Ian McEwan Zijn nieuwe roman speelt zich deels af over honderd jaar als het Verenigd Koninkrijk grotendeels onder water staat. Behalve heerlijk cynische humor bevat de roman ook een spannend plot, dat in een Britse detective-serie niet zou misstaan.
Digitale beeldbewerking van een overstroomde Thames met de kathedraal van St. Paul. Foto BrasilNut1
Als je op de eerste bladzijde van Ian McEwans nieuwe roman Wat we kunnen weten leest dat de verteller in het jaar 2119 per nachtboot naar Meantwrog-under-Sea in Wales vaart en vanaf daar per kabelbaan Mount Snowdon op gaat om er de Bodleian Snowdonia Library te bezoeken, weet je meteen dat het Verenigd Koninkrijk als gevolg van de klimaatcrisis grotendeels onder water staat. Voor de somberaars is er één troost: zelfs in deze situatie gaat het leven gewoon door, wordt er gewerkt, bemind, gereisd en geschreven. Ook is het leven veel rustiger dan een eeuw eerder, omdat er als gevolg van een tekort aan essentiële grondstoffen minder mobiele telefoons worden geproduceerd en de wereld een stuk minder gejaagd is. Computers doen het nog net. Chat GPT beleeft zelfs gouden tijden als een Lieve Lita, die jongeren adviezen geeft op het gebied van de liefde.
Die verteller, Tom Metcalfe genaamd, is docent Engelse letterkunde in de periode 1990-2030 aan de University of the South Downs. Hij doet onderzoek naar het leven van de in 2017 overleden, vooraanstaande dichter Francis Blundy. Daarbij hoopt hij diens verloren gewaande gedicht ‘Een lauwerkrans voor Vivien’ op te sporen, dat Blundy tijdens een verjaardagsdiner voor zijn vrouw in 2014 heeft voorgedragen en dat behalve over de liefde ook over klimaatverandering zou gaan. Dat etentje is de literatuurgeschiedenis ingegaan als ‘Tweede Gastmaal der Onsterfelijken’, een woordspeling op een beroemd diner in 1817, waar dichters zoals William Wordsworth, John Keats en Charles Lamb aanzaten en dat volgens de overlevering ‘een avond vol esprit, diepgang, plezier, sarcasme en hartelijkheid’ zou zijn geweest.
In die historische vergelijking ligt de diepere boodschap van McEwans roman besloten. En die is dat een biograaf nooit zal weten wat de door hem gebiografeerde wérkelijk heeft gedacht en gedaan. Om die boodschap te benadrukken haalt hij de beroemde Britse biograaf Richard Holmes aan, die de menselijke waarheid ergens tussen feit en fictie vermoedde en meende dat een biografie ook veel over het leven van de schrijver ervan vertelde.
Met die woorden gaat McEwan aan de haal op een manier die je van hem kent uit zijn beste romans zoals The Cement Garden (1978), The Innocent (1989), Enduring Love (1997) en Atonement (2001). Opnieuw speelt hij aan de hand van een eenvoudig gegeven een intrigerend spel met zijn lezers, waarbij hij horrorelementen niet schuwt. Hierdoor is Wat we kunnen weten een klassieke McEwan geworden, waarin met name de valse moraal van de Britse upper middle class zijn vet krijgt.
Vivien heeft indertijd haar carrière aan de Universiteit van Oxford opgegeven om met de veel oudere, narcistische Blundy te trouwen. Daarna streek het paar neer op ‘de Hofstede’, een verbouwde boerderij in de Cotswolds. Volgens Vivien hadden ze geen slecht huwelijk, wat de biograaf graag van haar overneemt.
Vivien kreeg een verhouding met Blundy, toen haar man, de vioolbouwer Percy Greene, vroege Alzheimer kreeg. Kort voordat hij in een verzorgingstehuis zou worden opgenomen, is hij thuis van de trap gevallen en overleden. Het is een blessing in disguise voor het geheime liefdespaar, dat nu alle vrijheid heeft om zijn relatie te bezegelen zonder zich schuldig te voelen.
Zich baserend op Viviens dagboeken die in de Bodleian Snowdonia Library vult Metcalfe de levens van haar en Blundy in. Het ‘Tweede Gastmaal der Onsterfelijken’ speelt daarbij een centrale rol. McEwan schittert hier als vanouds door als in een tragedie van Shakespeare de aanwezigen in hun ijdelheden en hypocrisie neer te zetten. Vooral Blundy’s redacteur en zwager, professor Harry Kitchener, een tweederangs dichter met een groot ego, groeit zo uit tot een onvergetelijk personage. Even genadeloos als humorvol is McEwan als hij over een andere tafelgenoot, de succesvolle schrijfster Mary Sheldrake, beweert: „Ze schreef minimalistisch proza waaraan elke descriptieve kleur ontbrak; ze hoedde zich voor allerlei fictionele trucs, misleidende verhalen of misleidende sporen.”
En precies dat laatste is wat McEwan zelf wel doet. Wat er werkelijk is gebeurd lees je dan ook pas in het tweede deel van de roman, waarin Vivien aan het woord komt. Het leven van Blundy, zoals Tom Metcalfe dat probeert te reconstrueren, blijkt dan een geheel andere en vooral gruwelijke waarheid te bevatten, die zo uit een aflevering van Inspector Morse kan komen.
Maar waar in McEwans vroegere romans een benauwende kilheid het verhaal kon overheersen, is er net zoals in zijn grandioze roman Lessons (2022) met de jaren ook milde humor bijgekomen. Behalve de door McEwan stilistisch knap geschreven scènes tussen de al dan niet promiscue en onoprechte vrienden van de Blundy’s, blijkt dat met name uit de passages die zich afspelen in 2119. Hier gaat McEwan op volle kracht los en ventileert hij tussen de regels door ook zijn maatschappijkritiek die zich uitstrekt van de huidige jonge generatie tot die van de volgende eeuw. Tenslotte is er door al die grote rampen in het menselijk gedrag in wezen niet veel veranderd. De letterenstudenten van de 22ste eeuw zijn zelfs nog luier en ongeïnteresseerder dan ze nu al zijn. Ze leggen het af tegen de science-faculteit, die invloedrijker is dan ooit. Lezen doen de literatuurstudenten liever niet, zoals de geschiedenisstudenten alleen nog maar vooruit en niet achteruit willen kijken. Het boeiende verleden van de afgelopen eeuw, met zijn combinatie van wereldwijde kernwapenoorlogen en een milieurampen kunnen de verwende en als het hun even niet uitkomt agressieve jongeren psychisch niet aan.
Heel vermakelijk is bijvoorbeeld McEwans verwijzing naar bestsellerauteur Sally Rooney. Je herkent haar meteen in de in 2016 geboren Mabel Fisk, over wier vroege novelles hij college geeft. Haar roman The Hammer gaat over een meisje uit een rijke familie dat verliefd wordt op een arbeidersjongen. De vader van het meisje, een beroemde jazzpianist, vindt die jongen te volks, waarop die uit wraakzucht een hamertje uit de piano van die vader sloopt. En dan laat McEwan Metcalfe opmerken: „Veel van Fisks latere thema’s, zoals liefde, wraak, klassenonderscheid en integriteit zijn al kernachtig vervat in dit eenvoudige coming-of-age-verhaal, een van de verrukkelijkste literaire prestaties van de eenentwintigste eeuw. Alleen een topauteur had zoveel hilariteit en zoveel tranen tegelijk kunnen oproepen.” Als hij Metcalfe even later ook nog laat opmerken dat bijna de helft van zijn studenten een deel van dat boek van zesennegentig bladzijden had gelezen, slaat hij twee cynische vliegen in een klap.
En dan is er ook nog het stilistische meesterschap van de schrijver, dat door Harm Damsma en Niek Miedema knap is vertaald. Al geeft het Engelse origineel, dat pas over enkele weken verschijnt, je echt het gevoel een meesterwerk te lezen.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC