Home

Leven in Srebrenica ná de genocide. ‘Ik heb medelijden met de Serviërs’

Na de genocide De Bosniërs herdenken en spreken, de Bosnische Serviërs ontkennen en provoceren. In Srebrenica leven nabestaanden van de genocide in een ongemakkelijke verhouding met hun Servische buren. „Je moet dapper zijn om te praten.”

Moeders van Srebrenica bij een fabriek in Kravica, een van de locaties waar de genocide in 1995 plaatsvond.

Alle moeders zitten al in de bus, maar Mevlida Mumunovic wil nog iets zeggen. Ze wijst naar het voetbalveld waar de bus naast staat, op zo’n 35 kilometer van Srebrenica in het oosten van Bosnië en Herzegovina. Ze verheft haar stem. „Daar zag ik honderden rugzakken liggen”, herinnert ze zich toen ze hier dertig jaar geleden langsreed in een evacuatiebus. „En achter die tassen lag een dode man.”

Het voetbalveld is niks veranderd. Behalve dat het niet effen is, maar kleine heuveltjes heeft. Wie niks weet, ziet het niet. Mumunovic weet het wel: onder die heuveltjes lagen massagraven.

Op deze plek in het dorpje Nova Kasabe werden op 11 en 12 juli 1995 twaalfhonderd mannen en jongens uit Srebrenica gevangen gehouden door het Servische leger. Een dag later, op 13 juli, werden ze vermoord.

Een van de Moeders van Srebrenica die jaarlijks de slachtoffers van de genocide herdenkt.

Het is twee dagen na de herdenkingsdag van de genocide in Srebrenica en zoals elk jaar bezoeken de moeders de plekken waar hun mannen en zoons zijn vermoord. Waaronder een politiebureau in Srebrenica, een varkensstal in Kravica en het voetbalveld in Nova Kasabe.

De meeste plekken liggen er nog net zo bij als dertig jaar geleden – kogelgaten in de muren markeren het verleden. Maar de genocide in Srebrenica, die met feiten, ooggetuigenverslagen en negentig veroordelingen voor oorlogsmisdaden is bewezen, wordt niet door iedereen in Bosnië erkend.

Zeker niet door Bosnische Serviërs. Milorad Dodik, de leider van Republika Srpska – de semi-autonome regio waar voornamelijk Bosnische Serviërs wonen – is een fanatiek ontkenner van de genocide.

Desondanks keerden sommige slachtoffers terug naar hun geboortegrond, die nu in Republika Srpska ligt. Hoe is het voor hen om te leven in Srebrenica ná de genocide? En welke lessen kan de wereld volgens hen leren van Srebrenica?

Witte hoofddoeken

Mumunovic bezoekt deze plek elk jaar. Net als zo’n honderdvijftig andere moeders – overlevenden van de genocide in Srebrenica. Na 11 juli 1995 werden in enkele dagen 8.372 Bosniakken (Bosnische moslims) vermoord. Hun moeders, vrouwen en kinderen werden mishandeld, verkracht en gedeporteerd. Het lukte de Nederlandse VN-troepen van Dutchbat, die sinds 1994 in Srebrenica gestationeerd waren, niet om de mensen te beschermen.

Onder leiding van de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic namen Servische troepen op 11 juli 1995 Srebrenica in tijdens de oorlog in Bosnië (1992-1995) – daarvoor onderdeel van Joegoslavië. Een deel van de mannen die zich overgaven aan Mladic belandde uiteindelijk achter de hekken van het voetbalveld in Nova Kasabe.

Deelnemers aan de herdenking verzamelen zich bij het Witte Huis, een van de locaties waar Bosnische moslims werden vastgehouden en vermoord.

„Ik heb geen vader, geen neef en geen broer meer”, zegt Mumunovic. „En er is niemand meer om te vertellen wat hier op het voetbalveld is gebeurd, niets markeert deze moordplek. Alleen wij, de ouderen, herinneren ons deze plekken.”

Mumunovic stapt weer in een van de vier volle bussen. Samen met de andere moeders – allen dragen de traditionele witte hoofddoeken – gaat ze naar het volgende massagraf.

