In zijn laatste jaar als directeur van het Drents Museum kreeg Harry Tupan te maken met de diefstal van het topstuk van een tentoonstelling: de gouden helm van Coțofenești, in bruikleen uit Roemenië. ‘Als ik hierover praat, voel ik nog steeds een steen op mijn maag.’
is kunstredacteur van de Volkskrant.
Het begon met een teleurstelling. Eind jaren zeventig, op zijn eerste stagedag, trof Harry Tupan (66) de museummedewerker met wie hij een afspraak had niet aan. Toen vertrok hij maar weer. Wat Tupan toen dacht over het Drents Museum? ‘Nou, mooie boel hier.’
Tupan is een Drent, hij komt uit Hoogeveen. In Leiden had hij museologie gestudeerd en aan de Rijksuniversiteit in Groningen kunstgeschiedenis, architectuurgeschiedenis en archeologie. Hij liet zich door die aanvankelijke domper niet ontmoedigen. Tupan kwam terug. Sterker nog, hij is gebleven. Op 1 april 1980 was zijn eerste officiële werkdag als conservator op de historische afdeling. Het Drents Museum in Assen was toen aanzienlijk kleiner dan nu, in gebouw en in bereik. Het museum ontving zo’n dertigduizend bezoekers per jaar en was nog onderdeel van de provincie.
Tupan klom op tot museumdirecteur, ‘een waanzinnig mooi beroep’. Het museum breidde zich de afgelopen decennia uit en verzelfstandigde. Recentelijk werden bezoekersaantallen van 170 duizend per jaar genoteerd. Er waren bijzondere aanwinsten, zoals drie schilderijen van Van Gogh – de bijbehorende champagnekurken kregen een ereplek in de boekenkast. En onder Tupans leiding programmeerde het museum tentoonstellingen met spectaculaire internationale bruiklenen uit de hele wereld.
Zou u het aanraden, zo’n lange loopbaan bij een museum?
‘Weet je wat het is? Je moet zelf iets van je leven maken. Het is zo onuitputtelijk hier in het museum, wat er allemaal te doen is. Ik zou het aanraden. Je moet je er natuurlijk wel gelukkig bij voelen. En dat voel ik me, tot het allerlaatst.’
Tupan, die begin september met pensioen gaat, had niet verwacht ooit een diefstal mee te maken: ‘Natuurlijk lopen we altijd alle protocollen en richtlijnen na, van de verzekeraar, van de bruikleengevers. Dat doen we omdat ons spullen worden toevertrouwd, daar moeten we goed voor zorgen. Maar ja, een bom, daar hou je natuurlijk geen rekening mee.’
In de nacht van 24 op 25 januari ging het mis. Hij werd wakker gebeld door het hoofd van de beveiliging. Dat telefoongesprek was kort: ‘Het enige dat ik wist was: er is een bom ontploft, er is ingebroken en de helm mist.’
Voor de tentoonstelling Dacië – Rijk van goud en zilver waren meer dan zeshonderd objecten uit vijftien Roemeense musea naar Assen gekomen. De ontbrekende helm van Coțofenești, gemaakt van bijna puur goud, is ongeveer 2.500 jaar oud. Dit topstuk stond op de posters waarmee het museum de archeologische tentoonstelling onder de aandacht bracht.
Tupan was die nacht in Brussel en is ‘als een gek’ naar Assen gereden. Daar bekeek hij de ravage: ‘Het is haast niet te beschrijven wat het effect van zo’n bom is, een enorme puinhoop was het.’
Vervolgens moest hij Ernest Oberländer-Târnoveanu informeren, de directeur van het Nationaal Historisch Museum van Boekarest en medesamensteller van de tentoonstelling. ‘Verschrikkelijk’, zegt Tupan, ‘we waren allebei verbijsterd.’ Naast de helm bleken drie gouden armbanden gestolen. De stukken zijn nog niet teruggevonden, wel heeft de politie zeven verdachten opgepakt.
Hoe vaak komt de diefstal nog ter sprake?
‘Voortdurend. Bijvoorbeeld op straat hier in Assen vragen mensen er steeds naar. In het begin vond ik dat heel moeilijk. Ik was nog overmand door emotie en wist niet zo goed wat ik wel en niet mocht en kon vertellen. Het Openbaar Ministerie en onze verzekeraar hadden uitgelegd dat we zo min mogelijk informatie mochten delen. Maar de journalisten stonden natuurlijk in de rij. Ik had tien keer in elk tv-programma kunnen gaan zitten.’
