‘Het ziet er naar uit dat ik toch nog niet arm word in de nabije toekomst’, zei ik verheugd tegen mijn ouders op een zondagavond. ‘Want ik mag nog even columns blijven schrijven voor Volkskrant Magazine.’
‘Wat krijg je daar dan voor?’, vroeg mijn broer, die er toevallig ook was.
Ik noemde het bedrag.
‘Dan ben je nog steeds arm’, zei hij.
Ten eerste is de definitie van armoede voor iedereen verschillend, zelf heb ik niet erg veel geld nodig omdat ik geen auto heb, alleen maar zwarte T-shirts draag en nooit op vakantie wil naar Bali. Ik ben geen enorme consument, doe honderd jaar met telefoons, tv’s en spijkerbroeken. En ten tweede is schrijven niet mijn enige bron van inkomsten, ik ben ook dtp’er, en maak papieren folders op. Helaas gaat het daar niet erg goed mee. Het is natuurlijk een uitstervend beroep, maar dat ik de slechtste netwerker van Nederland ben helpt ook niet. En hoewel de bedragen op mijn facturen steeds lager werden, ging ik toch niet om- of bijscholen. Met wijd opengesperde ogen bleef ik op de snelweg staan terwijl die vrachtwagen dichterbij kwam, totdat de hoofdredacteur van dit magazine me ervan aftrok.
Niet iedereen is zo fatalistisch, ik ken ook mensen die hun omstandigheden wel aanpassen aan de veranderende realiteit. In creatieve beroepen blijkt je uiterste houdbaarheid niet altijd helemaal tot het pensioen te reiken, uitzonderingen daargelaten. En dus laten veel regisseurs, ontwerpers en fotografen zich omscholen tot leraar, maar er zijn er ook die coach, klusser of fietsenmaker worden. Voor sommige van hen, degenen die de neiging hadden om naast hun schoenen te lopen, is het vermoedelijk gunstig om eens een normaal beroep uit te voeren.
Ik had mijn manier van leven al een beetje aangepast aan het dreigende geldgebrek. Hoewel er nog wel wat op mijn spaarrekening stond, stopte ik al met dingen kopen en at ik vier dagen per week pasta met weinig andere ingrediënten. Dit laatste tot groot verdriet van mijn spijsverteringsorganen. Maar nu ging het slot van de portemonnee af. Ik at weer avocado’s, noten en biologische bosbessen en durfde ook een traditioneel uitje door te laten gaan. Een van mijn vriendinnen en ik doen dit al jaren. We kiezen een stad of stadje waar je binnen anderhalf uur in de trein naartoe kunt, lopen rond, eten een broodje, maken eventueel een boottochtje of bekijken een museum. We roepen de hele tijd ‘dit is echt exotisch!’ en lopen bewoners voor de voeten. Zoals altijd kozen we de bestemming pas toen we op het station voor het bord met vertrektijden stonden. Het werd Deventer want daar ging een trein direct heen, en ik ben ook gevoelig voor het argument ‘Hanzestad’.
Nadat we op het nippertje waren ontsnapt aan de stiltecoupé, gingen we in een tweetje zitten. Het Gooi en de Veluwe schoten langs de ramen.
‘We naderen Amersfoort’, klonk het uit de omroepinstallatie. ‘Daar stoppen we op spoortje 1B. Er gaat hier natuurlijk een treintje naar Groningen.’
De conducteur had er duidelijk plezier in. Door zijn gebruik van verkleinwoorden klonk hij als een lollige oom.
‘Sorry dat ik jullie zojuist moest lastigvallen voor de vervoersbewijzen, maar leuk dat iedereen zijn spullen op orde had’, riep hij.
De man klonk bepaald niet alsof hij dit werk al twintig jaar deed. Hij had zich vast onlangs laten omscholen.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant