Home

Moet je in iemands binnenwereld kijken om hem te begrijpen? Of zeggen zijn spullen genoeg?

Ter ere van een nieuwe editie van Georges Perecs klassieker De Dingen kruipt Maurits de Bruijn in de huid van de Franse alleskunner en beschrijft de levens van zijn personages aan de hand van hun spullen. Wat nu als ze die verliezen?

De gang zou majestueus moeten zijn. Met een brede, ondiepe kast die plaats heeft voor tientallen jassen. Ook de jassen van andere, op dat moment niet woedende seizoenen.

Naast de kast zou een bankje moeten staan. Rechts van dat bankje een varen, want varens hebben weinig licht nodig, leven aan de voet van enorme bomen die hun de zon ontnemen, zoals in deze gang de kast dat zou doen, het licht dat door het voordeurraam heen schijnt zou blokkeren.

Vloerbedekking in die gang, zodat alle geluid van de straat, eventuele buren of de tram verderop gedempt kan worden.

Een schoenloos huis zou het zijn, schoenen die mensen uitdoen op dat bankje, waar een ander woord voor is. Canapé, wat ook de benaming voor een decoratief hapje is waarvan een stukje brood of een cracker de basis vormt.

De gang zou reiken tot aan de achterkant van het huis, waar de keukenkastjes een raampartij omlijsten. En vanwege al dat licht zou het keukenhout donker mogen, grachtengroen. Inderdaad, echt hout, geen triplex. Een fornuis, fors en heet als een slapend beest, waarop altijd een Creuset staat. Een keramische, rechthoekige wasbak, bijna boerderijachtig, maar dat rustieke wordt opgeheven door de koelkast met ijsblokjesmachine, onmiskenbaar uit de 21ste eeuw, uit de fabriek, uit de stad, uit de VS.

Ondanks de praktische bezwaren ook daar de marmeren vloer.
Die vloer zou geen keuze zijn, althans – niet hun directe, onlangs gemaakte keuze, maar net als de indeling van de keuken, de binnendeuren, de ornamenten – de keuzes van hun voorgangers. Jonas en Sonny zouden niet alles hoeven uitdenken, niet voor elke ruimte een Pinterestboard aanleggen, dit huis zal komen met zijn eigen materieel, zijn eigen geur, zijn eigen tijd, en dat zou hen ontslaan van al te veel decoreerdrift.

Vrienden die de woning voor het eerst in zich zouden opnemen, zouden zeggen: ‘Daar hoef je niks aan te doen.’ Sterker: het mocht niet, want monumentaal zou die raampartij zijn die het achterhuis tot een soort serre transformeert waar een ronde eettafel haar vanzelfsprekende plek zou gaan vinden, vergezeld van royale, gestoffeerde stoelen en een serveerwagen met voldoende drank en niet één maar twee cocktailshakers.

Een ijsemmer zou hier liederlijk over tafel gaan, geen van hun vrienden zou een oppas moeten aflossen, want iedereen zou net als zij kinderloos blijven, hier zouden nummers uit hun late jeugd in eindeloze wachtrijen worden geplaatst, totdat de cocktails het van hun wilskracht wonnen en ze niet anders konden dan dansen en stiekem een sigaret uit het raam zouden roken die hen de volgende ochtend met lichte wroeging zou vervullen, en het zou die spijt zijn die hen zou doen geloven dat ze het daadwerkelijk naar hun zin hadden gehad.

De eetruimte zou zicht bieden op een tussenkamer waar, zoals het hoort, niet te veel gebeurt, al was het alleen al omdat boekenkasten de wanden bedekken.

Online hadden ze een marmeren lamp gezien met een geelgroene kap. Geen klassiek ding, het marmer was tot een wolkenkrabber op schaal gesneden. Bizar veel kaarsen in bijpassend chartreuse. Een kaarsendover! Een kaarsendover, inderdaad, en een schelpvormige schaal die ze op dezelfde site hadden gezien, van hetzelfde merk als de lamp, matwit, een draaikolk van groeilijnen – mooi als de maan - een brede opening waarin droogbloemen zouden liggen. Liggen, niet staan.

De Dingen

Nina Polak schreef over Perec zelf - niets past zo bij deze tijd als je eigen klasse beschimpen.
Gijs Beukers bezocht Vincenzo Latronico, die met De Perfecties een eerbetoon aan Perecs roman schreef, en besprak zijn hippe leren designstoel (en literatuur) met hem.

Verderop, in het midden van de zitkamer, een mobilé. Eindelijk, een mobilé, aantrekkelijk vanwege de uitgesproken nutteloosheid, want een mobilé is geen lamp, geen ventilator, maar zuiver ornamenteel. Aan de wand een schilderij van die ene kunstenaar met wie ze allebei flirtten op die kunstbeurs. Veel rozerood in het palet, dat goed afsteekt bij de bank. Een wolk van kiezelkleurig bouclé dat als een huis in zichzelf zou zijn, troostend in zijn formaat. Op de vloer een werk dat iets van schimmel wegheeft, eigenaardig op het eerste gezicht, tot hun vrienden hun blote voeten in de handgeknoopte en handgeverfde wol zouden laten zakken.

Rustpunt

Ze zouden als genereus te boek staan. Het huis een rustpunt voor hun vrienden, een stedelijk vakantieadres, de woning zou zelfs hun stem veranderen, de toon van een bas voorzien, van een kern, van zelfvertrouwen.

Ze zouden anders lopen, trager. Op feestjes weliswaar minder te zeggen hebben, maar niet vanuit ongemak. Nee, juist vanwege een onwrikbare kern die zich schil voor schil zou opbouwen, met iedere nacht die ze in het huis zouden slapen om daarmee iets van grandeur in zich op te zuigen.

In dat huis zouden Jonas en Sonny overhemden dragen. Niet de overhemden die hun vaders decennia eerder droegen, maar wijdgemouwde exemplaren van zijde en linnen. Het zou hen artistiek doen ogen, op het randje van zweverig, daar moesten ze voor waken. Al even wijde pantalons, velours loafers zonder kwastjes in een scala aan kleurstellingen.

Geen tekortschietend ondergoed meer in de kast. Een enkel sieraad in het oor, een aandenken aan een verre reis, maar niet al te inheems ogend.

En dan de jassen. Jezus, de jassen.

Tot zover hun dromen.

Spullen

De gang die ze nu bewonen is geurloos. Wit – te wit, vinden ze allebei, maar een gang schilderen is een helse klus. Aan de binnenkant van hun smalle voordeur bevinden zich haken met kinderlijk gekleurde knoppen waaraan hun zomerjassen en wat linnen tasjes hangen, een paraplu.

Geen van hun planten staan op de vensterbank, de rand van een kast of op de laminaatvloer die de vorige bewoners erbarmelijk slecht hebben laten leggen. Nee, iedere plant neemt plaats op een eigen sokkel. De varen op een mat metalen kubus. De yucca op een terrakleurig, keramisch ding. De visgraatcactus die in wezen geen cactus maar een succulent is op een kruk van plexiglas. Het maakt de planten tot autonome wezens die zelf op hun eigen voertuig dit appartement lijken te zijn binnengegleden. Alsof ze op een kringverjaardag zitten wachten op de nieuwe ronde koffie.

Het groen vormt, buiten het stel, het enige leven in huis. De rest is te reduceren tot spullen. Een plant is geen spul maar doet een beroep op je. Die vraagt en neemt een andersoortige ruimte in dan boeken of lampen. Essays worden er volgeschreven over de voorliefde die hun generatiegenoten tentoonspreiden voor groen, maar Jonas en Sonny zoeken niet naar een oorzaak.

Dat geldt voor alle culturele en sociaaleconomische analyses die over hen en hun leeftijdgenoten werden gemaakt. Ze zijn de vissen, kunnen het water waarin ze zwemmen niet duiden.

Het enige dat ze weten is dat hun generatie als armoedig maar vrij gezien wordt, wars van dogma’s, en dat geldt in meerdere mate voor hun specifieke situatie aangezien ze queer zijn. Dat maakt zelfs in hun wat conservatieve tantes en buurvrouwen afgunstige blikken los. Jullie zijn kinderloos, zeggen die blikken, jullie werken op een raadselachtige laptop aan de eettafel, jullie hebben talloze vrienden, jullie kunnen aan een weekenddag beginnen zonder te weten hoe en waar die zal eindigen.

Hun leeftijdsgenoten praten veelvuldig over intergenerationele trauma’s. Het is het buzzword van hun tijd. En dat is op zich prima. Maar gek genoeg heeft niemand heeft het over intergenerationele rijkdom, of intergenerationele armoede.

Soms hebben ze ruzie. Vaker dan ze zouden willen toegeven heeft die betrekking op hun interieur, hun kleding, het fineer van hun levens. Jonas wordt woest als Sonny voor vertrek in een outfit verschijnt die te veel gelijkenis vertoont met zijn pakje.

Ze werken ieder voor een bedrijf dat een paar jaar geleden nog een start-up was en zich richt op socialemediamarketing. Beide panden op een steenworp van het appartement waar hun planten tijdens kantooruren de wacht houden. Het komt erop neer dat zowel Sonny als Jonas mensen adviseert over hoe ze het beste kunnen profiteren van de werking van algoritmen en dienen in te springen op de aandachtsspanne van gen Z’ers, de notoir lastig te bereiken en te bespelen generatie die zich een trede onder hen bevindt.

Hun jongere collega’s bezitten een ondubbelzinnig voordeel, aangezien ze zich niet over die doelgroep hoeven te buigen. Ze zijn die doelgroep. Het maakt zowel Sonny als Jonas een tik achterdochtig, argwanender dan ze willen zijn. Zich constant bewust van het gevaar ingehaald te worden.

Ze hebben bijzonder veel stoelen, zeggen ze vaak tegen elkaar. Rond de eettafel staan er zes, twee in de slaapkamer, drie in de keuken. Zo veel stoelen, zeggen ze dan, het zijn er meer dan we nodig hebben. Het is hun favoriete meubel. Ze zien zelden een stoel waar ze een hekel aan hebben.

Bloedeloze objecten

Hun lichaam is ook een ding. Een voorwerp waarvan ieder mens inmiddels weet hoe het onderhouden dient te worden.

Of beter gezegd: vanwege die doelmatigheid die iedereen op het lichaam kan toepassen is het een ding geworden. Door de steriele blik waarmee we ook onszelf zijn gaan bekijken, verwordt alles tot een bloedeloos object.

De mobilé, losjes geïnspireerd op de klassieker van Calder, heeft Jonas in een designwinkel zien hangen waar veel van zijn wandelingen uiteindelijk op uitkomen. Boven een bank van een Frans merk, een model dat onlangs opnieuw in productie is genomen en dat Sonny met zijn beduidend ruimere salaris wellicht zou kunnen bekostigen – na nog een paar maanden sparen.

Hij kijkt op hun gezamenlijke rekening. Dat moet lukken. Dan zou hij na die aanschaf zelf de mobilé stelen.

Het kan alleen vanwege de privileges die hij geniet. Zijn witte huid. Zijn goed verzorgde gezicht, gestreken kleren. Dat weet hij dondersgoed.

Maar, zo beredeneert hij, door zonder zijn medewerking of medeweten spullen en boodschappen te ontvreemden, stelt hij Sonny in staat van precies dat witte privilege te profiteren.

Stelen is eenvoudig, weet Jonas. Zeker wanneer je rechtop loopt. Júíst rechtop, jezelf nooit verstoppen maar wentelen in je zichtbaarheid. Wat helpt is kleding, de kleding die vermogende mensen dragen. Wit staat voor onschuld, voor transparantie. Hij heeft een zwarte, lakleren tas met reptielachtige structuur die net als een slang uitdijt om een konijn te verzwelgen en daarom in staat is verrassend grote dozen te verhullen.

Het windt hem op, inderdaad. Het geeft hem de suggestie van controle, het geeft hem – niet in de laatste plaats – de spullen die hij steelt. Het voorziet hem van een sterkere positie binnen de relatie.

Hij is de Kerstman.

Huisgenoten

Zo veel van hun voorkeuren hebben hun lijflijke aanwezigheid verloren en zijn immaterieel geworden. Geen platenkast maar Spotify, geen stapels Groene Amsterdammer maar een app die er toegang toe geeft. Dat is de reden dat de objecten die hun interieur vormen de enige betekenisgevers zijn geworden, het enige dat hun inborst, hun stijl kan toelichten.

Dat is waarom niemand meer reproducties aan de muur heeft hangen, maar ieder ingelijst werkje telt. Waarom planten onmogelijk van kunststof kunnen zijn gemaakt. Laminaat vrijwel onnacceptabel is geworden. In het licht van zo veel niets moeten waarachtige spullen worden ingebracht.

En die spullen vormen inmiddels hun huisgenoten, waarvan alleen Jonas weet dat ze niet in het bezit zijn van de juiste papieren. Toen de Bose-speaker het leven liet en Sonny over het garantiebewijs begon, wist Jonas het gesprek nog maar net naar veilig terrein te dwingen.

Die spullen, die vaak accessoires worden genoemd en voor sommige van hun vrienden reden genoeg zijn om bij ieder bezoek een rondje door hun appartement te maken op zoek naar de nieuwste aanwinsten, moeten twee keer per week worden gestoft.

Het leven kan bijzonder schoon zijn, nu, weten ze inmiddels. Dat weet iedereen. Er zijn zo veel schoonmaakmiddelen, geurstokjes, robotische dweilen! Apparaten die de lucht binnenshuis schonen van stof en bacteriën. Al die mogelijkheden leggen druk op hen, want waar en wanneer op te houden? Ze weten het niet.

Veel stellen die ze kennen bestaan uit een slobberige partner en een partner die kuis is, zodat de staat waarin hun huis verkeert zich ergens op het spectrum ertussen bevindt. Maar Sonny en Jonas zijn beiden geobsedeerd geraakt door de schoonheid en kuisheid van dingen. Zo sterk dat voordat hun vrienden aanbellen, beide mannen verkrampt om zich heen blijven zoeken, bezig nog een laatste plukje of stofje te vinden. En inderdaad: het kan altijd netter, en dat is gekmakend.

Als hun gasten vertrokken zijn, heerst er iets van opluchting, tot een van hen naar het toilet gaat en ziet dat de kop van het zeeppompje vettig is.

Hun generatie is bedorven, weten ze. Met zichzelf ingenomen. Ze weten dat ze kunnen leunen op de restanten van comfort die hun ouders voor hen zullen achterlaten, wanneer het zover is. In hun geval: de ouders van Jonas. Sonny hoeft nergens op te rekenen.

Er zijn nachten waarop Jonas alles voor zijn geestesoog ziet instorten. Hoe zijn jongere collega’s hem definitief zullen inhalen en de baan van Sonny vervolgens ook op de tocht komt te staan. Ze allebei genoegen moeten nemen met minder. Een callcenter. Horeca. Hoe hun maandelijkse hypotheekafschrijving ongestoord voortdondert. Nooit meer uit eten. Zo erg kan dat niet zijn.

Geen restaurants, alleen nog maar hosten. Het zou hem nog vaker naar de lakleren tas doen grijpen, dat lila lampje dat hij laatst zag. In exact de kleur van hun keukengordijn. Bijpassende kaarsen. Sowieso: bijpassende kaarsen. Eenvoudig weg te grissen, als ratjes aan de slangenleren tas voeren.

Dit soort nachten is eerder regel dan uitzondering. Jonas piekert terwijl Sonny in diepe slaap is gehuld. Want wat de volgende generatie hem niet afpakt, dat neemt AI wel van hem over. En dat alles zonder de opwaartse bewegingen die zijn ouders en gen X’ers hadden weten te maken.

Die neerwaartse gedachtestromen stevenen vrijwel altijd op paniek af. En de enige conclusie die troost biedt, is het vooruitzicht van de naderende dood van zijn ouders, zodat hij hun hypotheekvrije woning te koop kan zetten, de helft van de buit aan zijn zus kan geven en de andere helft op zijn eigen spaarrekening kan laten overschrijven om zo eindelijk iets van een financieel fundament onder zijn bestaan te voelen.

Hij houdt de gemiddelde vierkantemeterprijs van hun woonwijk in de gaten. Die heeft net de 5.000-eurogrens overschreden.

Waar gaat de reis heen?

De douanebeambte wenkt hen met een verveeld handgebaar. Een geroutineerde ondervraging volgt. Ze zijn het gewend.

Of: Sonny dealt er al zijn hele leven mee en Jonas heeft dit soort speldenprikjes leren kennen sinds hij met Sonny door de wereld beweegt. Een man van kleur roept vragen op, onrust in het slechtste geval, en een witte partner zal zeker wat verdachtmakingen dempen, maar dat dempen hapert als die witte partner een man betreft.

Waar gaat de reis heen, heren, vraagt de geüniformeerde man, alsof ze niet meer dan kennissen van elkaar zijn, zakenrelaties.

Mexico, is het antwoord, ze houden allebei van landen die met de letter M beginnen, ze willen kunnen meepraten over Oaxaca, ze verheugen zich erop de stadsnaam perfect uit te spreken in gezelschap van hun vrienden. Ze hopen dat de wereld zich tijdens deze vakantie weer aan hen zal openbaren als een zwembad om vrijelijk in rond te zwemmen.

Gedurende hun vakantie verhuren ze hun appartement voor een ongelofelijk bedrag. Zullen drie weken lang voor een fractie eten van wat ze in Nederlandse etablissementen moeten afrekenen. Ze hebben op Airbnb de meest eenvoudige plekken geboekt en ondernemen dagtripjes naar luxueuze hotels om die op hun Instagram-stories te gooien.

Uit een rechthoekig zakje eten ze gezouten amandelen. Het goedkoopste dat ze op de menukaart van de luchtvaartmaatschappij kunnen vinden. Ze voelen zich bevrijd. Al gaat het om een drieweekse vakantie, ze hebben het gevoel voorgoed te ontsnappen aan de loop van presteren, binnenharken, uitgeven, uitstallen, gevolgd door presteren, binnenharken, uitgeven, uitstallen.

Het vliegtuig zet een larmoyante daling in. Ze klappen hun tafeltjes in, het gedurende de vlucht verzamelde afval even in hun handen, ze glimlachen naar elkaar.

Voordat het toestel de grond raakt, overhandigt Jonas zijn partner een pakketje. Sonny bedankt hem uitvoerig. Trots slaat Jonas de Apple Watch om de smalle pols van zijn partner, alsof het een verlovingsring is.

Het is precies dat ding dat de jonge jongens die hen een week later zullen beroven, moet zijn opgevallen, denkt Sonny later. Een digitaal horloge met een gouden schakelband, een waarde van bijna 1.000 euro.

En ja, hij zal zich even afvragen van welk geld Jonas het ding heeft betaald.

Hoe vernederend

Ze zijn met z’n vieren. Blijkbaar zorgt één mes voor voldoende dreiging. Ze dragen niet eens leren jassen. Ze lijken niet eens gespannen.

Wat verbazingwekkend is, en hen later nog zal verbazen, is hoe vernederend de situatie voor Jonas en Sonny is. Terwijl de groep jongens hen sommeert het horloge te geven, en hun vervolgens bevelen afstand te doen van hun overige waardevolle spullen, bekruipt Jonas het gevoel dat niet alleen zij op dat moment worden beroofd, maar dat ook hun huis het moet ontgelden.

Dat precies op dat moment, in Nederland, exact hetzelfde gebeurt met de spullen waar Sonny eerlijk voor heeft betaald en die Jonas ontvreemdde.

Hoe hun huis het voortaan moet stellen zonder de dure speaker, de uitzonderlijke vaas, het wandkleed, de lamp die met de gordijnen matcht, de mobilé, de robotdweil die niet zal weten hoe te communiceren met zijn toekomstige eigenaars.

Het is Sonny die de jongens vraagt of hij alsjeblieft zijn telefoon mag houden, zodat hij, nadat ze de groep hebben laten wegkomen, een taxi kan bellen. De groep lacht.

Wanneer ze van hun reis terugkeren, zal hun oude leven niet meer om hun nieuwe, gebruinde, gespannen lijven passen. Hun vrienden zullen niet meer als hun vrienden voelen, en ze zullen het aan de straatroof wijten.

Althans, Sonny zal dat doen. Voor hem is het de paniek die op dat moment werd losgeweekt en niet meer is gaan liggen. Jonas zal diep vanbinnen voelen dat het zijn schuldgevoelens zijn die maken dat hij niemand meer onder ogen kan komen.

Ze zullen zich gedwongen zien de stad te verlaten. Ze zullen zich kwetsbaar voelen in het alsmaar uitdijende Zoetermeer. Ze zullen er een karakterloze wijk bewonen, een gladgestreken huis met ruimte voor een logeerbed.

Ze zullen kinderloos blijven, en Jonas zal wachten tot zijn ouders komen te overlijden.

Ze zullen ondanks de achtertuin en het nabijgelegen, recent aangelegde park, toch geen hond nemen. Ze zullen er oud worden. Er zal een knagend verlangen in hun bovenlichamen blijven rondzingen en maar in de leegte blijven happen als een pacman die nog niet weet dat het spel voorbij is.

Georges Perec: De Dingen. Uit het Frans vertaald door Edu Borger. De Arbeiderspers; 152 pagina’s; € 20.

Maurits de Bruijn stond dit jaar op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs met zijn roman Man maakt stuk. In mei publiceerde hij zijn veelbesproken non-fictieboek over Gaza: Geweten – Over Israël en Palestina.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next