U werd ook ter verantwoording geroepen. Een van de publieke sentimenten was: waarom was er geen beveiliger in de nacht?
‘Wij doen dat in Nederland niet, ’s nachts een bewaker in een museum. En ik ben blij dat we dat niet hebben gedaan. Anders hadden we nu een collega minder gehad, vrees ik. Die verwijten waren heel erg, voor de Roemeense collega’s en voor mijn collega’s hier. We hebben destijds advies gevraagd aan een media-expert. Alles wat ik zou zeggen werd namelijk onder een vergrootglas gelegd en ik wilde het niet erger maken. Gelukkig kregen we ook veel steun, ik heb echt hartverwarmende berichten gekregen van andere musea.’
NRC sprak een beveiligingsexpert die een nogal vernietigende mening klaar had over de beveiliging. Heeft u op hem gereageerd?
‘Nee, ik heb verstandige mensen om me heen, die mij dat hebben afgeraden. Het heeft geen zin. Ik hoef mijn gelijk niet te halen. Ik wil gewoon die spullen terug. Ik hoop echt, nu jij weer hierover schrijft, dat dit een aanleiding kan zijn voor mensen die iets hebben gezien of iets weten. Zeg het, alsjeblieft.
‘Als ik hierover praat, voel ik nog steeds een steen op mijn maag, van wat de roof betekent voor onze collega’s in Roemenië, voor Ernest Oberländer-Târnoveanu en voor alle Roemenen. Het gaat om cultuur, om geschiedenis, om dragende objecten van een land. Dit wens je niemand toe. Ik zou willen dat ik het kon terugdraaien, maar dat ligt niet in mijn vermogen. Ik had het ook niet kunnen voorkomen.’
Dat laatste werd kortgeleden bevestigd door de verzekeraar: ‘We hebben te horen gekregen dat dit voorval is gedekt. Dat betekent dat we aan hun voorwaarden hebben voldaan. Dat is een pak van mijn hart.’
Als het gesprek plaatsvindt, heeft Tupan nog een paar werkweken als museumdirecteur te gaan: ‘Mijn agenda knalt uit zijn voegen, ik heb geen minuut tijd.’ Aan de toon waarop hij dit zegt, is te merken dat hij die drukte helemaal niet vervelend vindt: ‘Ik heb een enorme drive, ik ben gewend om 24/7 voor dit museum te werken.’ In het gesprek onderbreekt hij zichzelf een keer: ‘Ik ben ongeduldig hè? Misschien hoor je het aan hoe ik praat, ik ben heel snel.’
Over zijn eerste werkdag op de historische afdeling heeft Tupan een anekdote. Hij mocht mee met de boekhouder om in een kantoorwinkel zijn eigen spullen uit te kiezen. ‘Ik was een snotaap en toen zat ik daar ineens aan mijn eigen bureau met een eigen nietmachine. Daar verwonderde ik me over.’
Die ‘snotaap’ kreeg in het museum veel kansen, vindt Tupan: ‘Ze dachten: dat is eigenlijk wel leuk, zo’n wildebras, laat die maar lekker uitrazen. Ik mocht ineens allemaal mooie dingen doen.’ Zo organiseerde Tupan reizende tentoonstellingen en zocht hij samenwerking met andere musea in binnen- en buitenland. Hij werd ‘hoofd commerciële zaken’, een nieuwe functie die hij zelf had verzonnen en die helemaal in de tijdgeest paste.
Rick van der Ploeg, de PvdA-politicus die staatssecretaris van Cultuur en Media was tussen 1998 en 2002, verwachtte namelijk van de sector ‘cultureel ondernemerschap’. Daar werd sceptisch op gereageerd, zag Tupan: ‘Iedereen was verontwaardigd: ‘Wij? Cultureel ondernemen?’ Maar hier hebben we dat gelijk opgepakt. Daar werd gek tegenaan gekeken. ‘Die commerciële jongens uit Assen’, hadden ze het dan over. We zijn ook ‘cowboys uit het Hoge Noorden’ genoemd. Wat ik juist een mooie geuzennaam vind.’
Onder Tupans leiding wist het museum onvoorstelbare bruiklenen voor elkaar te krijgen. Zo werd in 2008 het beroemde Terracottaleger van Xi’an uit China tentoongesteld in Assen. De Dode Zeerollen kwamen in 2013 naar het museum. En in 2021 waren kunstwerken en persoonlijke objecten uit twee belangrijke collecties van Frida Kahlo uit Mexico te zien.
Toen Andreas Bluhm directeur was van het Groninger Museum, zei hij: ‘Als directeur van een museum in de provincie moet je veel harder schreeuwen dan collega’s in de Randstad, anders komen de mensen niet.’ Herkent u dat?
‘Als mensen weten wat ze kunnen verwachten, dan hoef je niet hard te roeptoeteren. Als je de kwaliteit maar waarborgt. Kunstliefhebbers kennen onze internationale tentoonstellingen. En trouwens, als ik in het buitenland moet uitleggen waar Assen ligt, zeg ik: ‘Very close to Amsterdam, only two hours by train.’ Dat vindt iedereen dan inderdaad heel dichtbij.’
Tijdens het gesprek wordt Tupans afscheidstentoonstelling Microkosmos – De wereld in een Wunderkammer opgebouwd. Een wonderkamer-opstelling met kunst, archeologische objecten en rariteiten.
Ook de museumdirecteur leent spullen uit voor die tentoonstelling. Zijn vaders familie komt uit Indonesië en van de Molukken en nam bijvoorbeeld een opgezette paradijsvogel mee, die straks in Microkosmos is te zien.
Bovendien is Tupan zelf een verzamelaar. Aan de muur achter zijn bureau hangt bijvoorbeeld een vitrinekast vol drumstokjes, die hij bemachtigde van drummers van bands als Skik, De Dijk en Bløf.
Hoe bent u ooit begonnen met verzamelen? Was u een kind dat postzegels spaarde?
‘Nee, geen postzegels. Ik kom uit Hoogeveen, we woonden aan de rand van het bos. Daar zochten we schedels van dieren. En vroeger mocht je nog eieren zoeken, dat mag nu allang niet meer. Ik heb nog steeds een schoenendoos met eitjes. Zo is het allemaal begonnen, daar komt mijn fascinatie voor schoonheid vandaan.’
Ik begreep dat u niet alles bewaart. U had ooit een verzameling archeologische pijpjes en toen u de verzameling compleet vond, deed u ze weer weg.
‘Dat klopt, als iets afgerond en klaar is, dan heb ik er geen interesse meer in. Daar hecht ik dan ook niet aan.’
Maar dat geldt volgens mij niet voor deze baan als museumdirecteur?
‘Nee. Maar daarin moet je een realist zijn. Er komt voor ons allemaal een moment dat je moet stoppen. En er komen nieuwe uitdagingen. Dat moet wel, anders ga ik me vervelen. De raad van toezicht heeft me gevraagd om nog twee jaar internationale tentoonstellingen te programmeren. Daar was ik heel blij mee.’
Wat is er volgens u voor nodig om internationale bruiklenen voor elkaar te krijgen?
‘Drie dingen: enthousiasme, betrouwbaarheid en een uitgebreid netwerk.’
Heeft die betrouwbaarheid door de roof een deuk opgelopen?
‘Daar was ik natuurlijk bang voor. Ik was heel recentelijk in Azië voor een toekomstige tentoonstelling, waar ik nu helaas verder nog niks over kan vertellen. Ik had een afspraak met de directie van een groot museum en iemand van het ministerie. Toen moest ik eerlijk vertellen dat in ons museum iets verschrikkelijks is gebeurd. Ik dacht: daarna kan ik misschien meteen het vliegtuig terugnemen. Maar ze zeiden: ‘O, dat hebben we allang gelezen hoor.’ En ze gingen over tot de orde van de dag.
‘Daar was ik verbaasd over. Voor veel andere mensen is het kennelijk al voorbij. Voor ons voelt dat niet zo. Bij ons zit het allemaal nog heel diep. We pakken heus de draad weer op, maar dit laat een enorm litteken achter.’
Microkosmos – De wereld in een Wunderkammer. Drents Museum, Assen, 6/9 t/m 1/3
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant