Er is op dit moment veel behoefte aan humanisme in de wereld, dus ik had wel zin het laatste verschenen deeltje in de reeks ‘Elementaire deeltjes’ te lezen: Humanisme van Daan Bronkhorst. Bronkhorst zet helder uiteen wat humanisme op allerlei vlakken kan betekenen: vrijheid en waardigheid voor het individu, zorg voor elkaar en de wereld, geen (religieuze) dogma’s, persoonlijke ontplooiing en gelijkheid.
Het gekke is: ik was het met alles eens en vond het allemaal erg onbevredigend. Gelijke rechten, gelijkwaardigheid, persoonlijke bloei en autonome keuzes, mooi ja, in een wereld die niet bestaat. Natuurlijk is humanisme een ideaal, dat snap ik ook wel, en zonder ideaal komen we nergens. Maar het is net of het allemaal té redelijk en té helder is. Of men serieus denkt dat goede afspraken zouden moeten volstaan.
Misschien is dat waarom je het kunt onderschrijven zonder dat je je er aan kunt overgeven. Het is te schraal.
Ik dacht aan dat gedicht van Ida Gerhardt, ‘Psyche’, over een vlinder die ze ziet worstelen om uit zijn cocon te komen: ‘Ik wist niet dat het zó begon,/ zó deerlijk’. Ze schaamt zich, tegenover God, dat ze ernaar heeft gekeken. En ze eindigt het gedicht met: ‘Het was een schepsel in uw licht’.
Het wonderlijke is: dat lijkt me veel dieper aan te gaan, zonder dat ik Gerhardts geloof deel. Maar blijkbaar hoeft dat ook niet, blijkbaar zijn de woorden voldoende om een beeld te scheppen voor iets wat menselijke afspraken overstijgt.
Het is moeilijk uit te leggen wat dat is, zonder in vage taal te vervallen. Maar denk bijvoorbeeld aan Gaza, of ook aan de gruwelijkheden gepleegd door Hamas op die oktoberdag – de ontzetting die je erover bevangt gaat veel verder dan die over het schenden van iets dat redelijk en juist is. Er wordt iets groters geschonden; wat daar gedaan wordt, doet schade aan de ziel, van daders, slachtoffers en eigenlijk van alle mensen. Het woord ‘ziel’ komt in dit boekje niet voor, dat is een begrip waar humanisme niets mee kan.
In het beste van wat godsdiensten voorschrijven, zijn ze niet heel anders dan humanisten, ze prediken ook rechtvaardigheid en zorgzaamheid, mededogen en respect – al wil er wel eens wat haperen als het gaat over het respect dat ongelovigen of afvalligen verdienen. Daarnaast erkennen religies het kwaad, een begrip waar humanisten niet veel van moeten hebben omdat het ze, dat is te begrijpen, te metafysisch is.
Religies zijn, dat is belangrijk, verhalend. Humanisme ook wel in zekere zin – de wereldliteratuur staat ter beschikking. Maar dat kun je moeilijk de humanistische bijbel of bibliotheek noemen. In veel literatuur wordt nu juist wél ruimte gelaten voor precies dat wat in dit boekje ontbreekt, en dat ligt niet aan de auteur maar aan de uitgangspunten van het humanisme, namelijk de dimensie van het ongrijpbare, van dat wat zich buiten de ratio afspeelt, het verlangen van mensen in iets te geloven. Die dimensie is niet nodig om de mensenrechten hoog te houden, dus er valt niets te klagen. Toch is het of religies beter begrijpen dat het menselijk tekort niet door mensen kan worden opgeheven, dat we onszelf niet kunnen ‘verlossen’, wat dat dan ook mag betekenen. Dat ze daarom iets open houden, iets wat wat mij betreft bij voorkeur zo min mogelijk gedefinieerd wordt, waarop je je kunt richten, om zo groter of ruimer te worden dan je bent.
Humanisten noemen dat ‘zelfontplooiing’. Maar dat bedoel ik niet. Ik bedoel woorden en beelden voor wat dan maar het mysterie moet heten: ‘Het was een schepsel in uw licht’.
Source: NRC