Home

Verborgen gebreken boven én onder water

De Nederlandse waterkwaliteit in sloot, singel en vaart 

Nederlandse sloten, beken en rivieren zijn te vies, zoveel is bekend. Maar hoe ziet dat eruit? En wat zijn de oorzaken? De Volkskrant ging op onderzoek uit, en zocht met experts naar antwoorden.

Door Maarten Albers

Fotografie Elisa Maenhout

Wie aan het Nederlandse landschap denkt, ontkomt er niet aan ook aan water te denken. Van polders doorkruist door slootjes tot Marsmans ‘breede rivieren’, die ‘traag door oneindig laagland gaan’, van de Amsterdamse grachtengordel tot Unesco-werelderfgoed de Waddenzee: water is in Nederland nooit ver weg. Maar hoe schoon is dat water eigenlijk?

Waarschuwingen over blauwalg in zwemwater zijn in de zomer gemeengoed. Massale vissterfte door te weinig zuurstof in het water is vaste prik als de zon flink gaat schijnen. Drinkwaterbedrijven waarschuwen dat het steeds kostbaarder wordt om water schoon genoeg te krijgen voor consumptie.

Ook wetenschappers en betrokken instanties laten niet na te waarschuwen dat Nederland de doelen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) niet gaat halen. Doel van die richtlijn is schoon en gezond grond- en oppervlaktewater in EU-lidstaten. Momenteel scoort geen enkel Nederlands waterlichaam een voldoende. Naar verwachting zal Nederland de doelen ook niet halen in 2027, als ze juridisch bindend worden.

* Specifiek verontreinigende stoffen zijn stoffen die in grote rivieren of regionale wateren een probleem kunnen vormen. De stoffen verschillen per stroomgebied. De KRW stelt daarnaast ook normen voor andere chemische stoffen, en voor de ecologische toestand van het water.

Nederlandse oppervlaktewateren voldoen al aan 80 procent van de KRW-normen. Dat desondanks geen enkel water de test doorstaat, komt door het one out all out-principe: wordt één norm overschreden, dan leidt dat direct tot een onvoldoende.

‘Onder zo’n deken van algen groeit bijna niets anders’

Nederlandser wordt het niet: een felgroene grasweide, afgebakend door slootjes. De zwartbonte koeien staan loom te grazen in de zomerzon. Vrijwel het hele weidegebied tussen Montfoort en Utrecht ziet er zo uit. Niet alleen het gras is groen: ook de sloot slaat groen uit, van de algen. Een klassiek teken van vermesting.

‘Onder zo’n deken van algen groeit bijna niets anders’, zegt Sven Teurlincx, waterkwaliteitsonderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW). Ze onttrekken zuurstof aan het water en houden zonlicht tegen. Zo drukken de algen waterplanten en -beestjes weg.

De algen zijn voor Teurlincx niet de enige aanwijzing dat hier sprake is van vermesting. ‘Dat felgroene gras vinden wij normaal, maar in de natuur ziet het er nooit zo uit. Daar heb je een mengeling van soorten met verschillende kleuren. Dit krijg je alleen maar als je een beperkte variatie hebt en veel bemest.’

Aan de oever zijn meer aanwijzingen te vinden: berenklauw en brandnetels, planten die van een voedingsrijke bodem houden. ‘Het zijn generalisten die weelderig bloeien’, legt Teurlincx uit. ‘Ze nemen de hele oever over: van vochtig tot droog.’

Vermesting is vermoedelijk het bekendste probleem in het Nederlandse water. Sloten met te veel meststoffen, zoals stikstof en fosfaat, kom je dan ook in het hele land wel tegen. De landbouw is daarvan de belangrijkste oorzaak. Mest die een boer op zijn land brengt, maar niet wordt opgenomen door het gewas, spoelt met regenwater weg naar de sloot of het grondwater.

De uitspoeling van nitraat, een vorm van stikstof, is sinds de jaren negentig flink afgenomen, waardoor het water onder boerenbedrijven tegenwoordig minder vermest is dan vroeger. De laatste jaren is die ontwikkeling weer omgekeerd. Bovendien is de uitspoeling van fosfor veel minder sterk gedaald, en stijgt die de laatste jaren zelfs weer licht.

Nederlandse boeren moeten daarom van de EU zuiniger zijn. Jarenlang mochten zij meer mest gebruiken dan hun collega’s elders in Europa, maar dat voordeel wordt afgebouwd.