Provocaties

Moeder Ramiza Velic (65) zit naast de bus in de schaduw en kijkt uit op de witte grafstenen van de slachtoffers van de genocide in Potocari. Twee dagen eerder waren hier tienduizenden bezoekers om de genocide te herdenken. Nu is het er rustig. Velic verloor zes naaste familieleden, onder wie haar man. „Het is zwaar om deze plekken te bezoeken”, zegt Velic. „Ik verloor mijn neefje niet ver hier vandaan op de speelplaats”, zegt ze doelend op het Servische bombardement in Srebrenica op 12 april 1993, waarbij tientallen mensen omkwamen onder wie veertien kinderen – hun lichaamsdelen hingen verscheurd aan de hekken.

Een paar minuten eerder reed een jeep langs de stoet bussen, de passagier wapperde met een grote Servische vlag. „Ze zouden zich moeten schamen”, zegt Velic. Mede vanwege dit soort provocaties bezoekt ze de massagraven en executieplekken. Velic: „Zodat iedereen weet dat hier een genocide heeft plaatsgevonden en we de mensen herdenken die hier zijn gemarteld, in stukken zijn gehakt en vermoord.”

Auto met Servische vlag, een provocatie van Bosnische Serviërs tijdens de herdenking van de genocide.

Vorig jaar werd 11 juli door de Algemene Vergadering van de VN uitgeroepen als internationale herdenkingsdag van de genocide in Srebrenica. Die internationale erkenning is van wezenlijk belang voor de inwoners van Srebrenica. Voor de oorlog was driekwart van de inwoners Bosniak, na de genocide nog maar de helft. De bevolking daalde met ruim tweederde naar zo’n twaalfduizend mensen. De Bosnische Serviërs maken nu de dienst uit in het gemeentebestuur.

En dat is te merken in Srebrenica. Langs de weg naar de herdenkingsplek staan posters in de voortuinen van Servische slachtoffers van de oorlog die tussen 1992 en 1995 ongeveer honderdduizend mensen het leven kostte. Op de avond van de herdenking van de genocide klonk uit de speakers van de Servisch-Orthodoxe kerk in Srebrenica provocerende oorlogsmuziek. En de Bosnisch-Servische burgemeester organiseerde voor de herdenking een ceremonie gewijd aan de Servische slachtoffers. Hij kwam met de ongefundeerde bewering dat Serviërs „op veel gruwelijkere manieren” waren vermoord dan de Bosniakken, tekende de Franse krant Le Monde op uit zijn mond.

Ondertussen werden tijdens de herdenking nog eens zeven lichamen begraven van genocide-slachtoffers op de begraafplaats in Potocari. Van de meesten zijn alleen een paar botten gevonden. Nog steeds worden zo’n duizend personen vermist. Veel lichamen werden in massagraven gedumpt en later door Servische troepen uitgegraven en verplaatst naar andere plekken in de hoop de sporen uit te wissen. Zo kan het dat lichaamsdelen van één persoon op verschillende plekken – soms tientallen kilometers uit elkaar – zijn gevonden.

Foto’s van Servische slachtoffers in tuinen langs de weg naar Bratunac. Voor de nabestaanden van Srebrenica gelden de borden als provocatie.

Huilen en rouwen

Na het middaggebed schuift imam Ahmo Mehmedovic (39) aan in een plaatselijk restaurant. Een espresso, graag. Hij is moe, net als de rest van de mensen die betrokken waren bij de herdenking. In 2014 keerde hij vanuit Sarajevo terug naar Srebrenica. „Ik realiseerde dat ik iets miste”, zegt Mehmedovic. Dat iets, dat was het leven in zijn geboortestreek. „De natuur, het veilige en rustige leven. Mensen hier hebben geen haast, er zijn geen files, je hoeft niet in de rij te wachten.”

Maar mentaal was het zwaar om terug te keren. „Niemand geloofde dat een oorlog hier zou kunnen plaatsvinden”, zegt Mehmedovic. Zelfs toen het moorden begon in nabijgelegen dorpen dacht zijn vader niet dat zij aangevallen zouden worden. „We hadden onze buren toch niks aangedaan?” Zijn vader werd vermoord en zijn botten werden gevonden in vier verschillende massagraven. Toen de imam terugkeerde naar Srebrenica was zijn moeder bang. Waarom zou je teruggaan, vroeg ze hem. Je kunt daar gedood worden, zei ze.

Eenmaal terug in Srebrenica moest Mehmedovic leven met de herinneringen van de genocide. „Ik begon pas twee jaar na mijn terugkomst te praten over mijn trauma’s”, zegt Mehmedovic. „Praten geneest, maar het zit niet in onze traditie om te huilen en te rouwen. Je moet dapper zijn om te praten.”

Imam Ahmed Hrustanovic uit Srebrenica.

Maar praten deed hij niet met iedereen. Zijn Servische dorpsgenoten groet hij alleen maar. „We maken misschien een praatje over het werk of het weer, maar het is onmogelijk om met iemand van de Servische kant over het verleden te spreken”, zegt Mehmedovic. „Ze zijn bang om te praten.” En dan feller: „Ze weten wat ze gedaan hebben. Ze weten waar de massagraven zijn. Ze zijn bang dat als ze gaan praten de waarheid naar buiten komt.”

Ook met zijn Servisch-orthodoxe collega heeft hij geen contact. „Hij is hier vanuit Servië in Srebrenica neergezet om de mensen tegen elkaar op te zetten”, verzucht Mehmedovic over de lokale priester. „Ik heb medelijden met de Serviërs hier, want zij zijn als gevangenen van hun leiders. Bang om te praten over gerechtigheid, over verzoening. Zelf als iemand van hen wil praten, zullen ze diegene de mond snoeren.”

Omerta

Maar hoe moet het verder? „Srebrenica lijkt misschien rustig, maar het is een spookachtige plek, achtervolgd door het verleden”, zegt overlevende en schrijver Hasan Hasanovic, die de afgelopen jaren zevenhonderd overlevenden sprak voor het archief van het Srebrenica Memorial Center en met Ann Petrilla het boek Voices from Srebrenica schreef. Hij is het eens met imam Mehmedovic dat er onder de Serviërs een omerta heerst over de genocide. „Ze kunnen niet in het openbaar zeggen dat ze de genocide erkennen”, zegt Hasanovic. „Als ze dat zeggen verliezen ze hun baan, privileges en brengen ze hun familie in de problemen.”

Hasanovic overleefde als negentienjarige de dodenmars – de vlucht die zo’n twaalfduizend mannen maakten van Srebrenica naar vrij gebied en die slechts drieduizend overleefden. Zes dagen was hij onderweg, continu onder vuur, zonder eten en met wonden op zijn voeten. Onderweg verloor hij zijn vader en tweelingbroer, zij werden jaren later in massagraven teruggevonden. Na hun begrafenissen besloot hij terug te keren naar Srebrenica.

Een bloem op de gedenksteen met namen van slachtoffers, in het Srebrenica-Potocari Memorial Center.

Erkenning van de genocide begint volgens Hasanovic bij de politiek. Het helpt dat sinds 2021 genocide-ontkenning strafbaar is in Bosnië, sindsdien daalt het aantal openbare ontkenningen. Maar er is meer nodig, zegt Hasanovic. „Om een genocide te plegen heb je politieke orders nodig en om een genocide te erkennen ook. Zonder volledige politieke erkenning vanuit Servië kun je niet afrekenen met het verleden hier.”

Hij denkt dat de Europese Unie als enige druk kan uitoefenen op Servië om de genocide te erkennen. „Als Servië lid wil worden van de EU moet de EU zeggen dat Servië eerst in het reine moet komen met Bosnië, Kroatië en Kosovo”, zegt Hasanovic. „Als dat niet gebeurt is dat een grote mislukking van de Europese Unie, die zegt mensenrechten hoog in het vaandel te dragen.”

De belangrijkste les, volgens Hasanovic, is dat genocides en oorlogen – waar ook ter wereld – misdaden zijn tegen de mensheid. En daardoor het verhaal zijn van iedereen. Daarom mag men nooit onverschillig zijn en wegkijken, zegt Hasanovic. „De Holocaust is mij niet overkomen, maar is net zo goed mijn verhaal. Want het gaat om de misdaden die mensen plegen tegen andere mensen – los van welke identiteit of nationaliteit dan ook. Als we op deze manier naar dit soort misdaden kijken, dan komen we in een veel betere wereld te leven.”

Grafstenen in het Srebrenica-Potocari Memorial Center.

Source: NRC

Previous

Next