Meneer Heikamp (76) krijgt geen lucht. ‘Dat komt door...’, zegt hij, maar hij kan zijn zin niet afmaken. Hij hapt naar adem. Dan begint hij aan zijn ademhalingsoefening en ik doe met hem mee: diep in, kort weer uit. Zijn ademhaling maakt een zagend geluid. Ik zie hoeveel moeite het hem kost en dat het nauwelijks verlichting geeft; de paniek danst in zijn ogen.
Pas als het eindelijk iets beter gaat, kan hij zijn zin afmaken: ‘Door mijn zus.’
Dat meneer Heikamp hier ligt te stikken komt niet alleen door zijn zus, maar ook door zijn longziekte: COPD. Zijn longen en luchtwegen zijn ernstig beschadigd. Medicatie en extra zuurstof helpen niet meer. COPD krijg je door het langdurig inademen van vervuilde lucht; meestal is roken de oorzaak. Bij meneer Heikamp is dat ook zo.
‘Ga maar bij meneer Heikamp kijken’, zeg ik tegen mijn collega’s die zich in de pauze verzamelen om achter het verpleeghuis een sigaret te roken. ‘Zo gaan jullie later ook dood.’
Eerst begreep ik niet waarom meneer Heikamp altijd extra buiten adem is nadat zijn zus op bezoek is geweest, want ze praat zo veel dat hij zelf niets hoeft te zeggen. ‘Ze kan haar klep niet houden’, zegt hij er zelf over. Maar ik denk dat ik het inmiddels wel begrijp: meneer Heikamp ergert zich voortdurend aan zijn zus, maar hij heeft de adem niet om er iets van te zeggen. Dat is vast heel vermoeiend.
Tijdens mijn nachtdienst kan meneer Heikamp niet slapen. Hij zit rechtop in bed tv te kijken, in de hoop dat het hem afleidt van het verstikkende gevoel. Het enige wat nog een beetje verlichting biedt, is morfine, maar ik heb hem inmiddels de maximale dosis al toegediend.
Hij ziet bleek rond zijn neus; in zijn dossier lees ik dat hij de afgelopen dagen nauwelijks heeft gegeten. Ik denk dat meneer Heikamp stervende is.
Tegen zevenen, wanneer mijn dienst bijna voorbij is, bel ik zijn dochter. ‘Het gaat helemaal niet goed met uw vader’, zeg ik.
De dochter begint te giechelen. Van de zenuwen, denk ik.
‘Bent u van plan vandaag langs te komen? Ik bedoel, als u uw vader nog wilt spreken, dan moet u vandaag langskomen.’
We spreken af dat zijn dochter de andere familieleden op de hoogte stelt.
Dan gaan mijn collega en ik nog een laatste keer naar meneer Heikamp. Ik geef hem een klopje op zijn schouder en aai even over zijn hoofd. Mijn collega neemt zijn handen in de hare en drukt er een kus op.
Hij kan geen geluid meer maken, maar we kunnen liplezen wat hij zegt: bedankt.
De volgende avond, als ik weer aan mijn nachtdienst begin, kom ik meneer Heikamps zus tegen. Ze vertelt dat hij die dag inderdaad is overleden en begint uit te leggen hoe het is gegaan. Ik heb met haar te doen; dikke tranen rollen over haar wangen en maken natte plekken in haar blouse. Maar haar verhaal duurt lang. Ik probeer onopvallend op de klok te kijken. Ik moet naar de verpleegpost, waar mijn collega’s op me zitten te wachten.
‘Het was heel bijzonder’, zegt ze. ‘Alsof hij op mij had gewacht. Ik ging naast hem zitten, begon te praten en toen blies hij zijn laatste adem uit.’
‘Ja’, zeg ik. ‘Dat is inderdaad heel bijzonder.’
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant columns