Onder boerenbedrijven op zandgronden en de Limburgse löss zit nog altijd te veel nitraat in het water. Daar spoelt mest makkelijker uit dan op veen- of kleigrond.

Toch zijn vermeste sloten met algen of kroos ook typerend voor veengebieden in het Groene Hart, vertelt Teurlincx. ‘Daar zijn de sloten relatief smal, en staat er het hele jaar water in. Bovendien gaan we bij droogte minder pompen, waardoor het water niet meer doorstroomt. Dus het water blijft staan, maar het uitspoelen stopt niet.’

Uiteindelijk stroomt het water wel weg. Het water in deze sloot belandt in de Hollandse IJssel, waar vermesting veel minder een probleem is. Ook dat komt volgens Teurlincx door de doorstroming. ‘In een geïsoleerd slootje kan water wel tien tot vijftien dagen blijven hangen. In de Hollandse IJssel minder dan een dag.’

‘Er is weinig waar karpers en brasems niet tegen kunnen’

De Crooswijksesingel doet zijn naam eer aan. Het water in de Rotterdamse wijk Crooswijk is bedekt met een mosgroene deken van kroos. Een reiger strekt zijn vleugels om de singel over te vliegen, waarna hij zich aan de overzijde posteert en spiedt naar beweging onder de oppervlakte.

Geheel levenloos is het daar in elk geval niet, blijkt voor wie het kroos opzijduwt, en langs de plastic zakjes, de bierflesjes, het piepschuim en andere rommel in het water kijkt. Er groeit een kluwen van waterplanten. Teurlincx identificeert ze als gele waterkers (‘niets bijzonders, maar er groeit nog wel wat’) en grof hoornblad (‘kan goed tegen weinig zuurstof en licht’).

Net als algen onttrekt kroos licht en zuurstof aan het water. En net als algen is het een gevolg van vermesting. Maar op de oevers van deze singel is geen vee te bekennen dat de schuldige kan zijn. Dat is de mens zelf.

Aan het einde van de singel zit namelijk een riooloverstort. De spijlen van het hek erboven vormen in spiegelbeeld het woord ‘onderstroom’. Over de samenstelling van die onderstroom geen woord.

Opvallend veel kroos en afval op en in het water in Crooswijk, Rotterdam.

Rioolwater wordt gezuiverd, maar in het gezuiverde water zitten altijd nog wat vervuilende stoffen. Daarnaast zijn riooloverstorten een belangrijke bron van vervuiling. Als door regen het riool overloopt, belandt alles wat Crooswijkers door het toilet spoelen via zo’n overstort pardoes in de singel. Inclusief de stoffen waar het lichaam juist van af wilde.

Rioolwater neemt dan ook een waaier aan problemen met zich mee: vermesting, maar ook vervuiling door genees- en bestrijdingsmiddelen. Een derde van de fosfor, een vijfde van de stikstof en vrijwel alle geneesmiddelen in het oppervlaktewater komen uit het riool.

Ook de toevoer van omstreden bestrijdingsmiddelen als imidacloprid en glyfosaat naar het Nederlandse oppervlaktewater is tegenwoordig bijna volledig afkomstig van huishoudens. Dat eerste als middel tegen vlooien bij huisdieren, het tweede tegen onkruid in de tuin – al is gebruik buiten de landbouw sinds 2016 grotendeels verboden, omdat het mogelijk kankerverwekkend is. Dat neemt niet weg dat een aanzienlijk deel van die middelen in het water uit de landbouw komt. Omdat ze nauwelijks afbreken, galmt vervuiling uit het verleden lang na.

Ondanks de vervuiling is er in en rond de Crooswijkse singel leven te over: eenden, ganzen én de reiger, die nog altijd naar vis speurt. Een buurtbewoner die haar hond uitlaat is verbaasd als ze hoort dat het water niet schoon is. ‘Er vissen hier ook weleens mensen.’

Het zegt allemaal weinig over de waterkwaliteit, legt Teurlincx uit. ‘In Nederland vist men vooral op karpers en brasem, er is weinig waar die niet tegen kunnen. Ganzen en eenden in de stad leven vooral op het water, en niet van het water. Ze verplaatsen voedingsstoffen van de oever naar de singel, door op de kant te eten en in het water te poepen.’

‘Wat je voornamelijk ziet, is wat je niet ziet’

Voorbij de Oranjedijk, de grens tussen Hoek van Holland en Maasdijk, begint de kassenzee van het Westland. Wie op het bruggetje boven de stuw staat, ziet aan de noordzijde van de dijk het eerste blinkende glas verschijnen. Onder de brug ontspringt een afwateringssloot, die zich sloom een kaarsrechte weg zuidwaarts baant, tussen de grasvelden door. Links grazen twee paarden, rechts een kudde schapen en een enkel kalf, dat nieuwsgierig poolshoogte komt nemen bij de bezoekers.

