vele arbeidsmigranten die hun geluk beproeven in de groeibriljant van de regio. Naast Surinamers trekt Guyana veel Venezolanen en Cubanen.
Jhakry oordeelt hard over zijn eigen land: ‘Guyana is in alles beter dan Suriname.’ Natuurlijk is er in Guyana ook corruptie, geeft hij toe. ‘Maar hier stelen ze minder.’ Trots laat hij het bouwplan zien. ‘Silica City heeft de vorm van Guyana. Het is een eerbetoon aan het land.’
Dan mengt zijn Guyanese collega Vinesh (33) zich in het gesprek. Per hoofd van de bevolking is Guyana nu rijker dan de Verenigde Staten, weet hij. Eerst prijst hij president Ali voor het ‘briljante’ werk dat hij levert, maar dan begint de bouwvakker over de keerzijde van de nieuwe rijkdom. ‘Een zak rijst van 10 kilo is in vijf jaar tijd in prijs verdubbeld van 5 naar 10 euro. Je salaris verdampt in de supermarkt.’
Twee arbeidsmigranten die in Silica City werken in het eenvoudige onderkomen waar zij slapen en eten.
Ook de luxe nieuwbouwwijk illustreert het nieuwe ongeremde oliekapitalisme. Het project heeft weinig weg van volkshuisvesting, maar meer van een vastgoedinvestering gericht op de elite. De grote vrijstaande huizen zullen ze zelf nooit kunnen betalen, beamen de twee collega’s. Sillica City is al helemaal onbereikbaar voor Keisha Moore, de sloppenwijkbewoner uit Georgetown.
Op het eerste gezicht lijkt het kleine land dankzij de olie een prachtige groeispurt door te maken, maar net onder het geraas van de betonmolens en drilboren klinkt kritiek op hoe de buitenlandse oliebedrijven een verrassend groot deel van de buit opstrijken en hoe de overheid vervolgens het resterende Guyanese deel van het oliegeld uitgeeft.
Een prominente criticus van de regering is advocaat en accountant Christopher Ram. In zijn gekoelde kantoor hekelt de zeventiger met lang grijs haar het ‘scheve’ contract tussen de staat en het consortium. De oliebedrijven strijken ruim 85 procent op, waarnaast ze een groot deel mogen declareren als kosten. Voor Guyana resteert minder dan 15 procent (bestaande uit 2 procent royalty’s en 12,5 procent oliewinst). In andere landen, zoals de Verenigde Staten, lopen royalty’s voor het exploiteren van natuurlijke hulpbronnen op tot 25 procent.
Christopher Ram, advocaat en accountant: 'Er komt zeker geld binnen, maar het is veel minder dan we zouden moeten krijgen'.
Een karige deal, stelt Ram. ‘Vanwege de grote hoeveelheid olie die er wordt gewonnen, komt er zeker geld binnen, maar het is veel minder dan we zouden moeten krijgen’, zegt hij. ‘De gewone Guyanees ziet dat er wegen worden gebouwd, bruggen, ziekenhuizen en scholen.’ Maar het zou veel beter kunnen, vindt hij.
Volgens de advocaat biedt het contract ruimte voor heronderhandeling, maar wil de regering dat niet, om de Amerikaanse multinational niet tegen de haren in te strijken. Ook de uitdagers van Ali praten in hun campagne niet over een betere oliedeal, zegt hij. ‘Ze bieden alleen tegen elkaar op wie de kiezer meer geld gaat geven.’
Op een maandagavond in het dorp Enterprise, even ten oosten van de hoofdstad, luisteren honderden supporters opgetogen naar een toespraak van hun president die voor de gelegenheid een rode polo en petje aanheeft. Vanaf een podiumpje lanceert Ali zijn beloftes. ‘We halen Guyanezen uit de armoede en nemen ze mee op een reis richting welvaart’, schreeuwt hij. ‘De PPP geeft mensen weer banen en geeft ze geld in hun portemonnee.’
Campagnebijeenkomst in Georgetown van president Mohamed Irfaan Ali.
Uit luidsprekers klinken kanonschoten na elke belofte. ‘In de komende vijf jaar gaan de belastingen verder omlaag!’ Boem, boem, boem. Hij biedt excuses aan voor het bouwstof en de files. ‘Maar wat eraan komt is infrastructuur van wereldklasse! Nieuwe wegen die je reistijd verkorten, naar Georgetown, naar Suriname, naar Brazilië!’ Boem, boem.
Dan haalt hij Bob Marley aan, de muzikale held van de Cariben waartoe Guyana zich rekent. ‘We want to love and treat you right’, zegt de president. Geef hem nog vijf jaar; Ali zal de Guyanezen liefhebben en goed behandelen. ‘Every day and every night.’ Zijn achterban reageert met instemmend gejoel. Een assistent verbiedt de Volkskrant om tijdens de rally vragen te stellen en ook op geschreven vragen komt later geen reactie.
De president kan leunen op een trouwe achterban, maar onder veel Guyanezen veroorzaakt een andere naam meer opwinding: nieuwkomer Azruddin Mohamed. De 38-jarige omstreden goudhandelaar belooft een wig te drijven tussen de twee klassieke machtspartijen, de Indiaas-Guyanese PPP en de Afro-Guyanese Apnu, de partij die in de vorige regering het oliecontract tekende.
Nieuwkomer Azruddin Mohamed voert campagne met zijn partij WIN.
Mohamed is van een van de rijkste families van Guyana en staat op een Amerikaanse sanctielijst voor belastingontduiking en omkoping. Het nieuwste avontuur van de zakenman is een gooi naar het presidentschap. De naam van zijn partij: WIN. Het opportunisme spat ervan af, maar de man met de zonnebril trekt tot diep in het met oerwoud begroeide binnenland enthousiaste kiezers van Afrikaanse, Indiase en inheemse komaf.
‘Ze bouwen ziekenhuizen, maar er is geen personeel’, zegt hij smalend tijdens een kleine avondlijke campagnebijeenkomst in het plaatsje Stewartville aan de westkant van de rivier Demerara. ‘Wij investeren in jullie. In jullie salaris, in pensioenen, in huisvesting, in dienstverlening. Guyana heeft zoveel geld, maar een kwart verdwijnt door corruptie.’ De zakenman-politicus strooit met bedragen, het publiek reageert met gejuich.
De populist krijgt ook steun uit verrassende hoek. De Guyanese sociale wetenschapper Janette Bulkan, verbonden aan de Canadese Universiteit van British Columbia, hoopt dat Mohamed het politieke landschap opschudt, want de huidige regering verkwanselt volgens haar de unieke kans die de olie biedt.
Janette Bulkan: 'Laat de meeste olie in de grond zitten en pomp enkel op wat we nodig hebben'.
‘We zouden onder onze eigen voorwaarden olie moeten produceren’, zegt ze in een café in Georgetown. ‘Laat de meeste olie in de grond zitten en pomp enkel op wat we nodig hebben. Een beperkte hoeveelheid gericht op onze beperkte Guyanese behoeften en niet op die van de aandeelhouders van Exxon.’
Maar de regering van president Ali doet het tegenovergestelde, meent ze. Exxon krijgt volgens haar alle ruimte, en het geld dat Guyana ontvangt wordt niet eerlijk verdeeld. Vandaar dat ze hoopt dat Mohamed in elk geval een flink deel van de parlementszetels verovert. ‘Zijn komst heeft het spel veranderd. Nu is het wachten op 1 september.’
Een overweldigende meerderheid van de Venezolanen wil dat het olierijke gebied Essequibo in buurland Guyana Venezolaans wordt. Bij een referendum zondag stemde 95,93 procent van de kiezers voor. Meer dan 10 miljoen Venezolanen gingen stemmen, ruim eenderde van de bevolking.
Suriname gaat nog meer verdienen aan de oliebel die voor de kust ligt. Het staatsoliebedrijf kan zich voor 20 procent inkopen in het consortium dat de olie zal oppompen. De olie-inkomsten voor het land nemen daardoor toe met nog eens 2 miljard dollar.
Een Frans-Amerikaans consortium gaat vanaf 2028 grote hoeveelheden olie oppompen voor de kust van Suriname. Een mijlpaal voor het land, dat hoopt dat de oliemiljarden het financieel beknotte Suriname radicaal zullen veranderen. ‘Niemand hoeft meer arm te zijn.’
Source: Volkskrant