Home

Bloemkoolwijken zijn een succesverhaal van progressief beleid

Wonen De bloemkoolwijken uit de jaren 70 waren gevolg van vooruitstrevend beleid, ziet Michelle Provoost. Ze zijn een goede inspiratie voor hernieuwd progressief elan.

De wijk de Werven in Almere Haven is een zogenoemde bloemkoolwijk

Er zijn geen wijken in Nederland waarop met zo’n consensus wordt neergekeken als de zogenoemde bloemkoolwijken uit de jaren zeventig. Met hun bakstenen rijtjeswoningen en saaie suburbaniteit staan ze bekend als ‘verdwaalbuurten’, waar je je als niet-bewoner maar beter niet moet wagen.

Michelle Provoost is architectuurhistoricus, gespecialiseerd in Post65 architectuur, en auteur van Bouwen aan de geluksmachine. Architectuur in de groeikernen 1965-1990

En toch worden de eerste tekenen van een oplevende populariteit zichtbaar: jonge (aspirant-) gezinnen verhuizen naar de buitenwijken of nog iets verder, naar de voormalige groeikernen. Daar zijn nog huizen van een redelijk formaat te vinden, tegen een betaalbare prijs én goed verbonden met het openbaar vervoer. Maar dat zijn verhuizingen om rationele redenen, als B-keus.

Er zijn echter ook mensen die ontdekken dat deze woonwijken qua architectuur en woonomgeving een schatkist zijn aan gedurfde experimenten uit de jaren zeventig, die nog steeds werken en aanspreken.

Als je er oog voor hebt, kun je in de bloemkoolwijken opzienbarende projecten vinden uit een recent verleden die ook nog eens een voorzet geven voor hoe onze steden zich in de toekomst kunnen ontwikkelen.

Het werken aan de architectuurgids Bouwen aan de geluksmachine (een antidotum tegen Ruttes favoriete motto ‘de staat is geen geluksmachine’) bracht me bijvoorbeeld op het pad van de vele ‘woondekken’, buurtjes die op een verhoogd dek werden gebouwd, met daaronder de auto’s geparkeerd, zodat het dek vrij blijft voor spelende kinderen en het buurtleven.

En van omvangrijke sociale woningbouwprojecten met vele honderden appartementen, aaneengeschakeld tot caleidoscopische patronen die voor verrassende ruimtelijke verbindingen zorgen. Van cascowoningen, afgebouwd door de bewoners, van talloze woongroepen die nog steeds floreren en van woonblokken met een waaier aan woningtypes voor alle gezinsgroottes en inkomensklassen door elkaar.

M. Provoost, Bouwen aan de geluksmachine. Architectuur in de groeikernen 1965-1990, Rotterdam 2025

Vroeg milieubewustzijn

Natuurlijk boden de bloemkoolwijken niet alleen woningen, maar ook alle mogelijke maatschappelijke voorzieningen. Destijds bestond de basisuitrusting van een wijk uit een bibliotheek, buurtcentrum, sportzaal en een ‘centrum voor kunstzinnige vorming’, waar dans, muziek en beeldende kunst werd onderwezen.

Veel experimentele gebouwen demonstreerden de eerste tekenen van milieubewustzijn en duurzaamheid. Op de woonerven hadden niet de auto’s, maar fietsers, voetgangers en kinderen voorrang en het groen mocht overal wild en natuurlijker groeien.

De Vlaamse hoogleraar Geert Buelens schreef in 2022 een geweldig boek over het vergeten ‘groene’ denken rond 1970, met de titel Wat we toen al wisten. Daarin beschrijft hij de korte periode waarin Nederland door de Club van Rome ruw werd opgeschrikt over de snelheid waarmee de mens de aarde aan het verwoesten was. In korte tijd werden tal van initiatieven gestart, zoals Greenpeace en Milieudefensie. Het milieubewustzijn groeide, ook in de architectuur. Vooral de oliecrisis van 1973 onderstreepte de noodzaak van energiezuinige en energie-opwekkende gebouwen.

In de uitbreidingswijken werden tal van succesvolle proefprojecten uitgevoerd. Met zonnepanelen, maar ook met inmiddels in onbruik geraakte types zonnecollectoren, passieve zonne-energie in de vorm van serres, waterreservoirs voor warmteopslag in de kelder en warmteterugwinningsinstallaties.

