HH en Hisham Bin Al bin Amor Sliti | Oud-gevangenen Guantánamo Bay Twaalf Tunesiërs zaten jarenlang vast in het Amerikaanse detentiekamp, zonder proces. Twee van hen spreken over hun tijd voor, tijdens en na hun gevangenschap. „Zodra een werkgever hoort over Guantánamo, lig ik eruit.”
Gevangenen in oranje kleding worden bewaakt door militaire politie terwijl ze wachten op een lichamelijk onderzoek voor ze in hechtenis worden genomen in Guantánamo Bay, in januari 2002.
Afgezien van een kortaf „dag” doet de man geen moeite om de stilte op te vullen. Hij zit op de stoel voor het rommelige bureau van zijn advocaat, met een star gezicht en met zijn dossier stevig in de handen geklemd. Af en toe bladert hij door de blauwe transparante map: de officiële documenten met handtekeningen en stempels vatten dertien jaar strijd samen om zijn onschuld te bewijzen tegenover de Tunesische staat, die hem als potentiële terrorist brandmerkte.
HH, die vanwege zijn rechtszaken alleen met zijn initialen in de krant wil, zat tien jaar lang onschuldig vast in Guantánamo Bay, het detentiecentrum dat de Verenigde Staten na de aanslagen van 11 september 2001 opzetten om „vijandelijke strijders” vast te houden tijdens de wereldwijde ‘oorlog tegen het terrorisme’. Al sinds 2012 is hij weer terug in Tunesië. „Maar het houdt nooit op.”
Vijf maanden na zijn terugkeer stormden politiemannen midden in de nacht zijn huis in Tunis binnen. Enkele minuten later keken de buren in pyjama toe hoe HH geboeid en in onderbroek een politieauto in werd geduwd. Tegen de ochtend werd hij weer vrijgelaten. Waarom? Hij heeft geen idee.
HH (inmiddels halverwege de vijftig) voelt zich „van binnen stuk”. Er zijn plekken in zijn geheugen waar hij liever niet komt. Met een psychiater praat hij over zijn depressies, van hem „hoeft het leven niet meer”. ’s Ochtends wordt hij wakker met een dichtgesnoerde keel, bang dat opnieuw politieagenten zullen opduiken; dat er weer een dagvaarding op de deurmat ploft; dat zijn huisbaas zijn verleden ontdekt.
„Soms zou ik liever terug willen naar Guantánamo Bay.”
HH kan het niet opbrengen om te vertellen over zijn ouders, zijn schooltijd of het boerendorp in Noordwest-Tunesië waar hij opgroeide. Dat hij rond zijn twintigste werk vond op een boerderij in Zuid-Italië, daarna aan de slag ging in een fabriek in Bologna en daar uiteindelijk een eigen bedrijfje oprichtte, vindt hij wel weer relevant. Later ontdooit hij en sijpelen meer herinneringen door. Hoe hij verzeild raakte in het nachtleven van Bologna. En die vriend die hem introduceerde bij Tablighi Jamaat, ook bekend als ‘Islamitische Jehova’s’. Zijn netwerk in de moskee en het vrijwilligerswerk dat hij daar deed, zijn belangrijk voor hem: hier voelde hij zich thuis.
Rond 1992, vlak na het uitbreken van de burgeroorlog in Joegoslavië, doet HH een paar maanden liefdadigheidswerk in Bosnië met Tablighi Jamaat. Bij terugkeer in Italië voelt hij zich niet meer op zijn gemak. Onveilig. Vrienden en bekenden verdwijnen in de gevangenis. Het land voert, als een van de eerste Europese staten, de strijd op tegen jihadistische netwerken. Op een dag belt zijn advocaat met het verhaal dat Italiaanse agenten zijn huis in Bologna overhoop hadden gehaald. Of HH ergens anders terecht kan. Zeker niet bij zijn familie in Tunesië onder de verstikkende dictatuur van autocraat Ben-Ali, besluit hij. In zijn moskee komen veel Pakistanen met goede verhalen over hun vaderland. Moslims zouden er veilig zijn. Met een halsoverkop geregeld vals paspoort vertrekt hij.
Maar in Peshawar, in Noordwest-Pakistan, verliest HH de controle over zijn leven. „Er heerste het beeld dat alle Arabieren uit de Golfstaten komen en dus levende geldautomaten zijn. Je kon elk moment gearresteerd worden en dan moest je jezelf tegen enorme bedragen vrijkopen. Uit angst bleef ik zoveel mogelijk thuis.”
Door een huwelijk met de zestienjarige dochter van een Tunesische vriend in Peshawar hoopt HH zijn situatie te kunnen stabiliseren. Uitstapjes beperken zich tot bezoeken aan de dichtstbijzijnde moskee. Tablighi Jamaat laat hij links liggen. „We leidden een geïsoleerd bestaan.”
Onder strijders van Al-Qaida circuleerden intussen al vanaf 1999 plannen voor een „vliegtuigoperatie”. Twee jaar later deelde Al-Qaida-leider Osama bin Laden vanuit Afghanistan, enkele honderden kilometers van Peshawar, in grote lijnen de plannen voor een aanval met zijn Shura-raad (het bestuur van Al-Qaida): vier vliegtuigen, twee burgerdoelen, twee overheidsdoelen.
HH hoorde pas enkele dagen na 11 september 2001 voor het eerst van de aanslagen. „Ik sprak de taal niet. Iemand liet me een foto in de krant zien.”
Kort na ‘9/11’ kondigt president Bush de wereldwijde oorlog tegen terreur aan. Amerikaanse helikopters droppen folders boven Afghaanse en Pakistaanse steden die „miljoenen dollars” bieden aan iedereen die een strijder van Al-Qaida of haar bondgenoot de Taliban aangeeft. HH maakt zich geen grote zorgen; hij heeft toch niets te verbergen? Achteraf noemt hij zijn arrestatie „een valstrik”. De politiemannen leken vriendelijk en hun voorstel om hem en zijn vrouw „ter bescherming” onder te brengen in Lahore, zes uur rijden van Peshawar, klonk als een uitkomst.
Maanden later belandt hij in de CIA-gevangenis bij Bagram in Afghanistan. „Nog elke dag zie ik scènes voor me. Hoe ze een blinddoek om mijn ogen bonden en op de onderkant van mijn voeten sloegen. Hoe steeds dezelfde plek op mijn rug werd geraakt. Ik zat poedelnaakt in een verhoorcel. De honger.”
Over Guantánamo Bay, het Amerikaanse detentiekamp op Cuba, hoort HH in de tussentijd van medegedetineerden die Engels spreken en contact hebben met bewakers. Wat hem zelf het meest is bijgebleven uit die tijd: om de twintig minuten, ook ’s nachts, bonsden bewakers op de celdeur. Dan riepen ze je nummer. „Kijken of je nog leeft”, noemden ze dat. „Slapen was onmogelijk, soms viel ik bijna in slaap boven mijn ontbijtkom.”
Het voormalige kamp X-Ray, waar de eerste gevangenen van Guantánamo arriveerden in januari 2002. Foto Magdalena Miriam Tröndle/DPA
Met HH zitten er bij elkaar twaalf Tunesiërs gevangen in Guantánamo Bay, op een totaal van 780 gedetineerden. Van hen worden er uiteindelijk slechts negen aangeklaagd bij het militaire tribunaal op beschuldiging van oorlogsmisdaden, onder wie geen enkele Tunesiër.
Op de luchtplaats van het Amerikaanse detentiekamp trekken de Tunesiërs naar elkaar toe. HH raakt bevriend met Hisham bin Ali bin Amor Sliti, iets ouder dan hij en afkomstig uit Hammam Lif, een kustplaats bij Tunis. Daar was hij technicus voor het leger en daarna reddingswerker op het strand. Zoekend naar meer zekerheid vertrekt hij, net als HH, naar Italië, Tunesiërs hadden toen nog geen visum nodig. Maar na een serie tegenslagen belandt Sliti in de drugshandel en uiteindelijk voor elf maanden in een Italiaanse cel. Eenmaal vrij stuurt familie hem naar een neef in Brussel. Als die neef op een dag zijn familie meeneemt naar Afghanistan, reist Sliti met hen mee.
Bombardementen, vechtpartijen, geconfisqueerde huizen: Afghanistan is na de aanslagen van 11 september 2001 „een grote chaos”, vertelt Sliti, die inmiddels met zijn vrouw in Slowakije woont, via WhatsApp. „Net als iedereen wilde ik zo snel mogelijk weg.”
Oud-gevangene Hisham bin Ali bin Amor Sliti op 11 september 2021 in zijn appartement in Slowakije. Foto Salwan Georges/The Washington Post via Getty Images
Via via vindt hij een smokkelaar die hem en enkele andere buitenlanders voor een paar honderd dollar over de bergen loodst, naar een dorpje in Pakistan. Op een ochtend staan daar bij de moskee Pakistaanse politiemannen die Sliti en zijn Arabische vrienden ‘bescherming’ bieden.
