Home

Na een misdrijf begeleiden zij slachtoffers en nabestaanden: ‘Het bijstaan van de ouders van een slachtoffer van Robert M. zal ik nooit vergeten’

In de documentairereeks Slachtofferhulp, vanaf woensdag op NPO 2, staat het werk van casemanagers centraal. Na een misdrijf begeleiden ze slachtoffers en nabestaanden, van de keukentafel tot in de rechtszaal. De Volkskrant sprak drie casemanagers. ‘Dit is mijn droombaan.’

is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.

Peter van de Luijster (49)
Arrondissement Noord-Nederland

‘Als casemanager krijg ik te maken met slachtoffers en nabestaanden van de gruwelijkste misdrijven, zoals verkrachting en moord. Veel mensen denken: zoiets gebeurt niet in mijn dorp of stad. Nou, echt wel. Ook bij jou om de hoek, in elke sociale klasse.

‘Door mijn werk is mijn wereldbeeld realistischer geworden, denk ik, maar niet leuker. En ik ben altijd alert. Maar misschien was dat vroeger ook al zo.

‘Toen ik begon, in 2010, was het pionieren. Slachtofferhulp Nederland had net een proefproject achter de rug. Dat was er gekomen op aandringen van lotgenotenorganisaties. Zij hadden laten weten dat nabestaanden van moord en doodslag behoefte hadden aan betere, langdurige, persoonlijke hulp van één man of vrouw.

‘Er zijn nu veertig casemanagers in Nederland, die inmiddels ook slachtoffers en nabestaanden bijstaan van rampen, ongevallen bij bedrijven en in het verkeer, en ernstige gewelds- en zedenmisdrijven.

‘Mijn collega’s en ik werken samen met familierechercheurs, de slachtoffercoördinator van het Openbaar Ministerie, slachtofferadvocaten en – waar nodig – een huisarts, praktijkondersteuner, psycholoog en anderen. Maar wij zijn het aanspreekpunt, van het begin tot het einde, wat meestal de afronding van de rechtszaak is.

‘Onze intensieve een-op-eenbegeleiding is uniek, wereldwijd. In andere landen heb je ook hulpverleners die slachtoffers bijstaan, maar wij staan vaak lang – soms jaren – aan hun zijde. En wij slaan de brug tussen emoties en het juridische traject.

‘Als een misdrijf net heeft plaatsgevonden, is de chaos het grootst en de begeleiding het intensiefst. Maar een rechtszaak is óók zwaar voor veel cliënten, mede omdat die in essentie om de dader draait, en niet om hen. Wij bespreken dit met ze, helpen hen bij het uitoefenen van het spreekrecht en begeleiden ze in de rechtszaal.

‘Er zijn veel zaken die ik nooit zal vergeten. Zoals het bijstaan van de ouders van een slachtoffer van Robert M., die kinderen had misbruikt in kinderdagverblijf ’t Hofnarretje. En het begeleiden van het gezin van grensrechter Richard Nieuwenhuizen in Almere, na zijn gewelddadige dood in 2012. Maar daarover kan ik niet in detail praten, vanwege mijn geheimhoudingsplicht.

‘In Slachtofferhulp zie je hoe ik Anita uit Harlingen bijsta. Over haar zaak kan ik meer vertellen. Anita’s dochter is in 2022 dood gevonden door haar ex-vriend, hangend aan een gordijn. Hij zou haar hangend in het gordijn hebben aangetroffen, en op verzoek van 112 het gordijn hebben doorgesneden.

‘Rouw is rauw. Het is alsof je je huid kwijt bent. Alles komt tien keer zo hard binnen. Ook bij Anita. Wat het voor haar extra lastig maakte, is dat er geen uitgebreid onderzoek is gedaan naar de dood van haar dochter. De politie kwam tot de conclusie dat er sprake was van suïcide.

‘Dat is een mogelijkheid, maar er waren ook rode vlaggen die wijzen op femicide. Meldingen van huiselijk geweld, signalen van dwingende controle: haar dochter mocht geen make-up meer op en werd geïsoleerd van haar familie. Toch heeft de politie haar ex-vriend niet één keer gehoord. Zelfs niet als getuige.

‘Anita had, zoals veel nabestaanden, antwoorden nodig. Wat was er gebeurd? Daarom hebben we samen een forensisch patholoog ingeschakeld, die het dossier heeft bestudeerd. En een advocaat, die een artikel 12-procedure heeft aangespannen, om via de rechter nader onderzoek en vervolging van de ex-vriend af te dwingen. Het heeft helaas weinig opgeleverd.

