Actiekomedie Darren Aronofsky breekt met zijn gebruikelijke controversiële, dramatische filmstijl voor actiekomedie ‘Caught Stealing’. Vermakelijk is het, maar ook weinig memorabel.
Austin Butler als Hank (m), Liev Schreiber als Lipa (l) en Vincent D'Onofrio als Shmully (r) in ‘Caught Stealing’. Beeld Niko Tavernise
Caught Stealing voelt als de film van een regisseur die ook weleens wil láchen. Darren Aronofsky (56) is doorgaans de meester van het magnifiek deprimerende. Zijn films gaan over drugsmisbruik (Requiem for a Dream), waanzin (Black Swan) en de vernietiging van ‘moeder aarde’ (Mother). Zijn vorige film, de controversiële Oscarwinnaar The Whale, volgde een morbide obese agorafoob die de band met zijn dochter probeert aan te halen. Weg van de controverse, op naar humor, vermaak en sterrenstof; een vuige genrefilm met „de beste acteurs en crew op aarde”, zei hij tegen Vanity Fair. Aronofsky’s idee van lol? Een adaptatie van Charlie Hustons smerige, gewelddadige, van lichaamssappen doordrenkte misdaadboek Caught Stealing.
Caught Stealing. Regie: Darren Aronofsky. Met: Austin Butler, Zoë Kravitz, Matt Smith. Lengte: 107 minuten.
Hank Thompson (Austin Butler) is een gewezen honkbalbelofte en geworden alcoholist. Na een traumatisch ongeluk ging hij „op de vlucht voor zijn verleden”. Waarna hij belandde en vastroestte in de New Yorkse wijk East Village – de plek waar circusfreaks thuiskomen. Tijd van handeling is 1998 en Hank zuipt, kijkt honkbal en zwelgt al jaren in zijn bij elkaar gejatte huisraad. Hoezeer zijn eeuwige scharrel Yvonne (Zoë Kravitz) ook sjort aan zijn aderige armen, hij is niet in beweging te krijgen.
Althans, totdat zijn punkbuurman Charlie (Matt Smith) hem vraagt op diens Maine Coone (Tonic de Kat, van Pet Sematary) te passen. Catsitting blijkt de eerste stap op een glijdende schaal naar de New Yorkse onderwereld. Hank (met kat) wordt de strandbal van Russische maffia, politie en gewapende orthodox Joodse drugsdealers.
Regisseur Aronofsky wist dat hij de sfeer van New York in de jaren negentig goed vatte toen een vrouw vanaf een brandtrap op crewleden plaste, schreef Vanity Fair. En hij liegt niet: de setting steelt de show in Caught Stealing. De East Village voelt doorleefd. Het stuiptrekt tegen de gentrificatie: is enerzijds neon, lichaamssappen en getatoeëerde beren die coke doen aan de bar, anderzijds yuppen die vroeg naar werk moeten.
Visueel is het subliem. Shots zijn zorgvuldig ontworpen als panelen van een stripboek. Obscure B-filmreferenties maken de film een genot voor cinefielen – in één scène hinkt Hank langs Kim’s Video, de beruchte videotheek voor ‘rare’ films, waar kunstminnend New York vaste klant was. En de acteurs zijn, zoals Aronofsky beloofte, uitstekend. Grappig zijn Regina King als botte agent en Matt Smith als vuilbekkende, matennaaiende punker. Austin Butler bewijst zijn filmsterrendom, zijn kattenogen, wasbordje en witte onderbroek dragen de film.
Vermakelijk is het dus wel, maar Caught Stealing is niet geheel geslaagd. Alles is zo extravagant en wild mogelijk: kots op de ramen, komische gangsters, de kat die naar Hank knipoogt als hij seks heeft. Je krijgt het idee dat Caught Stealing té graag ‘radicaal’ en ‘punk’ wil zijn, daartoe te vaak vervalt in wat maffe en willekeurige overdaad. Als elke scène extravagant is, wordt dat betekenisloos. Alles markeren is niks markeren, zeg maar. Je bent net bekomen van de Rus die sportliedjes zingt, wanneer de orthodoxe joden schietend aankomen in een Toyota Previa.
Het doet denken aan het werk van de Gen-X-filmmakers die in de jaren negentig speelden met genre, pulp en pastische. In Caught Stealing werkt dat net zo vermakelijk, maar mist de inventiviteit, de nieuwe twist. Het resultaat voelt niet cool – meer alsof je naar de favoriete band van je vader luistert.
Source: NRC