Zonne-energiewoningen, TNO, Kokon, Zoetermeer, 1977

Keerpunt 72

De bouw van de bloemkoolwijken overlapte niet toevallig met het enige progressieve kabinet dat Nederland ooit had, onder premier Joop den Uyl (PvdA). Deze regering zette bestuurlijke macht en kapitaal in om de maatschappij beter, gelijkwaardiger en gelukkiger te maken. Het regeringsprogramma Keerpunt 72 draaide – in hedendaagse termen – om leefbaarheid, kansengelijkheid, vrouwen- en homo-emancipatie, en in het algemeen: om een menswaardig bestaan op een gezonde planeet.

Het leest als het manifest voor de komende verkiezingen van GroenLinks/PvdA, en ook als een voorloper van Kate Raworth’s Doughnut Economy, met een nadruk op de noodzaak van de-growth, een economie binnen planetaire grenzen en eerlijke wereldhandel.

Het kabinet-Den Uyl wilde door de „spreiding van kennis, macht en inkomen”, de Nederlanders middelen tot „zelfontplooiing” verschaffen om aan hun eigen welzijn te werken. Deze maatschappijvisie vormde de basis onder de talloze architectonische innovaties en was de drijfveer achter de bibliotheek, de school, het buurthuis en het theater in elke wijk. En ook achter subsidies voor zogenoemde HAT-eenheden (appartementen voor kleine huishoudens), experimentele bouwprojecten, de Premiekoopwoningen (gesubsidieerde koopwoningen) en een nadruk op betaalbare woningbouw door de woningcorporaties.

Geen periode was zo ambitieus wat betreft maakbaarheid van de samenleving. En nooit werd er in Nederland zo veel gebouwd werd als de jaren zeventig: 1,25 miljoen woningen. De diepte-investeringen betaalden zich uit in een stijgend vertrouwen van de bevolking in de overheid en een klinkende overwinning voor de PvdA bij de verkiezingen in 1977. Een tweede kabinet Den Uyl kwam er echter niet omdat CDA en VVD de PvdA te slim af waren. Dat was het einde van een zeer kort progressief tijdperk.

Inspiratie voor beleidsmakers

De bloemkoolwijken zijn de relicten van de verzorgingsstaat; parallel aan de ondergang daarvan zijn de experimenten en vernieuwingen uit de pioniersjaren vergeten. Maar in het licht van de huidige crises kunnen we veel baat hebben bij wat we toen al wisten: de ideeën, de mentaliteit en de oplossingen die destijds werden ontwikkeld voor het bouwen en wonen, voor de architectuur en stedenbouw, voor het ‘ontspannen samenleven’.

Net zoals Geert Buelens in zijn boek inzichten uit de geschiedenis gebruikt als een aanmoediging om nu eindelijk eens haast te maken met een betere, ecologisch verantwoorde manier van leven, zo kunnen ook de architectonische vernieuwingen uit de jaren zeventig dienen als inspiratie voor tegenwoordige ontwerpers en beleidsmakers. Tegelijk confronteren ze ons met ongemakkelijke vragen: hoe kan het dat destijds zoveel wél mogelijk was en nu schijnbaar niet?

Natuurlijk moet er het een en ander gebeuren om de wijken uit de jaren zeventig aan te passen aan de hedendaagse eisen op het gebied van demografie, klimaat, mobiliteit en energie. Maar de basis, met het vele groen en water, is goed en sloop/nieuwbouw (de automatische reflex van vele bouwpartijen) is beslist niet nodig.

Als we tegenwoordig ergens behoefte aan hebben, dan is het wel de moed om de problemen die we op dit moment hebben aan te pakken met de ‘verbeelding aan de macht’, met de energie en snelheid (én de diepte-investeringen) die het bouwen in de jaren zeventig zijn impact hebben gegeven. En laten we het woord geluksmachine nooit meer gebruiken als een woord met een negatieve bijklank, om een periode belachelijk te maken waarin de overheid zich daadwerkelijk het geluk van haar burgers ten doel stelde, maar laten we het opnieuw als iets wenselijks zien.

Source: NRC

Previous

Next