Een sjacheraar die Elvis de ondergang in hielp, zo staat manager Tom ‘Colonel’ Parker (1909 - 1997) bekend. Onterecht, zegt Elvis-biograaf Peter Guralnick, die zijn kijk op de Colonel heeft moeten bijstellen na toegang te hebben gekregen tot diens briefarchieven. Daarom: de vijf grootste Parker-mythes ontkracht.
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
Arme, weerloze Elvis, in de klauwen van een villeine geldwolf die zijn protégé transformeerde van een rauwe rocker tot een vleiende popster.
‘Ja, dat is zo’n mythe waar we toch eens vanaf moeten’, zegt de Amerikaanse muziekhistorus Peter Guralnick (81). ‘Ik zeg eerlijk dat ik 35 jaar geleden, toen ik aan mijn Elvis-biografie begon, ook een beetje zo over zijn manager Colonel Parker dacht. Met de jaren is dat beeld gekanteld.’
Zonder Parker was Elvis nooit de wellicht allergrootste popster ooit geworden.
‘Dat besef kwam eigenlijk pas toen ik dertig jaar geleden inzage kreeg in zijn brieven. Dit waren geen brieven van een man die vooral voor eigen gewin artiestenmanager was geworden. Colonel Parker wilde het beste voor Elvis. Hij was niet de onbehouwen bullebak, handig met cijfertjes, die ik eerst in hem zag.
Uit de brieven die Parker aan Elvis, diens vader Vernon Presley en diverse zakenpartners schreef, rees een kiene maar ook eloquente man vol goedbedoelde maar dwingende adviezen en uitleg over zijn beslissingen. Guralnick koos voor de brieven van Parker uit de jaren van zijn samenwerking met de King: 1955-1977.
Hij had zo’n dertig jaar geleden toegang gekregen tot de brieven van Elvis Presley Enterprises, dat ook Parkers archief beheerde. ‘Ik had er al eerder iets mee willen doen, maar de hele collectie wisselde van eigenaar wat alles vertraagde.’ Toen Guralnick de brieven weer las, zag hij in Parker een geestige, alerte en soms ook kwetsbare man zoals die sinds Elvis’ dood in 1977 eigenlijk niet meer is geportretteerd.
‘Ook door mij niet’, zegt Guralnick via een videoverbinding uit Boston. Guralnick geldt als een van de allerbeste historici waar het de blues, country, soul en rock-’n-roll uit de jaren vijftig en zestig betreft. Boeken als Lost Highway (1979) en Sweet Soul Music (1986) zijn nog altijd onovertroffen verzamelingen artiestenportretten, maar zijn magnum opus is de tweedelige, samen dertienhonderd pagina’s tellende biografie over Elvis Presley.
Last Train To Memphis (1994) en Careless Love (1997) reconstrueren het leven vam The King minutieus. Niet op een sensatiebeluste toon zoals biografen dat voor hem graag deden, maar gortdroog, bijna wetenschappelijk de feiten rangschikkend, zonder aan leesbaarheid in te boeten.
‘Ik denk niet dat in mijn Elvis-biografie veel feiten onbekend waren, maar ik ging er hooguit wat anders mee om’, vindt Guralnick. Even bescheiden is hij over de betekenis van zijn nieuwe boek, The Colonel And The King, dat vorige week verscheen. Het zeshonderd pagina’s tellende boek is voor de helft gevuld met door Guralnick geselecteerde brieven van en (soms) aan Colonel Parker. De andere helft bestaat uit een ‘biografisch portret’ van de in 1909 in Breda als Dries van Kuijk geboren Colonel Tom Parker.
‘Ik noem het nadrukkelijk geen biografie, maar al lezende in de brieven kon ik steeds moeilijker om het idee heen hem mijn eigen biografische schets te geven.’
Dat was aanvankelijk niet de bedoeling. Er lag bijvoorbeeld een biografie van Alanna Nash (The Colonel - The Extraordinary Story of Colonel Tom Parker and Elvis Presley, (2003)). ‘Ja, van haar zeer grondige research heb ik dankbaar gebruikgemaakt, maar ik deel haar opvatting dat Dries van Kuijk in 1929 per boot naar Amerika gevlucht was omdat hij een moord zou hebben begaan totaal niet.’
Aan Van Kuijks Nederlandse jaren besteedt hij in zijn nieuwe boek ook weinig aandacht, ‘omdat inmiddels juist door Nederlandse journalisten steeds meer is vast komen te staan dat Van Kuijk die moord op Anna van Enden in 1929 niet gepleegd heeft en Van Kuijk ook helemaal geen moord nodig had om de oversteek te maken. Op zijn 16de had hij dat al eerder geprobeerd en is toen op kosten van de Amerikaanse immigratiedienst weer naar Nederland gestuurd, weten we sinds jullie Lammert de Bruin dat heeft uitgezocht.’
Guralnick verwijst naar de onder meer door De Bruin gemaakte podcastserie Het geheim van Colonel Parker, en is even complimenteus over het onderzoekswerk van de Brabantse Geert Nijland. ‘Wat mij betreft is de zaak af. Van Kuijk heeft niks met de moord te maken, maar hij droeg wel degelijk een trauma mee naar zijn graf toen hij in 1997 overleed.’
Wat precies, weet hij niet, maar ook Loanne, de weduwe van Parker, die in 2020 overleed heeft altijd het vermoeden gehad dat hem ooit iets ergs overkomen is.
‘Hij is volgens mij naar Amerika gekomen om daar opnieuw te beginnen. Hij verzon een naam, een geboorteplaats en een verleden bij elkaar, waar niemand hem tijdens zijn leven echt over bevraagd heeft.’
Zelf heeft Guralnick al sinds 1988 geprobeerd de Colonel te interviewen. ‘We hebben diverse malen contact gehad. Een vitale maar ook wat afstandelijke man, die me wel met het eerste deel van mijn Elvis-biografie heeft gecomplimenteerd. Althans met de lovende recensies, want zelf had hij het niet gelezen.’
Het contact met diens echtgenote, Loanne, verliep wat soepeler. ‘Natuurlijk keek ze anders dan wij tegen haar man aan, ze leefde toch meer dan twintig jaar met hem samen. Maar zijn kwetsbaarheid, zijn angst voor fysieke aanrakingen, daar praatte ze over op een manier die ook bijdroegen aan mijn hernieuwde beeld van de Colonel.’
Op de vraag wat hij verkeerd zag aan Parker in zijn eerdere boeken over Elvis (Guralnick publiceerde in 2015 ook nog een vuistdikke biografie over Sam Phillips, de eerste platenbaas van Presley) en of hij daar met dit boek verantwoording voor wil afleggen, antwoordt hij wat omzichtig. ‘Ik denk niet dat ik eerdere uitlatingen echt met harde feiten kan weerleggen. Maar door mezelf echt te begraven in alle documenten en brieven, kreeg ik een beeld van de Colonel dat in elk geval niet strookt met de mythes die steeds meer rond zijn persoon zijn gaan hangen.’
Over de wat kwaadaardige Parker, zoals neergezet door Tom Hanks in Baz Luhrmann’s biopic Elvis (2022), kan Guralnick niets zeggen. ‘Ik heb de film nooit gezien. Hij verscheen toen ik midden in mijn werk aan mijn boek zat. Ik durfde me niet te laten afleiden door het beeld dat Tom Hanks in twee uur van de Colonel neerzette.’
Elvis’ eigen filmproductie is wel een van de zaken in de mythologie rond Elvis en de Colonel waar Guralnick nu andere opvattingen over heeft. Deze en vier andere hardnekkige mythes zou Guralnick met zijn nieuwe boek graag zien verdwijnen.
Guralnick: ‘Parker voldeed aanvankelijk vooral aan de wens van Elvis zelf. Die wilde graag acteren, zoals zijn helden James Dean en Marlon Brando dat deden. Parker wist niks van de filmwereld en tekende echt extreem slechte contracten. Ik dacht toen ik aan mijn Elvis-biografie werkte nog dat de razendslimme Colonel dat bewust deed, en zeker wist dat hij dat wel kon openbreken. Maar dat was helemaal niet zo. De colonel had geen idee en zou dit zichzelf zijn hele leven aanrekenen.
‘Het mooie aan de brieven is dat betrokkenen in de filmwereld hem heel geduldig proberen uit te leggen hoe de dingen in Hollywood gaan. Je kunt niet roepen: hier is Elvis, die kan mooi in het vacuüm stappen dat James Dean heeft achtergelaten.
‘Elvis had het anders dan beweerd best naar zijn zin in Hollywood, en de deals werden steeds gunstiger. Hij mocht in 1960, toen hij uit dienst kwam, twee redelijk serieuze films maken, Flaming Star en Wild in the Country, maar die flopten vooral omdat Presley de rollen niet aankon. De daaropvolgende comedy Blue Hawaii was een van de succesvolste films van het jaar, logisch dat ze vooral bij dit genre bleven.’
Guralnick: ‘Als er een ding aan Elvis was waar de Colonel zich nooit mee bemoeide, dan was het zijn repertoirekeuze. Daarin liet hij Elvis volledig vrij. Elvis hield nu eenmaal van veel soorten muziek – rock-’n-roll, country, gospel. Hij koos de liedjes samen met zijn publisher (muziekuitgever).
‘Wat vaak vergeten wordt, is dat toen Colonel Parker Elvis voor het eerst zag spelen in 1955, niet Elvis maar Parker de ster was. Die had Eddy Arnold onder contract, de grootste countryster van dat moment, terwijl Elvis slechts een paar singles uit had die alleen nog maar regionaal succes hadden gekend.’
Parker was zo onder de indruk dat hij zich volledig op Elvis stortte, en hem voor het toen ongekende bedrag van 35 duizend dollar van het kleine Sun-label naar het grote RCA overbracht. Daar mocht Elvis zingen wat hij zelf wilde en een dolblije Elvis zou Parker een telegram sturen, zo zegt Guralnick, dat hij besloot met de volgende woorden: ‘Again I say thanks, and I love you like a father.’
In 2021 kwam Dolly Parton met het verhaal dat Elvis in 1974 haar I Will Always Love You wilde opnemen, maar dat hij dat niet mocht van Parker, aan wie ze graag toestemming wilde geven.
Guralnick: ‘Het lijkt me sterk dat Parker zich daar mee bemoeid heeft. Elvis zal het vast veel thuis gezongen hebben en wilde het misschien ook wel zelf opnemen, het was toen al een erg populair nummer. Maar hier hield Parker zich niet mee bezig.
‘Wat de Colonel wel al sinds de jaren vijftig deed, was Elvis erop wijzen dat aan muziekrechten het meeste geld was te verdienen. Dus mocht hij een liedje op het oog hebben, dan moest hun publishingbedrijf Hill And Range zo’n nummer het liefst afkopen van de auteurs.
‘Anders dan in de jaren vijftig wisten alle artiesten in de jaren zeventig dat wanneer Elvis een liedje van je opnam, je gehoor minimaal honderd keer zo groot was. De publishingbedrijven van Elvis wilden zoveel mogelijk rechten naar zich toetrekken, zo werkt dat nu eenmaal in de popbusiness. De Colonel hield zich daar volgens mij altijd buiten.’
‘Als de Colonel had gewild had hij makkelijk een paspoort of een greencard kunnen regelen. Het was Elvis zélf die slechte herinneringen had aan zijn legertijd in Duitsland (1958-1960) en nooit zo stond te popelen om de oversteek te maken.
‘Midden jaren zeventig werden er wel plannen gesmeed om Elvis in Japan te laten touren. De Colonel zou niet zelf meegaan, maar de ervaren tourmanager Tom Hulett wel. Die was in Japan geweest en ontraadde Parker ernstig om Elvis daarheen te sturen. De amfetaminen en medicijnen waar Elvis verslaafd aan was, zouden voor problemen aan de grens kunnen zorgen, om over de onafscheidelijke handpistolen waar Elvis toen graag mee speelde maar te zwijgen.’
Guralnick: ‘De mooiste brieven zijn die waarin de Colonel tegen Elvis zijn zorgen uitspreekt over diens vrienden en consumptiegedrag. Hij verdiende miljoenen per jaar, maar was toch diverse malen bijna bankroet.
‘Wat ze allebei gemeen hadden is dat ze graag zoveel mogelijk geld wilden verdienen om dat meteen weer uit te geven. Elvis aan cadeaus voor iedereen en de Colonel aan het gokken. Het deed hem niks als hij op een avond 800 duizend dollar verloor. Geld was voor allebei vooral iets om uit te geven.
Maar het moest wel verdiend worden, daarom zorgde de Colonel voor nieuwe zeer lucratieve contracten met het Hilton in Las Vegas, die Elvis echt nodig had eind jaren zeventig, want zijn vader Vernon klaagde regelmatig tegen de Colonel dat het geld op was.’
Ongelooflijk treurig eigenlijk, die laatste jaren van Elvis, vindt Guralnick. Maar daar heeft ook hij al veel over geschreven. ‘Wat ik vooral hoop is dat liefhebbers van zijn muziek door het lezen van deze brieven hun beeld van de Colonel bij zullen stellen, zoals dat bij mij ook gebeurd is.’
Peter Guralnick: The Colonel and the King. Tom Parker, Elvis Presley and the Partnership that Rocked The World. White Rabbit; 604 pagina’s. € 26,95.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant