Paul Onkenhout en John Schoorl schrijven elke week over een liedje waarvan de titel bestaat uit alleen een voornaam. De carrière van Johnny Jordaan kende veel pieken en een overdaad aan dalen. Met Janussie (en eerder Een pikketanussie) beleefde hij een comeback.
Janussie, Janussie,
neem nog een pikketanussie
Janussie, Johnny Jordaan (1970)
Toen de Jordaan nog een gezellige volkswijk was waar iedereen elkaar kende, pikketanussies rijkelijk vloeiden en levensliederen uit elk café schalden, romantisch gesteld, beleefde Jan van Musscher een komeetachtige opkomst. Onder zijn alias Johnny Jordaan won de zingende kelner van café De Kuil met het lied De parel van de Jordaan een prestigieuze talentenjacht, De Beste Stem.
Dat was op 2 maart 1955. De zoon van een straatarme katholieke dakbewerker bleef in de wedstrijd van platenmaatschappij Bovema in hotel Krasnapolsky Helena Jansen-Polder, oftewel Tante Leen, net voor. Zijn overwinning was het begin van een carrière die veel pieken kende, en een overdaad aan dalen.
Johnny Jordaan was al 31 toen hij werd gelanceerd. Bovema bracht vliegensvlug twee liedjes van hem uit, De parel van de Jordaan en Bij ons in de Jordaan. Een jaar later had hij een miljoen platen verkocht en verdiende hij geld als water, ondanks de tegenwerking van de omroepen. Onder meer de Vara boycotte zijn liedjes. De arbeidersomroep vond ze te platvloers. Alleen de Avro deed niet aan de boycot mee.
De rampspoed was al op zijn 9de begonnen. Na een ongelukkige stoeipartij met Careltje Verbrugge, zijn geliefde neef die het in de muziek ook ver zou gaan schoppen, verloor hij een oog. Een glazen oog was het gevolg. Zijn hele leven lang tobde Jordaan met kwalen, suikerziekte onder meer. Hij werd getroffen door meerdere hersenbloedingen en hartinfarcten en eindigde zijn leven in een rolstoel.
Vertrouwelingen plukten hem financieel kaal, in nota bene zijn hoogtijjaren werd hij geconfronteerd met een enorme belastingschuld. Hij ontvluchtte Amsterdam. Zijn cafés in Rotterdam (!) en Antwerpen gingen op de fles. En hij worstelde met zijn homoseksualiteit.
In 1956 probeerde hij zich van het leven te beroven door uit een rijdende auto te springen. Hij was de 40 al ruimschoots gepasseerd, getrouwd en vader van een dochter, toen hij uit de kast kwam. Vanaf dat moment trad ook zijn vriend naar voren, Ton Slierendrecht.
‘Ik heb zo veel rottigheid en ellende meegemaakt. En – de Lieve Heer is m’n getuige – ik doe nooit een mens kwaad’, zei Jordaan in 1989 in Het Parool. ‘Waar heb ik het aan te danken?’ Een jaar later was hij dood. Hij liet een fraaie erfenis achter, een reeks meezingers die heden ten dage in Amsterdam en daarbuiten in feestzalen en cafés nog steeds feestelijk worden onthaald: Bij ons in de Jordaan, Geef mij maar Amsterdam, Pruimenpap en diverse potpourri’s.
Met Een pikketanussie, Amsterdams dialect voor een glaasje jenever, had hij in 1968 na een jarenlange stilte een overtuigende comeback gemaakt. Tot hetzelfde genre hoort Janussie uit 1970, ook een nummer van Harry de Groot waarin de inname van oude dan wel jonge jenever bijzonder enthousiast wordt aangemoedigd.
Johnny Jordaan stierf op 8 januari 1989. Op zijn begrafenis werd natuurlijk zijn klassieker Bedankt lieve mensen gedraaid: ‘Adieu, vergeet mij niet/ Elk mens krijgt klappen in zijn leven/ Zo gaat het ook met een artiest.’
John & Paul
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant