Home

‘Ik was een ouwe vrijster, ik trouwde pas toen ik 27 was. Al had ik voor die tijd wel minnaars’

De 100-jarige Yvette Morin woonde tot haar eerste communie op een kostschool en was 14 toen de Duitsers haar geboorteplaats Saint-Malo bezetten. Hoe kijkt de Française terug op de eeuw die achter haar ligt?

is correspondent Frankrijk van de Volkskrant. Ze woont in Parijs.

Op haar 100ste verjaardag zag Yvette Morin hoe de Duitsers over de hoofdstraat van Saint-Malo de stad binnenmarcheerden. Het was alsof ze naar een film keek, met beelden uit een leven dat ze zelf had geleefd. 14 jaar was ze toen de Bretonse vestingstad door de Duitsers werd ingenomen en tot belangrijke uitvalsbasis werd gemaakt. Plots waren de herinneringen daaraan levendig terug.

Dat hoort bij haar oogziekte, legt zoon Vincent uit. Sinds vijftien jaar lijdt ze aan maculadegeneratie, een aandoening die geleidelijk het zicht aantast in het midden van het netvlies. De hersenen vangen het gebrek aan beelden op met levensechte hallucinaties. Morin: ‘Een tijdlang had ik hier ineens een poes in huis.’

Ondanks haar beperkte zicht woont de Française, geboren en getogen in Saint-Malo, nog altijd in het huis dat zij en haar man er in 1970 lieten bouwen. Morin woont zelfstandig, haar man is dertig jaar geleden overleden. Het is een prachtig vrijstaand huis, aan alle kanten omringd door bloemen. Ze krijgt hulp van een schoonmaakster, en Vincent doet haar financiën vanwege haar beperkte zicht. ‘Verder wil ze nauwelijks van hulp weten’, fluistert haar zoon.

Hoe ziet uw dagelijks leven eruit?

‘Ik heb mijn handen vol aan de gewone dingen: ik denk na over het menu en doe zelf mijn boodschappen op de markt. Iedere dag maak ik een klein voorgerecht en een plat de résistance, daar heb ik plezier in.

‘Op donderdag heb ik mijn uitje naar de binnenstad. Ik kan mijn armen niet meer goed optillen, zelf mijn haar wassen lukt niet meer. Dus ga ik iedere week met de bus naar de kapper voor wassen en watergolven. Met verven wilde ik eigenlijk ophouden, maar iemand zei me dat het zo’n mooie kleur was.’

Is het belangrijk voor u om er verzorgd uit te zien?

‘Ik heb mezelf nooit mooi gevonden, mijn zusje was veel knapper. Maar ik ging altijd goed gekleed, mijn moeder had daar duidelijke ideeën over. Goede smaak zit er bij ons van nature in. Vroeger wilde ik mode studeren in Parijs, ik tekende eindeloos veel kleding. Mijn vader moest niets hebben van die plannen. Het was de tijd van de bezetting, ik zou in Saint-Malo blijven.’

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Saint-Malo een belangrijk bolwerk voor de Duitse bezetters, als onderdeel van de Atlantikwall, een meer dan 5.000 kilometer lange verdedigingslinie langs de Europese westkust.

U was 14 toen de Duitsers Saint-Malo bezetten. Wat herinnert u zich van die tijd?

‘Mijn indruk is dat ze ervan genoten in Saint-Malo te zijn. De soldaten flaneerden over de dijk, lagen uitgestrekt op het strand. Ze zwommen, ze dansten, en dan waren er nog de meisjes en de romances.

‘Mijn moeder runde een hotel-restaurant, Ma Campagne. Thuisblijven was niets voor haar, en van mijn opa had ze leren koken. Haar zaak bleef ondanks de bezetting geopend, tot vreugde van de jeugd. Om 9 uur ging de avondklok in. Wie dan nog binnen was, moest tot in de vroege ochtend blijven dansen.’

Wat merkte u van de oorlog?

‘Mijn blik op die tijd is oppervlakkig, ik begreep het hoe en waarom van de dingen niet. De eerste keer dat de soldaten het café binnenkwamen, vond ik wel eng, omdat we nare dingen over ze hadden gehoord.

‘Op een avond kwamen de Duitsers hun surveillanceronde doen. Binnen was een bruiloftsfeest in volle gang, compleet met orkest. ‘Als ze u vragen om te dansen, gehoorzaamt u’, drukte mijn moeder de bruid op het hart. Zo is het gegaan. De Duitsers dansten met de bruid en zijn tevreden weer vertrokken.

‘Om Saint-Malo te bevrijden, werd de stad in augustus 1944 zwaar gebombardeerd. Mijn zusje en ik werden naar een nicht in Cancale gestuurd, waar we zouden schuilen tot het gevaar was geweken. We mochten niet naar buiten, maar gingen stiekem naar de mis. Het verhaal ging ook daar al rond dat de bevrijding ophanden was. Aan de kerkklokken werd een Franse vlag gehesen. Maar de Duitsers bleken nog niet vertrokken en openden het vuur.’

De zusjes Morin renden ervandoor en ontkwamen aan een bloedbad. De man en de dochter van de nicht bij wie ze verbleven, kwamen met nog 32 anderen om het leven.

‘Er was geen tijd om op adem te komen. We gingen terug naar Saint-Malo, waar de Duitsers de sluizen hadden opgeblazen. De haven was zwaar beschadigd. Mijn vader was kapitein op een sleepboot en moest helpen de doorgang vrij te maken. De havencommandant zag me bij mijn vader staan en zei: die jongedame gaat hier aan de slag.’

Wat voor werk ging u doen?

‘Tijdens de oorlog had ik voor stenodactylo geleerd (een typist gespecialiseerd in snelschrift, red.). Ik werd secretaresse van de directeur maritieme zaken in Saint-Malo, die over alles rond visserij, de zee en de zeevaart gaat. Daarbij kreeg ik ook staatsgeheime informatie onder ogen. Voor mijn werk heb ik de Nationale Orde van Verdienste gekregen. Maar ik heb geen idee waaraan ik dat heb verdiend.’

Morin dwaalt door haar herinneringen alsof ze bladert in een fotoboek, met grote sprongen in de tijd. Soms heeft ze er een beeld bij, soms heeft de mentale foto losgelaten en rest alleen een onderschrift.

Een van die losse beelden is van een Canadees vliegtuig dat langzaam in zee stort terwijl ze met een vriendin op de dijk staat te kijken naar de bombardementen op Cézembre, een onbewoond eiland voor de kust van Saint-Malo. De Duitsers hadden er een militaire basis gebouwd. ‘Saint-Malo was al bevrijd, maar van moeder mocht ik eigenlijk niet op de dijk komen. De Duitsers konden ons vanaf het eiland beschieten.’

Eind jaren negentig begonnen twee amateurduikers een zoektocht naar het wrak van het vliegtuig. Op een avond over oorlogsherinneringen vroeg men naar ooggetuigen van de vliegtuigramp. ‘Ik bleek de enige te zijn. Later werd ik daarover geïnterviewd. Twintig jaar later (in 2019, red.) werd het vliegtuig teruggevonden.’

Wat is de belangrijkste les die u in uw leven heeft geleerd?

‘Je moet geheimen kunnen bewaren. In mijn werk zag ik veel dingen voorbijkomen, maar ik heb het nooit in mijn hoofd gehaald daarover te spreken. Privé is dat ook belangrijk: vertel niet te pas en te onpas. Ik maak niet zomaar ergens een verhaal van. Het is zaak gereserveerd te blijven. Dat voorkomt discussie en gedoe. Mijn ouders begrepen dat ook, ik heb ze nooit ruzie zien maken.’

Hoe was de sfeer bij u thuis in het gezin?

‘Mijn ouders werkten veel, vanaf mijn 4de groeide ik op bij de nonnen. In die tijd ging je niet naar huis in het weekend, de kostschool was voor mij voltijds. Ik ben te snel volwassen geworden, denk ik, maar ik had het bij de nonnen naar mijn zin. Met Pasen kreeg ik eieren van suiker, ze moeten dol op me zijn geweest.

‘Ik was met de nonnen aan het wandelen toen mijn grootouders ons staande hielden: ze kwamen me ophalen om mijn pasgeboren zusje te bekijken. Ze is vier jaar jonger dan ik, ik ben altijd dol op haar geweest. Waarom zij dat privilege had, weet ik niet, maar ze hoefde niet naar de kostschool. Mijn moeder legde haar in de watten.’

Zag u uw familie dan nog wel?

‘De tuin van mijn grootouders was zo’n 30 meter van de nonnen vandaan. Als er even een moment was, ging ik naar ze toe. Na mijn eerste communie, ik zal een jaar of 12 zijn geweest, ging ik terug naar mijn ouders. Dat was wennen. Waarom werd mijn moeder boos op me? Ik begreep er niets van. Bij de nonnen was ik verwend als geen ander. ‘Zet ons vooral niet te kijk’, zei mijn moeder vaak tegen me.’

Dat klinkt best streng.

‘Mijn vader was zachter van aard, een charmante man. Ik wachtte hem na het werk op bij de haven en dan gingen we met z’n tweeën naar de film terwijl mijn moeder aan het werk was. Maar terugkijkend voel ik vooral trots voor mijn moeder. Haar eigen moeder stierf in het kraambed, ze is grotendeels opgevoed door mijn oom en tante. Die verhuurden houten cabines op het strand waar mensen zich konden omkleden. Dat is niet erg stimulerend voor het brein. Mijn moeder is met niets begonnen en werd een vrouw met een eigen zaak. Dat voorbeeld heeft me gevormd. Werk is altijd belangrijk voor me geweest.’

In Nederland moesten vrouwen tot eind jaren vijftig stoppen met werken zodra ze getrouwd waren.

‘Meen je dat? Ik ben altijd blijven werken, al vraag ik me nu af hoe ik dat heb kunnen bolwerken. Mijn man hielp thuis met tafeldekken en het bed opmaken, daar had ik wel geluk mee.

‘Ik was een ouwe vrijster, ik trouwde pas toen ik 27 was. Al had ik voor die tijd wel minnaars. Ik ging uit met een leidinggevende, maar vond het niks. Hij heeft me nooit gekust.’

Hoe heeft u uw man ontmoet?

‘De meisjes en de jongens liepen ’s avonds in groepjes over de dijk. Op een avond stapte hij op me af en vroeg: zal ik met je oplopen? Vanaf dat moment bracht hij me steeds een stukje dichter bij huis. Daarna kwam hij me op mijn werk ophalen. We zijn kort daarna getrouwd. Helaas is hij jong overleden, hij ging hier (Morin wijst naar de trap) plotseling onderuit. Zijn buikslagader bleek gescheurd te zijn. De dokter kwam, maar het was meteen gedaan.’

Wat bewonderde u in hem?

‘Het was een rustige man met een goed beoordelingsvermogen en een goede smaak. En hij was zachtaardig tegen mij. Als we elkaar buitenshuis tegenkwamen, kuste hij me. Hij liet zonder schaamte zijn liefde zien.’

Yvette Morin

Geboren: 20 juni 1925 in Saint-Malo, Frankrijk
Woont: zelfstandig in Saint-Malo (Bretagne)
Beroep: secretaresse
Familie: twee zoons, vijf kleinkinderen en zeven achterkleinkinderen
Weduwe sinds 1995

Source: Volkskrant

Previous

Next