Hoe open het landschap boven water is, zo gesloten is het eronder. Er hangt een groene waas over de sloot, die het onmogelijk maakt om iets te zien van wat zich erin afspeelt. Ook dit zijn algen, aangetrokken door het overschot aan meststoffen in de sloot. Maar deze locatie staat voor een heel ander, onzichtbaar probleem: bestrijdingsmiddelen.

Boeren en telers gebruiken die middelen om hun oogst te beschermen tegen ziekten en plagen. Maar als ze dankzij wind of water elders terechtkomen, bestrijden ze daar net zo goed de lokale flora en fauna.

De herkomst van de bestrijdingsmiddelen in deze sloot laat zich raden. De kassen vol met tomaten, komkommers, paprika’s, chrysanten en gerbera’s. ‘Een kas is in principe een ideaal systeem om gesloten te houden’, zegt Teurlincx, ‘maar afvalwater moet worden geloosd. Dat gebeurt legaal, maar soms ook illegaal.’

Hoeveel middelen een boer gebruikt hangt sterk af van het gewas. In de Bestrijdingsmiddelenatlas, een database van de Universiteit Leiden, zijn de meeste rode puntjes te vinden in gebieden met veel glastuinbouw, bollen- en fruitteelt en intensieve akkerbouw.

Het middelengebruik is in de landbouw wel afgenomen: tussen 2012 en 2020 met 14 procent. Veel stoffen zijn verboden en veel kassen zijn aangesloten op het riool. Ook bij de stuw in de Oranjedijk is het aantal stoffen dat boven de norm zit sinds 2014 gekelderd.

Desondanks blijft hier sprake van ‘hoge’ toxische druk – jargon voor hoe schadelijk het mengsel van giftige stoffen is voor het waterleven. ‘Sommige stoffen versterken elkaar of zwakken elkaar juist af’, verklaart Teurlincx’ NIOO-collega Lisette de Senerpont Domis, tevens hoogleraar aan de Universiteit van Twente. Hoewel het gebruik van bestrijdingsmiddelen afneemt, neemt de toxische druk in Nederland toe. Dat komt door betere meetmethoden en de introductie van nieuwe stoffen, maar vermoedelijk ook doordat de mengsels giftiger worden.

Bovendien breken veel stoffen niet zomaar af. In de sloot bij de Oranjedijk zit bijvoorbeeld te veel imidacloprid – lange tijd een populair middel tegen insecten en zeer giftig voor bijen. Het middel is daarom tegenwoordig verboden in de landbouw, maar duikt nog in tal van Nederlandse wateren op, vaak in te hoge concentraties.

De gevolgen daarvan blijken als Teurlincx met een schepnetje door het water gaat. De schrale vangst deponeert hij in een witte bak: wat watervlooien en een watertrappelend insect. ‘Een bootsmannetje’, verklaart Teurlincx. ‘Een heel algemeen kevertje, niks bijzonders.’ Het gebrek aan waterdiertjes noemt hij ‘echt een pesticidending’.

Verder vat hij de problematiek in deze sloot monter samen als ‘een leuke cocktail van vermesting en pesticidengebruik’. Om daar een cruijffiaanse constatering op te laten volgen: ‘Wat je voornamelijk ziet, is wat je niet ziet. Weinig organismen in het water, geen opspringende vissen.’

‘Dit water is angstvallig helder’

Die uitspraak geldt ook voor het water bij het industriegebied van Moerdijk, waar een licht chemische geur hangt. Bij de haventerminals worden binnenvaartschepen volgestouwd met zand, bouwmaterialen of kunstmest. Andere liggen aan een pier te rusten. Vanaf de parkeerplaats loopt de verharde oever schuin af richting de pier, overwoekerd door braamstruiken. Het water kabbelt diepblauw richting het Hollands Diep, zonder iets prijs te geven van wat zich onder de oppervlakte bevindt.

‘Angstvallig helder’, noemt Teurlincx het water dat hij met een emmertje ophaalt. Er is niets levends in te bekennen. Ook een blik onder water met de camera levert slechts blauwe leegte op.

Slechte waterkwaliteit is niet altijd zichtbaar, verklaart Teurlincx. Want dat de waterkwaliteit hier te wensen overlaat, blijkt uit de KRW-meetgegevens. In de Roode Vaart, die langs het industrieterrein van Moerdijk naar de zeehaven loopt, zit te veel zilver, koper, ammonium, imidacloprid (opnieuw), fluorantheen en pfos. ‘Typisch voor industriële vervuiling’, zegt De Senerpont Domis.

Die industriële vervuiling komt in Nederland in vele vormen voor, met doorgaans ingewikkelde namen. Zo zijn pfas tegenwoordig berucht. Het zijn water- en vetafstotende stoffen die nauwelijks afbreken in het milieu, en daarom ook wel forever chemicals worden genoemd. De pfos in de Roode Vaart is een vorm van pfas, andere pfas-vormen worden voor de KRW niet gemeten. ‘Maar als je pfos hebt, heb je vaak ook andere pfas’, stelt De Senerpont Domis.

In Moerdijk wordt het water vervuild door de industrie in de regio.

Fluorantheen is een PAK, een groep stoffen die achterblijven na verbrandingsprocessen. Vlamvertragers, zoals PBDE, moeten die processen juist – de naam zegt het al – vertragen. Ook stoffen met makkelijker uit te spreken namen, zoals nikkel, zink, kwik en cadmium, komen doorgaans uit de industrie.

Het zijn volgens Teurlincx niet alleen de chemische stoffen die het water van de Roode Vaart zo angstvallig leeg maken. ‘Die verharde oever hebben ze aangelegd tegen erosie’, legt hij uit. Met alle schepen die door de vaart komen, zijn stabiele oevers belangrijk. Maar ze zijn funest voor de groei van waterplanten, en daarmee ook voor al het andere waterleven.

Daarnaast zien de ecologen rond de Roode Vaart sporen van vermesting. De verharde oever en een drooggevallen sloot zijn bijvoorbeeld overgroeid door bramen, een ware stikstofliefhebber. Dat het ammoniumgehalte boven de norm zit, wijst erop dat ook dat aan de industrie te wijten is. De Senerpont Domis is er verbaasd over: ‘De norm voor ammonium is best hoog.’

De afgelopen decennia hebben veel industriebedrijven hun eigen afvalwaterzuivering aangelegd, waardoor de vervuiling is afgenomen. Ook zijn sommige gestopt met productie van gevaarlijke stoffen, zoals bepaalde pfas-vormen. Omdat die niet of nauwelijks afbreken, komt men ze nog altijd tegen.

De precieze bron van industriële vervuiling is vaak lastig aan te wijzen. Een centraal overzicht van alle lozingsvergunningen is er opvallend genoeg niet, en veel vergunningen zijn verouderd of onvolledig. Waterschappen, drinkwaterbedrijven en andere betrokken instanties zijn jaren bezig geweest om dit voor de Maas in kaart te brengen. Het merendeel van de vergunningen bleek geen einddatum te hebben.

‘Je ziet hier in de oever veel meer variatie’

‘Dit is redelijk divers’, merkt Teurlincx enthousiast op als hij bij de laatste locatie aankomt, een singelgracht rond Slot Loevestein. ‘Je ziet hier in die oever veel meer variatie, want die loopt geleidelijk af. Je krijgt eerst de watermunt en moerasvergeetmenietjes. Dan loopt het door naar de zegges, en aan de andere kant zie je die rietoever. Geen smalle, maar een mooie ruime overgang met veel meer kleur. Niet alleen van bloemetjes, maar ook in groentinten.’ Tussen de bloemen en kruiden zoemen libellen, zweefvliegen en hommels.

De insecten weten ook de bloeiende lelies te vinden die op het water liggen. Onder de oppervlakte geven de wortels van die lelies en waterplanten als fonteinkruid, gele waterpest en ruw kransblad het geheel het aanzicht van een aquatisch oerwoud. Op de planten zitten kleine, doorzichtige bolletjes. ‘Ei-afzettingen van het een of ander’, zegt Teurlincx. ‘Die grote ronde lijkt me vissig.’

Niet één water in Nederland voldoet aan alle KRW-eisen. Alleen de Rode Beek, die bij Vlodrop langs de Duitse grens stroomt, is ecologisch op orde. In ruim honderd wateren is de biologie op orde, bij ongeveer de helft de fysische chemie, een term die vooral slaat op de aanwezigheid van meststoffen. Het zijn veelal kanalen en grote rivieren, waarvoor de lat lager ligt.

Het slotensysteem in het westen van de Bommelerwaard scoort een voldoende op beide vlakken. Alleen een aantal chemische stoffen zit boven de norm. Opvallend, voor een gebied met veel akkerbouw, fruitteelt en veehouderij. In buitenpolder Munnikenland, een natuurgebied in het westelijkste puntje van de Bommelerwaard waar ook Slot Loevestein ligt, is daarom goed te zien hoe het water er op meer plekken in Nederland uit zou kunnen zien.

Toch is het plaatje hier niet zo voorbeeldig als de ecologen hadden gehoopt. Aan de oeverbegroeiing is te zien dat het water veel lager staat dan normaal. Verderop in de polder liggen zelfs een paar sloten leeg, de bedding gescheurd door verdroging. ‘Voldoende water op de juiste tijd is hier een ding’, zegt De Senerpont Domis, die de ecologische beoordeling van het gebied erbij heeft gepakt.

Op het tweede gezicht vallen ook de algen op die tussen de lelies drijven. ‘Dat zal ook de droogte zijn’, denkt Teurlincx. Als het water uit de sloot verdampt, blijven de meststoffen hangen en neemt de concentratie toe. Zo blijkt ook een van de gebieden met het schoonste water kwetsbaar voor de vijfde bedreiging voor waterkwaliteit: droogte.

Desondanks gaat het met de natuurdoelen voor het water in dit gebied goed. Alleen de grote modderkruiper en de waterplant krabbenscheer hebben het moeilijk – die laatste vermoedelijk door water uit de nabijgelegen Waal, dat bij droogte de polder insijpelt.

Dat de singelgracht wel vol zit met ruw kransblad, verbaast de ecologen. ‘Kranswieren kunnen niet zo goed omgaan met veel voedingsstoffen’, zegt Teurlincx. ‘Het lichtklimaat moet ook goed zijn’, vult De Senerpont Domis aan. Fonteinkruid is eveneens gewenst, maar waterpest weer minder. ‘Tegenwoordig zijn we ook gewoon blij als we geen algen of kroos hebben’, zegt ze droogjes.

Aanhoudende droogte leidde in Poederoijen tot ‘schoon’, laag water en dichte begroeiing.

Water is in Nederland nooit ver weg, maar de problemen met de kwaliteit lijken ons nauwelijks nog op te vallen. ‘De associatie van wat goede waterkwaliteit is, is bij veel mensen vertekend’, denkt Teurlincx.

Zijn broer stuurde hem laatst een vakantiekiekje van het suppen op een rivier. Teurlincx schrok zich een hoedje, het water zag groen van de blauwalg. ‘Mijn broer had niets door, hij dacht dat blauwalg er heel anders uitzag.’

‘We zijn in Nederland zo gewend aan het beeld van slechte waterkwaliteit dat we veel eigenlijk wel prima vinden’, zegt Teurlincx. ‘In Nieuw-Zeeland gaat niemand zwemmen op een plek waar je in het water je tenen niet kunt zien. Waar zou dat in Nederland kunnen? Geen mens maakt zich daar druk over.’

Duidelijk is dat de waterkwaliteit de afgelopen decennia langzaam maar zeker is verbeterd. Teurlincx: ‘Maar als je sec naar de problemen kijkt die de slechte waterkwaliteit nu nog steeds veroorzaakt, dan hebben die serieuze consequenties voor onszelf. Laat staan voor de natuur.’

Vanuit zijn bed legde fotograaf Marcel van den Bergh vast ‘wat het weer met het water doet’

Volkskrant-huisfotograaf Marcel van den Bergh groeide op bij de Maas en kon er als kind al uren naar kijken. Door zijn lens zag hij de vele gezichten van het water in de dode Maas-arm aan zich voorbijtrekken.

Zwemmen in de Merwede levensgevaarlijk? Dat maakt Gorinchemers op bloedhete zomerdagen niets uit

Nederlanders zwemmen graag op niet-officiële zwemlocaties. Zo ook bij een strandje aan de Merwede, waar prullenbakken staan en in het water zelfs een ballenlijn ligt. Toch is het geen erkende, veilige zwemplek.

De Spaanse brandweer wacht op orders bij de zwartgeblakerde Picos

De meest verwoestende branden in dertig jaar bedreigen natuur, dieren en mensen in Noordwest-Spanje. Brandweerman Alfonso Álvarez stoort zich bij natuurgebied Picos de Europa aan het gebrek aan cooördinatie en de onervarenheid van zijn collega’s. ‘Ik ben op mijn 28ste al een van de veteranen.’

Source: Volkskrant

Previous

Next