‘Wat ook bij mijn werk hoort, is ongemakkelijke vragen stellen. Als ik signalen krijg dat cliënten zelfdoding overwegen, stel ik dat aan de orde. In zo’n geval kan ik in overleg de huisarts inschakelen of op z’n minst een familielid op de hoogte stellen.

‘Als wraakgevoelens ter sprake komen, vraag ik ook door. Dan zeg ik bijvoorbeeld: wat zou je precies willen doen met de dader? Dan krijg ik soms vreselijke fantasieën te horen: zijn zaakje eraf snijden, zijn ogen uitsteken. Als mensen zoiets uiten, geeft dat lucht, ruimte in hun hoofd. Het voorkomt dat de druk steeds groter wordt.

‘Als casemanager begeleid ik cliënten, maar ik behandel ze niet. Ik roer niet in gevoelens. Wat ik doe, is zonder oordeel luisteren, uitleg geven over rouw en verlies, en als dat nodig is doorverwijzen naar bijvoorbeeld een psycholoog.

‘Wat ik in vergelijking met een huisarts of psycholoog toevoeg, is dat zo iemand normaliter weinig te maken krijgt met slachtoffers en nabestaanden die zoiets ergs hebben meegemaakt. Terwijl het voor mij dagelijkse praktijk is. Ik heb gemiddeld zeker dertig zaken lopen.

‘Negen jaar geleden heb ik een burn-out gehad. Omdat ik zeven dagen per week, 24 uur per dag aanstond. Vanuit het idee: mijn cliënten hebben het zo zwaar, ik moet alles uit de kast halen. Appjes beantwoordde ik meteen, ook in het weekend. Ik voelde mezelf verantwoordelijk als er ook maar iets misging. Dat kon zo niet langer.

‘Ik leg de lat nog steeds hoog, maar kan mijn werk nu beter loslaten. Ook als iets niet lukt, zoals bij Anita. Mits alles is geprobeerd. Dat valt niet mee, want ik ben heel betrokken. Maar als ik geen emotie meer voel bij een cliënt, kan ik beter stoppen. Dan wordt mijn werk een trucje, een riedeltje dat ik afdraai. En ik weet zeker dat cliënten dat zouden merken.’

Femke van der Linden (44)
Arrondissement Rotterdam en Zeeland-West-Brabant

‘Ik weet nog goed dat ik voor het eerst bij Ysanne op bezoek ging, in Middelburg. Drieënhalf jaar geleden is het, van haar 15-jarige zoon Tim was net afscheid genomen. Hij was met zeventien messteken om het leven gebracht. Alles in haar huis ademde verlies: rouwboeketten, foto’s. Ze was wanhopig, hoe moest ze verder?

‘Het moment dat ik als casemanager voor het eerst zo’n woning binnenstap, is het bijzonderste van mijn werk. Dan is een slachtoffer of nabestaande op zijn kwetsbaarst. Toch delen ze vrijwel altijd meteen hun paniek, angst of woede met me. Dan denk ik: 24 of 48 uur geleden had je nog nooit van me gehoord, nu praten we over je intiemste gevoelens en maak ik het verschil.

‘Huisbezoeken raken me nog steeds, al doe ik dit werk inmiddels zeven jaar. Maar nabestaanden hebben er niets aan als we met ze meesnotteren. Als casemanager moet je luisteren, inventariseren waaraan ze behoefte hebben, praktische vragen beantwoorden, hun belangen behartigen.

‘Wat ik die eerste keer tegen Ysanne zei, probeer ik altijd mee te geven: het voelt nu niet zo, maar uiteindelijk wordt je leven weer anders. Niet per se beter, maar wel anders. In veel gevallen vinden mensen uiteindelijk de weg omhoog en kunnen ze weer op eigen benen staan.

‘Ik vertel het nooit aan cliënten, maar dat weet ik uit eigen ervaring. In 2010 ben ik een kind verloren. Daarna ben ik in een zwart gat terechtgekomen. Toen zei een hulpverlener tegen me: ‘Probeer niet naar morgen te kijken, maar waar zou je over vijf jaar willen staan? Beeld je dat in.’ Dat heb ik gedaan en nu kan ik zeggen dat ik vijf jaar later redelijk op het punt stond waar ik had willen zijn. Er is licht aan het einde van de tunnel. Echt waar.

‘Voordat ik dit interview gaf, heb ik contact gehad met Ysanne. Of ik in de krant mocht terugblikken op haar verhaal, omdat het veel indruk op me heeft gemaakt. Vanaf het moment dat ik haar huis binnenstapte, klikte het namelijk. Onder een deken van verdriet zat een intelligente, sterke vrouw met zelfspot en een bak humor. Ik herkende me in de warmte bij haar thuis, de foto’s die ze liet zien, de manier waarop ze met het verlies omging.

‘Tim was een leuke puber met vrienden, die ging chillen en ineens niet meer thuiskwam, omdat hij was neergestoken. Zomaar. Ik dacht: dit had mijn gezin kunnen zijn, dit had mijn zoons kunnen overkomen.

‘Ter vergelijking: ik sta soms ook nabestaanden bij na een liquidatie in het criminele circuit. Hun wereld kan verder van die van mij af staan. Maar in zo’n geval heb ik ook te maken met iemand die een familielid is verloren, en is het verdriet net zo groot. Natuurlijk doe ik dan even hard mijn best.

‘In de zaak van Tim werden al snel twee verdachten opgepakt, broers van 15 en 17 jaar. Ysanne was bang dat zij vanwege hun jonge leeftijd een lage straf zouden krijgen, omdat ze minderjarig waren. Dat is een van de onderwerpen waarover we veel gesprekken hebben gevoerd. Onderling, maar ook met de officier van justitie.

‘Uiteindelijk kreeg de jongste verdachte een jaar jeugddetentie en jeugd-tbs. De oudste is berecht als volwassene, zoals Ysanne wilde. Hij kreeg volwassen tbs, maar zijn straf was veel lager dan de eis van het OM: geen twaalf, maar twee jaar. Dat was frustrerend. Zeker omdat gaandeweg bleek dat die jongens de moord zorgvuldig hadden gepland.

‘Wat hun motief was, zullen we nooit zeker weten. Volgens de rechtbank is Tim vermoord omdat hij een lening van 50 euro niet had terugbetaald. Maar Ysanne kan zich nauwelijks voorstellen dat dit echt de reden was.

‘Zij heeft steeds gezegd dat de dood van haar zoon niet zinloos mag zijn, dat er ook goede dingen uit moeten voortkomen. Daarom wilde ze iets doen. Tim heeft nog een tijdje in het Sophia Kinderziekenhuis gelegen voordat hij overleed. Daar is zo goed voor hem en haar gezorgd dat Ysanne een doneeractie bedacht. Ze vulde een flink aantal goodiebags met eerste behoeften, zoals een tandenborstel. Voor andere familieleden die ineens naast het bed zitten. Later regelde ze sponsors en werden er meer dingen in die tasjes gestopt, zoals vrolijke sokken.

‘Omdat die sokken in de goodiebag zaten en op tafel lagen, besloot Ysanne die vrolijke sokken zelf ook aan te trekken. Ze dacht dat het misschien zou helpen, op een zware dag. Dus zei ik: kom maar op met die sokken, dan doe ik met je mee. We droegen ze bijvoorbeeld als we naar een zitting gingen. Het was een onderling grapje.

‘Soms draag ik ze nog weleens, ook tijdens mijn werk. Roze sokken met ijsjes erop, gele sokken met kippen en eieren. Ze passen bij mijn stijl: ik vind het belangrijk dat er ook lucht is naast de narigheid.

‘Met Ysanne gaat het nu best goed. Het is een worsteling om het enorme gemis van Tim te combineren met toch weer ergens geluk in vinden. Maar ze gaat dat gevecht elke dag weer aan. Dat vind ik heel knap.’

Sandra Ruiter (52)
Arrondissement Amsterdam en Noord-Holland

‘Voor mijn werk heb ik talloze foto’s van dodelijke slachtoffers gezien, uit strafdossiers. Want bijna al mijn cliënten willen die uiteindelijk bekijken. Omdat ze met vragen blijven zitten, zoals: wat is er precies gebeurd?

‘Als het zover is, beschrijf ik elke foto van het slachtoffer gedetailleerd. Omdat duidelijk moet zijn wat ze kunnen verwachten. Daarna geef ik ze een kleine zwart-witfoto. Gaat dat goed, dan volgt die foto op A4-formaat. Vervolgens kunnen ze hem eventueel in kleur zien.

‘Soms denk ik: deze beelden zijn zo naar, dit kan lastig worden. Laatst nog, toen ik de nabestaande bijstond van een arbeidsongeval. Toen haar man ernstig gewond raakte, was hij vol in beeld van beveiligingscamera’s. Op het filmpje is te zien hoe hij vecht voor zijn leven.

‘De weduwe wilde alles bekijken. Daarna zei ze: ‘Het was afschuwelijk, maar eigenlijk viel het mee.’ Ze had het zich erger voorgesteld: haar hoofd zat vol gruwelijke beelden. Nu wist ze hoe het echt zat, en dat gaf rust. Dat hoor ik vaker. Cliënten hebben eigenlijk nooit spijt van zo’n fotoschouw.

‘Wat ik vaak hoor, is dat mensen denken dat ze gek worden, na zo’n heftig ongeval of een misdrijf. Ineens staat alles op zijn kop. Een nabestaande zei ooit, tijdens onze eerste ontmoeting: ‘Ik ben op een andere planeet beland, en ik ken de regels niet. Jij moet me uitleggen of ik aan de linkerkant moet lopen of aan de rechterkant.’

‘Dat vind ik een mooie metafoor voor de paniek, verwarring en machteloosheid die mensen dan voelen. Ik wijs hun de weg in de chaos, en leg uit dat dit normale reacties zijn op een abnormale gebeurtenis.

‘Als ik cliënten wat langer ken, merk ik vaak dat ze verbaasd zijn over wat ik als casemanager kan betekenen. Een van hen zei laatst: ik had een oud vrouwtje met geitenwollen sokken verwacht die ons een zakdoek zou aangeven, zou vertellen wat we moesten doen en daarna zou vertrekken.

‘Het is jammer, maar dat is soms nog het beeld wat aan Slachtofferhulp Nederland hangt. Misschien is het vroeger zo geweest, toen hier vooral vrijwilligers werkten – die trouwens pittige trainingen krijgen en geweldig werk doen. Maar dat imago is ontzettend achterhaald.

‘Eén keer heb ik zelf hulp nodig gehad. Het ging mis nadat ik op een ochtend een vergaderzaaltje van de politie in was gelopen, voor een overleg. Daar werd ik ineens geconfronteerd met een filmpje van een plaats delict, geprojecteerd op een witte muur. Ik treed niet in detail, maar ik zag veel bloed en meerdere slachtoffers. En ik bleef kijken, want ik bevroor. Omdat ik er niet op voorbereid was, kwam het harder binnen.

‘Mijn volgende afspraak van die dag was bij een weduwe die haar man had verloren, door een steekpartij. We spraken over de fotoschouw die we eerder hadden gedaan, met veel bloederige beelden. Later die middag ging ik naar een familie die een kind had verloren door een verkeersongeluk. Ze wilden praten over hoe ze was aangetroffen op straat.

‘Op weg naar huis dacht ik: de hele dag heb ik bloed gezien en erover gesproken. Ik kon het bijna proeven. Hoe krijg ik dit uit mijn systeem? Door te sporten, dacht ik. Dat helpt altijd. Maar een paar weken later sliep ik nog steeds slecht. Toen heb ik aan de bel getrokken, en ben ik er door EMDR en therapie vrij snel bovenop gekomen.

‘Op verjaardagen zeggen mensen weleens: ‘Ik zou het niet kunnen, zo veel ellende over je heen laten komen.’ Maar zo ervaar ik het niet. Het is niet mijn ellende. Ik help slachtoffers met veel liefde en toewijding, al meer dan zes jaar. Sterker nog, het is mijn droombaan. De sociale kring rond mijn cliënten kan naar hen luisteren en er voor hen zijn. Dat is heel erg belangrijk. Maar ik kan concrete dingen regelen.

‘Laatst had een cliënt een vreselijk zedenmisdrijf meegemaakt in haar woning. Ze kon daar niet meer wonen, na wat er was gebeurd. Maar de verantwoordelijke instantie wilde haar geen nieuwe woning geven. Ik heb dat toch voor elkaar gekregen.

‘Nog een voorbeeld: een nabestaande van een moord zat vast in zijn rouwproces, maar wilde niet naar een psycholoog. Hulp vragen paste niet bij zijn zelfbeeld: hij wilde commando worden. Via LinkedIn heb ik iemand van Defensie gevraagd of hij een keer met mijn cliënt wilde wandelen. Dat hielp enorm; een tijdje later zat die nabestaande toch bij een psycholoog.

‘Sommige mensen denken dat het verdriet na zo’n verlies naar verloop van tijd minder wordt. Ik zou willen dat het waar was. Maar nee. Je moet dat verdriet zien als een bal die in een glazen pot zit. In het begin vult die bal de hele pot. Het is het enige waar je mee bezig bent. Maar uiteindelijk wordt die pot voor de meeste mensen groter. Want het leven groeit als het ware om die bal heen: ze vinden een modus om de draad weer op te pakken.

‘Het is prachtig om te zien hoe slachtoffers en nabestaanden daarin slagen. Die veerkracht moeten zij uiteindelijk zelf weer vinden, maar het is heel mooi en eervol om hen hierbij te helpen.’

Gelijktijdig met de documentaireserie Slachtofferhulp van Elena Lindemans (BNNVara, NPO2, 22.10 uur) verschijnt een podcastserie. Daarin gaat radiomaker Merel Wielaert dieper in op de persoonlijke verhalen van slachtoffers en nabestaanden, die vertellen over de impact van een misdrijf en het belang van langdurige ondersteuning.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next