Het was een woensdagochtend in de winter, bijna zeven uur. Mijn man was al boven – we woonden in een huis met beneden de slaapkamers en boven de woonkamer – en ik werd wakker doordat iemand zich op me stortte. „Hoe wist je dat het een man was?”, zou de politie later vragen. Ja, hoe weet je dat. Zijn gewicht. Zijn kracht. Zijn handelingen. Wat me redde was de nanoseconde waarin zijn greep verslapte en ik de adem vond om te schreeuwen, zo hard, zo verschríkkelijk hard, dat ik het een jaar later nog in mijn keel voelde. HELP, HELP, HELP. Alle buren zouden achteraf tegen de politie zeggen dat ze het gehoord hadden. Niemand belde 112. „Het duurde maar even”, zei een van hen later. „Je weet niet hoe serieus het is.” Mijn man hoorde het ook. Hij denderde de trap af en rende door de voordeur naar buiten, de straat over, naar het plantsoen. Hij dacht dat het geluid daarvandaan kwam. Hij dacht dat het mijn dochter was.
Het is acht jaar en zeven maanden geleden en door de dood van Lisa en de aanvallen op andere vrouwen afgelopen week zie ik links in mijn ooghoek steeds weer het vleermuisachtige silhouet van die man terwijl hij achteruitdeinst. De dikke jas, de capuchon over zijn hoofd, de sjaal voor zijn gezicht. De handschoenen. Struikelend rende hij de tuindeur uit, ontweek de fietsen die daar stonden en viel plat op zijn buik in de natte aarde, waarna hij zich weer oprichtte en verdween in de duisternis. De technische recherche zou dezelfde dag nog de halve tuin afgraven.
Nee, hij is nooit gepakt. Ik weet niets van hem. Een half jaar later schetste de officier van justitie die het onderzoek had geleid een paar mogelijke scenario’s en daar heb ik zelf een verhaal van gemaakt om in elk geval íets van een verklaring te hebben. De balkons van de tot appartementen verbouwde kerk naast ons huis – met goed zicht op en in ons huis – waren gerenoveerd, de bouwvakkers hadden de dag ervoor hun werk afgerond en gingen terug naar Oost-Europa, waar ze vandaan kwamen. Volgens de officier waren ze al bijna de grens over toen ik tegen achten met de telefoon van mijn man – mijn eigen telefoon was verdwenen – de politie belde. Het witte busje dat mijn man eerder had zien staan was ook verdwenen.
De twee politievrouwen die kwamen, en tot diep in de middag bij me bleven, zeiden dat ik niet moest doen alsof het niet gebeurd was. Praat erover, zeiden ze. Wel moest ik er rekening mee houden dat mensen me niet zouden geloven. Dat zagen ze vaak: een gebeurtenis die zo ongelooflijk is wordt niet geloofd. Het kan niet waar zijn, dus is het niet waar. En als het wel waar was, dan was het mijn eigen schuld. Mijn vader geloofde me niet. Vrienden? Collega’s? Ik weet het niet. Ik heb lang gewenst dat ik mijn mond had gehouden. Ik zou nog steeds liever mijn mond houden. Ik vraag me af hoeveel vrouwen nog steeds hun mond houden, omdat ze zich kapot schamen. Ik vraag me af hoeveel vrouwen met een deel van hun lichaam geen connectie meer voelen, omdat het ze herinnert aan de doodsangst. Vrouwen die jonger waren dan ik toen het ze overkwam en hun leven nog voor zich hadden.
Source: NRC