Die ochtend begint zijn nachtmerrie. „Al voor mijn eerste verhoor in een Pakistaanse gevangenentent trapte een Amerikaanse bewaker met zijn knie tegen mijn hoofd: twee tanden eruit.” Daarna wordt hij naar een Amerikaanse gevangenis in Kandahar gebracht. „Slapen of zitten mocht niet. Ik kreeg een emmer om in te plassen. Stiekem probeerde ik af en toe daarop uit te rusten.”
De ondervragers zijn niet erg ervaren, zal Mark Fallon, plaatsvervangend commandant van Guantánamo’s Criminal Investigation Task Force, later schrijven in zijn – zwaar gecensureerde – memoires Unjustifiable Means. „Elke mislukte ondervraging werd gezien als bewijs dat de gevangenen lid van Al-Qaida waren en de methodes dankzij hun training konden doorstaan”, schrijft Fallon.
„Ze lieten tientallen verhoormethoden op ons los”, vertelt Sliti. „Vrouwelijke ondervragers die zich uitkleedden, met hun lichamen tegen ons aanwreven en dreigden ons te verkrachten. Brieven van familieleden waarvan het grootste deel was zwartgelakt. Of toestemming beloven voor een kort videogesprek, zodat je gaat praten om familieleden te zien.”
„De onzekerheid dat je nooit wist wat er de volgende dag ging gebeuren, vond ik het zwaarst”, vertelt HH. „Acht jaar lang mocht ik met geen enkel familielid contact hebben. De mij toegewezen advocaten waren machteloos.” HH en Sliti werden nooit formeel aangeklaagd, maar uit rapporten valt op te maken dat ze beide beschuldigd werden van lidmaatschap van Al-Qaida. Beide ontkennen dat.
Onderwijl vond Sliti houvast in zijn geloof. „God heeft deze weg voor mij gekozen. Moeilijke perioden zijn er om van te leren.” De belangrijkste les is volgens hem dat rechtvaardigheid niet bestaat. „Maar ik ben de Amerikanen niet gaan haten. Zij zijn niet verantwoordelijk voor de daden van hun president.”
In juni 2007 melden de Amerikaanse autoriteiten dat tachtig gedetineerden, onder wie HH en twee andere Tunesiërs, kunnen worden vrijgelaten of overgeplaatst. HH weigert. Hij gelooft niet dat de dan in Tunesië regerende autocraat Zine al-Bedine Ben Ali voormalige Guantánamo Bay-gevangenen goedgezind is. Hij krijgt gelijk: twee Tunesiërs die wel besluiten te gaan, worden bij aankomst direct overgebracht naar een Tunesische gevangenis en zullen later verklaren dat ze „terug naar Guantánamo Bay” willen.
Drie jaar later gaat HH akkoord met overplaatsing naar Georgië. In 2012, enkele maanden na de val van Ben Ali door de volksopstand die bekend wordt als de Arabische lente, regelt hij een terugkeer naar Tunesië.
Demonstranten bij het Amerikaanse Hooggerechtshof dringen in januari 2017 aan op de sluiting van Guantánamo Bay, een belofte van president Obama tijdens zijn eerste campagne. Foto Michael Reynolds/EPA
Sliti gaat naar Slowakije, naast Georgië een van de andere landen waarmee de VS afspraken maken over de opvang van voormalige Guantánamo Bay-gevangenen. Daar zitten nu nog vijftien mannen gevangen. De reis naar Midden-Europa valt tegen. „Moet je je voorstellen: achttien uur zat ik vastgeketend. Ik dacht dat ik stikte.” Sliti heeft nog steeds een reisverbod en is financieel afhankelijk van zijn vrouw. „Zodra een werkgever hoort over Guantánamo, lig ik eruit”.
HH staat in Tunesië nog steeds op de lijst van potentiële terreurverdachten en voelt zich aangeschoten wild. Tot nu toe verloor de staat elk proces dat hij en zijn advocaat daartegen aanspanden, maar dat lost niets op. „Ze lappen alle uitspraken aan hun laars.”
Laatst plukten Slowaakse politieagenten Sliti ineens van straat. Ze dachten dat er een internationaal opsporingsbevel tegen hem liep. „Bij de Tunesische kustwacht redde ik levens”, zegt Sliti, „en nu zou ik tientallen onschuldige mensen hebben vermoord. Maar als dat zo was, dan zou toch geen enkel Europees land mij hebben geaccepteerd?”
Source: NRC