Klimaat en economie Hogere voedselprijzen door extreem weer raken consumenten overal in de wereld. Ook bedrijven zien door klimaatverandering risico’s en kosten toenemen. Toch schroeven ze, net als overheden, duurzaamheidsambities terug. Een balans.
Rundvleesprijzen in de Verenigde Staten braken records omdat staten als Nebraska te droog waren om de veestapel op peil te houden.
De afgelopen jaren was het de olijfolie waarvan de prijzen door het dak gingen. Na een aantal hete zomers in Zuid-Europa zag je een liter extra vergine ineens boven de 10 euro schieten – en daarna werd de fles soms nog kleiner ook. Dit jaar brak een prijzenoorlog uit tussen supermarkten en branders over de hoge koffieprijzen, door droogte en minder bonen. En nu klinken er, niet voor het eerst, zorgen over dure hazelnoten. De oogsten in Turkije, verreweg de grootste hazelnootproducent, hebben afwisselend te lijden gehad onder hittegolven, hevige stormen en overstromingen. En dit voorjaar: vorst. Het kan bijna niet anders of een pot Nutella wordt binnenkort weer duurder.
Maar het zijn niet alleen noten, koffie en olijfolie die duurder worden door slechte oogsten als gevolg van klimaatverandering. Ook minder zichtbare grondstoffen die in talloze fabrieksproducten zitten ontkomen niet aan flinke prijsschommelingen; denk aan palmolie en tarwe.
Soms worden prijsstijgingen vooral regionaal gevoeld. Ongekende hittegolven in Oost-Azië leidden vorig jaar tot fors hogere lokale prijzen van groenten en granen. Kool in Zuid-Korea was in september vorig jaar 70 procent duurder dan een jaar eerder. Japanse rijst steeg met 48 procent in prijs. Groente in China werd 30 procent duurder. In de Verenigde Staten veroorzaakte extreme droogte in 2022 een groenteprijsstijging van 80 procent.
Het zijn allemaal voorbeelden van uitzonderlijke prijsstijgingen, veroorzaakt door uitzonderlijk weer. Een internationaal team van klimaat- en dataonderzoekers publiceerde er in juli over in Environmental Research Letters.
Vaak ook worden de gevolgen van weersextremen wereldwijd gevoeld. Als er in Brazilië geen regen valt, wordt overal de koffie duurder. Als er in Ivoorkust een hittegolf is, ziet iedereen dat terug in de prijs van een chocoladereep.
Het onderzoeksteam keek ook naar de sociale kant van dit soort onvoorspelbare voedselinflatie. Extreem weer is de belangrijkste verklaring voor hogere voedselprijzen, en menselijk handelen jaagt de inflatie alleen maar verder aan. De volatiliteit van prijzen op de wereldmarkt werkt inflatie in de hand, ook voor andere producten dan voedsel. Nú kopen, denken consumenten en handelaren in grondstoffen, voordat koffie/rijst/olijfolie nóg duurder wordt. Soms is die verwachting gedreven door angst, soms gebaseerd op kennis: zo sturen koffiehandelaren inspecteurs naar plantages om de bessen te tellen en het toekomstige aanbod te voorspellen. Uiteindelijk sijpelen zo de hoge voedselprijzen door in het algemene prijspeil.
Voedselinflatie is daarnaast ook een ongelijkheidsvraagstuk. Rond de evenaar slaan niet alleen hitte en droogte het hardst toe, en stijgen de voedselprijzen het meest, de inflatie komt daar ook harder aan. Omdat mensen in armoede – overigens ook in rijkere landen – een groter deel van hun inkomen aan voedsel kwijt zijn. Veel van de risico’s van voedselinflatie hebben dan ook te maken met de betaalbaarheid van voedsel, schrijven de Spaans-Duitse onderzoekers.
Voedselinflatie kan monetaire en politieke onrust veroorzaken. Zo maakte de Amerikaanse presidentskandidaat Donald Trump in zijn campagne dankbaar gebruik van hoge voedselprijzen. Overigens waren die volgens hem niet te wijten aan klimaatverandering, maar aan de Democraten. Intussen braken de rundvleesprijzen records omdat staten als Nebraska te droog waren om de rundveestapel op peil te houden.
Dat opwarming van de aarde niet zonder economische gevolgen zal blijven, kon je de afgelopen jaren ook al opmaken uit een groeiende berg studies van academici en instituten als het Internationaal Monetair Fonds en de OESO. Hoge temperaturen schaden de arbeidsproductiviteit, natuurgeweld zorgt voor schade aan infrastructuur en fabriekspanden, de landbouw lijdt onder zowel extreme droogte als extreme neerslag. En dat alles kan de komende decennia effecten hebben op het bbp en op de inflatie.
Dergelijke vaak modelmatige studies zijn omgeven met onzekerheid: veel hangt af van, bijvoorbeeld, technologische ontwikkelingen en de mate waarin landen zich kunnen aanpassen aan de opwarming. Maar in de ‘echte’ wereld zijn er steeds meer tekenen dat de klimaatontwrichting de economie niet onberoerd laat. Verzekeraars en herverzekeraars (de verzekeraars van verzekeraars) worden bijvoorbeeld toenemend op kosten gejaagd door bosbranden, overstromingen en stormen. En voor voedselproducenten worden de verzekeringen daartegen duurder.
Voedselprijsschokken komen inmiddels zo vaak voor dat centrale banken, die het algemene prijspeil stabiel moeten houden, zich gedwongen voelen er scherp op te letten. De Europese Centrale Bank (ECB) en andere grote centrale banken streven naar een inflatie van 2 procent op jaarbasis. In tien jaar tijd zijn de prijzen van voedsel in de eurozone met 40 procent gestegen – meer dan het algehele prijspeil in dezelfde periode (29 procent). Die stijging van de voedselprijzen trekt, met andere woorden, de algemene inflatie omhoog.
Aardbeienboeren in het West-Turkse kustgebied Izmir. Turkije werd afwisselend geteisterd door hittegolven, hevige stormen, overstromingen en dit voorjaar zelfs vorst.
Voedselprijzen stijgen niet alleen door klimaateffecten. Maar veel van de plotse schokken beginnen wel met extreem weer. ECB-voorzitter Christine Lagarde noemt sinds enige tijd het klimaat in elke persconferentie als standaard inflatierisico: „Extreme weersomstandigheden, en meer in het algemeen de zich ontvouwende klimaatcrisis, kunnen de voedselprijzen meer dan verwacht opdrijven.”
Uit onderzoek van de ECB blijkt dat de extreme zomerhitte in 2022 de voedselinflatie in de eurozone met 0,7 procentpunt verhoogde en de totale inflatie met 0,3 procentpunt. Wereldwijd houdt de ECB tegen 2035 rekening met een voedselinflatie die op jaarbasis 0,9 tot 3,2 procentpunt hoger ligt, als de klimaatopwarming op het huidige pad doorgaat. De algemene wereldwijde inflatie zou tussen de 0,3 en 1,2 procentpunt hoger uitvallen.
De ECB is niet de enige centrale bank die klimaatgedreven voedselinflatie op de radar heeft. De centrale banken van India, de Golfstaten, Canada, het Verenigd Koninkrijk en Japan – allemaal hebben ze het er nu over. En allemaal staan ze voor dilemma’s.
Het traditionele wapen van centrale banken om inflatie te bevechten, renteverhoging, werkt slecht bij voedselinflatie door extreem weer. Een hittegolf of overstroming veroorzaakt naast hogere voedselprijzen, ook economische tegenslag – denk aan fysieke schade, misgelopen inkomsten, lagere arbeidsproductiviteit. Dit kan de economie afremmen. Een hogere rentestand maakt het economisch herstel alleen maar moeilijker.
Financiële instituties vragen zich af hoe ze schokken kunnen opvangen, maar hoe zit het met de grote voedselproducenten? Hoe kijken bedrijven als Unilever, Nestlé of Danone naar de kosten van klimaatverandering? Enerzijds draagt hun onstilbare honger naar grondstoffen als soja, palmolie, koffie en cacao bij aan ontbossing en CO2-uitstoot – en dus aan klimaatverandering. Anderzijds zien deze bedrijven hoe de gevolgen daarvan hun verdienmodel bedreigen.
Van Ahold Delhaize tot McDonald’s – allemaal benoemen ze klimaatverandering in hun jaarverslagen als risico voor hun winstgevendheid. Ze zien hoe droogte, overstromingen en orkanen, en daarmee samenhangend plagen en ziekten, de oogsten bedreigen. Grondstoffen worden schaarser en duurder en de kwaliteit staat onder druk.
Het zijn niet alleen de hogere grondstoffenkosten die bedrijven op zich af zien komen. Ze weten ook dat ze nog veel moeten investeren in het terugdringen van de CO2-uitstoot en verduurzaming aan het begin van hun ketens, bij de boeren. Daarnaast staan ook overheidsmaatregelen zoals CO2-beprijzing op alle lijstjes als ‘transitierisico’s’.
Dan is er nog het risico op een afnemende vraag. Schade als gevolg van extreem weer kan ertoe leiden dat consumenten simpelweg minder te besteden hebben. Ook dat bedreigt de winstgevendheid.
Geen van die bedrijven ontkent de gevolgen van klimaatverandering. Ze spreken in hun jaarverslagen over productieproblemen en onvoorspelbare toeleveringsketens. En ze zullen de kosten, schrijven sommige expliciet, moeten doorberekenen aan de consument.
Chinese productielijn van baozi, gevulde deegbroodjes die verwant zijn aan bapao.
Kwantificeren van die risico’s in euro’s en dollars is lastig, hoewel Unilever wel scenario-analyses doet. Diep in zijn jongste jaarverslag laat Unilever zien wat klimaatverandering voor de winst kan betekenen. Zelfs als de aarde niet meer dan 1,5 graad opwarmt, stijgen de prijzen van palmolie waarschijnlijk met 13 procent. Bij een temperatuurstijging van 4 graden wordt dit voor veel voeding en cosmetica onmisbare vet ruim 30 procent duurder. Gemiddeld worden grondstoffen, zo is de aanname, 40 procent duurder.
Als die kosten niet worden doorberekend aan de consument, neemt de winst met elke graad opwarming af. Daardoor loopt Unilever miljarden mis. En nog veel meer kost het voedingsproducenten, zo laten de scenario’s zien, als consumenten minder te besteden krijgen door extreem weer. Vooral voor markten die daar minder goed op zijn voorbereid, zoals die in Afrika en Azië, zijn lagere inkomens een serieus gevaar voor de verkoop.
Risico’s aanwijzen is één ding, er iets aan doen wat anders. Tot een paar jaar geleden waren de klimaatambities van bedrijven groot, mede aangespoord door de Green Deal van de Europese Commissie, die stevige regelgeving in het vooruitzicht stelde. Inmiddels schroeven overheden en bedrijven overal ter wereld klimaatambities terug. Donald Trump zet in op olie, kolen en gas en breekt klimaatsubsidies en -regelgeving af, in Europa gaan zorgen over concurrentiekracht en defensie nu even vóór verduurzaming. Banken en vermogensbeheerders in de VS en sinds kort ook in Europa trekken zich terug uit klimaatallianties. En bedrijven als Unilever en Ahold Delhaize stellen hun doelen bij.
Dat ziet ook Gerard Rijk, die met Profundo, onderzoeksbureau naar duurzaamheid, deze bedrijven volgt. Ze ruilen hun oorspronkelijke doelen in voor de lagere norm die ze zichzelf collectief opleggen via het zogeheten Science Based Targets-intitiative (SBTi). En zelfs die lat ligt kennelijk nog te hoog: Unilever behoort tot de ruim tweehonderd bedrijven die volgens het SBTi zijn verplichtingen niet haalt.
„Nu 2030 in zicht komt, zien bedrijven dat de doelen die ze voor dat jaar hadden gesteld moeilijk te halen zijn, en dat toeleveringsketens moeilijk te verduurzamen zijn. De percentages waarmee ze hun CO2-uitstoot wilden beperken, liggen nu allemaal lager dan de 50 procent die ze eerder beloofden.”
Enerzijds roepen multinationals publiekelijk op om Europese duurzaamheidswetten niet uit te stellen, en anderzijds klagen ze dat politiek en regelgeving vertragend werken. Rijk: „Bedrijven die de investeringen daarvoor al hebben gedaan, voelen oneerlijke concurrentie van bedrijven die achterblijven.” Maar tegelijk durven weinig grote bedrijven nog voorop te lopen, zoals Unilever onder Paul Polman, in elk geval in woorden, tot een aantal jaar geleden wel deed. Rijk: „Ze willen een gelijk speelveld. Maar wel op een zo laag mogelijk niveau.”
Is het niet tweeslachtig dat de aandacht voor duurzaamheid lijkt te verslappen, terwijl de kosten van nietsdoen zich nu al zo duidelijk manifesteren? Unilever noemt het „onbeschaamd realistisch” om „minder dingen te doen, met een grotere impact”.
Gerard Rijk van Profundo wijst erop dat bijvoorbeeld Ahold Delhaize voor 60 procent van zijn omzet afhankelijk is van Noord-Amerika. „Als je te veel over duurzaamheid praat, val je in de VS in ongenade”, zegt hij. „Bij grote beleggers zie je al terugtrekkende bewegingen.” De vrees voor financiële tegenwind op korte termijn lijkt daarmee groter dan die voor de kosten van klimaatverandering op langere termijn.
Uiteindelijk moet nog blijken of bedrijven zelf de klimaatrekening zullen betalen. De meest recente cijfers van JDE Peet’s, een van ’s werelds grootste koffiebedrijven, laten alvast iets zien. De omzet van de koffiereus kon met 22 procent groeien, meldt het halfjaarverslag, bijna helemaal door verhoging van de prijzen. En zo kon zelfs de winst nog groeien.
De adviesprijs voor een pak Douwe Egberts van 500 gram is inmiddels meer dan 10 euro.
Rekken vol worsten in de Chinese stad Suining.
Wat kunnen we verwachten van weer vier jaar Trump?
Source: NRC