Home

De oorlog in Gaza moet genoemd worden

Ik had het weer eens opzienbarender gemaakt dan het was, bleek achteraf. Man en ik zijn uitgenodigd bij vrienden om te eten, er komen ook kennissen van die vrienden, mij onbekend, en gaandeweg het gesprek blijkt dat het een stel is, man en vrouw met kinderen (niet aanwezig) uit het Midden-Westen van Amerika. Zij is arts en doceert ook ‘queerstudies’, hij is journalist en beiden zijn Joods: van huis uit ‘modern orthodox’, waarbij zij als meisje rokken droeg tot over de knie. Allebei eten zij koosjer. Zoveel mogelijk. „Ik bedoel”, zegt de vrouw, „als we op reis zijn, reizen we ‘treyf-free’”, waarmee ze maar wil zeggen dat er tijdens hun verblijf in Nederland een klein jaar lang toch garnalen worden gegeten, ook door de kinderen. „Maar laat hun grootmoeder het niet zien, want die blijft erin.”

Een conversatie van zo’n drie uur. Achteraf stelde ik vast, niet eens verheugd, wel verbaasd: „We hebben het nauwelijks over Israël-Gaza gehad.”

Niet helemaal waar, wist mijn man. Toen de vrouw vertelde over die garnalen, waarvan haar moeder niet mocht weten, had ze er in één adem aan toegevoegd, dat haar anti-Netanyahu-standpunt (die ze consequent aanduidde als ‘Bibi’) en haar almaar aanzwellende protest tegen de Israëlische regering inzake Gaza, bij haar Amerikaanse familieleden ook op weinig begreep konden rekenen. „Ik kan de uithongeringsbeelden uit Gaza niet zien, zonder de gelijkenis met de nazi-concentratiekampen te onderkennen.” Dat was een korte, ferme zin, maar veelzeggend genoeg.

Verder veel gepraat over Jodendom, religie, tradities, Holocaust, schuldgevoel wanneer je de Joodse tradities niet consequent bijhoudt, want dan zou je alsnog verraad plegen aan de slachtoffers van diezelfde Holocaust. Een levendig gesprek dat zowat gevrijwaard bleef van prietpraat.

Onderwijl schoot me die krakende zin van Franz Kafka te binnen: „Wat ik gemeen heb met de Joden? Dat is vragen of ik iets gemeen heb met mezelf.” Het is die verscheurdheid, de spagaatstand, die me innam voor de nieuwe Amerikaanse kennissen: daar hebben de Gazanen niets aan, noch de Joden wereldwijd, maar het helpt tegen algehele misantropie.

Thuisgekomen las ik nog eens Bespiegelingen over het vraagstuk van het antisemitisme, het essay van Delphine Horvilleur, schrijfster en vrouwelijke rabbijn te Parijs, dat in 2019 verscheen, dus ruim voor 7 oktober 2023, de Hamasaanslag. Over het belang van tradities schrijft ze: „Je moet de stemmen van wat we hebben geërfd en hebben geleden in het verleden nooit het zwijgen opleggen, maar we moeten ze niet in ons laten doorpraten, alsof zij het allemaal voor het zeggen hebben.”

Overigens: drie maanden geleden sprak rabbijn Horvilleur zich uit voor een onmiddellijk staakt-het-vuren in Gaza. Dat werd door Israëlische bewindslieden onmiddellijk aangemerkt als een vorm van verraad, en voor de Hamas-aanhang bleef Horvilleur uiteraard een ordinaire ‘zioniste’.

Een onmogelijke positie: de Amerikaanse kennissen ondervinden dat. En ook de Nederlandse Joodse activisten die de petitie ‘Joden-zeggen nee’ hebben opgesteld: nee „tegen deze oorlog, tegen het vermoorden door geweld of honger van de Palestijnse burgers en tegen de annexatiepolitiek in Gaza en de Westelijke Jordaanoever”.

Er is dat fameuze zinnetje uit de Britse comedyserie Fawlty Towers, eind jaren zeventig: „Don’t mention the war”. Gevleugeld gezegde, dat moeiteloos de tijd heeft overleefd als methode om krampachtig – en tevergeefs – de lieve vrede te bewaren.

Maar ‘de oorlog’ moet genoemd worden, ook als het verraad betekent aan lot- en geloofsgenoten, familie, vrienden en vooral ook aan de niks-aan-de-hand-gezelligheid.

Source: NRC

Previous

Next