Naar het speelse werk van grafisch ontwerper Karel Martens, nu te zien in het Stedelijk Museum, moet je altijd twee keer kijken. ‘Pas als er iets in een werk niet klopt, wordt het interessant.’ Zijn favorieten heeft hij er ook op uitgekozen.
Karel Martens (86) noemt zichzelf een ‘dorpsjongen’ die lange tijd in relatieve stilte, ver weg van de Randstedelijke kippendrift, aan zijn grafisch oeuvre bouwde en pas op zijn 70ste naar Amsterdam trok. Daar is nu in het Stedelijk Museum een groot overzicht van zijn werk te zien. ‘Ik ben apetrots. Straks ga ik zelf nog geloven dat het wat voorstelt.’
Het werk van Martens is nooit pretentieus, streng of behaagziek. Het is licht, vol van maakplezier en heeft een twist waardoor hij je twee keer laat kijken. ‘Pas als er iets in een werk niet klopt, wordt het interessant.’ Zijn atelier in Amsterdam ademt de geschiedenis van een leven lang verzamelen, experimenteren en aardverschuivingen meemaken in de grafische techniek. Een gietijzeren boekbinderspers van Krause staat te midden van grote Apple-schermen. Op een daarvan licht een gele zon op: de cover van dit magazine die hij speciaal voor de gelegenheid op verzoek heeft ontworpen.
Martens’ atelier is al ruim zestig jaar zijn habitat. ‘Vroeger kon ik er 24 uur achter elkaar werken.’ Dat gaat niet meer, maar nog steeds probeert hij elke dag een ‘druksel’ uit zijn Krause te toveren, schetst hij ideeën of opent hij een doos die in de overvolle stellingkast staat, met het opschrift: ‘nog niet klaar’. ‘Ik heb meer spijt van de dingen die ik niet heb gedaan, dan van wat ik wel heb gemaakt en niet is gelukt.’
Veel van wat er wel lukte, is te zien in het Stedelijk op de tentoonstelling Karel Martens – Unbound. Vrolijke kleurenschema’s voor Franse strandhuisjes, monoprints, boekomslagen, affiches, gevelletters, postzegels en klokken die knikkebollen op het ritme van hun seconden. ‘Grafisch ontwerp is meestal statisch, maar ik vind beweging fascinerend. In dans, in film en in de zorgeloze motoriek van spelende kinderen.’ Misschien komt daar het speelse in zijn werk vandaan, werk dat meestal niet begint met een blanco vel papier, maar met restmaterialen waar de stellingkasten vol mee staan. Een oude Donald Duck die hij in repen snijdt, een ingeïnkt stukje meccano dat hij over een onbruik geraakte archiefkaart drukt. Het kan bij hem alle kanten op.
‘De omschrijving grafisch ontwerper heb ik altijd als een hinderlijke beperking ervaren. Voor mij is het wat ik doe zo veel breder dan alleen werken aan een affiche, een cover of een logo.’ Martens is het type intuïtieve maker, die het werk zonder vooropgezet plan onder zijn handen laat groeien. Hij gruwt van begrenzingen uit een stijlboek of een grid waar letters hun vaste plaats hebben. ‘Er zijn ontwerpers die hun hele leven bezig zijn de letter Times New Roman te verbeteren. Ik bedenk liever zelf iets.’
Toen hij klein was, zag hij zijn vader werken op de typemachine. ‘Wat, dacht ik, als die letters geen letters zouden zijn, maar figuurtjes? Een alfabet van figuurtjes. Wat krijg je dan?’ Hij wist toen nog niet dat hij dyslectisch was, een factor die zijn schooltijd zou vergallen. ‘Woordblindheid is een handicap, maar ik heb een manier gevonden om ermee te leven.’ Zijn revanche op het alfabet is misschien wel dat hij letters al zijn leven lang in de maling neemt. Hij gooit ze door elkaar, zoals in het voorwoord van museumconservator Thomas Castro in het boek bij de tentoonstelling Unbound. Het staat er vier keer in, drie keer in een onleesbare verhaspeling, pas de vierde versie is leesbaar. ‘Dat je je best moet doen om iets te lezen, kan een middel zijn om aandacht te krijgen voor iets wat je meestal overslaat.’
De tikmachine die een alfabet van figuurtjes uitspuugt, waarover Martens als jongen fantaseerde, heeft hij niet uitgevonden. Maar hij komt dichtbij met zijn werk Icon Viewer (2014), een digitale filmcamera die beeld projecteert in grove pixels. ‘De pixel is in mijn werk belangrijk, omdat dit het kleinste partikel is in het grafisch vak.’
Als jongen van het platteland heeft Martens in de periferie zijn eigen stem gevonden, waar Unbound een bekroning van is. ‘Ik heb me in mijn beginjaren een beetje verscholen op het platteland. Niet dat ik iets tegen de stad heb, maar daar kijken ontwerpers te veel naar elkaar. Met als risico dat je dan de norm buiten jezelf legt.’ Dat is niet hoe Martens in elkaar zit. ‘Toen ik van de kunstacademie in Arnhem kwam, dacht ik: ik kan er nog niets van, ik moet er hard voor werken.’ Dat harde werken is een universum geworden waar letters, stippen, cijfers, pixels en gevonden materialen de fundamenten vormen van een eigenzinnig oeuvre. Techniek, stijlopvattingen noch de tijd krijgen vat op hem; hij is al zestig jaar lang heel erg Karel Martens.
CV Karel Martens
1939 Geboren in Mook en Middelaar
1957-1961 Academie voor Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid Arnhem
1961 Vestigt zich als grafisch ontwerper
1977 Docent kunstacademie Arnhem, in 1994 medeoprichter werkplaats Typografie, grafische masteropleiding
1993 Werkmanprijs voor vormgeving architectuurtijdschrift Oase, dat hij tot heden ontwerpt
1994 Docentschap aan Jan van Eyck Academie
1996 Dr. A.H. Heineken Prijs voor uitgave Printed matter
1997 Gastdocent Yale University
1998 Wint de Goldene Letter, samen met Jaap van Triest, voor Printed Matter
2012 Gerrit Noordzij Prijs voor letterontwerp
2016 Solotentoonstelling P1 in New York
2017 Couleurs sur la plage, kleurencombinaties voor strandhuisjes in Le Havre
2019 Start Martens & Martens, ontwerpbureau met zijn kinderen
2023 Piet Zwart Prijs van de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers
2023 Ontwerp voor wegbelijning 30 kilometerzones in Amsterdam
2025 Eerste Nederlandse museale solo, Karel Martens – Unbound, Stedelijk Museum Amsterdam, t/m 26/10.
Als gastdocent aan de opleiding grafisch ontwerpen van Yale verbleef Karel Martens vanaf 1997 jaarlijks een maand aan de universiteitscampus in New Haven. In het weekend trok hij New York in. ‘De zaterdagmarkt op Union Square in New York is een van mijn favoriete plekken.’ Op de ochtend van 11 september 2001 was hij bezig met een workshop toen het bericht kwam van de aanslag op de Twin Towers, hemelsbreed 80 kilometer verderop. De rest van de dag zat iedereen in de universiteit vol ontzetting voor een groot tv-scherm. ‘Toen ik later terugkwam op station Union Square ontdekte ik een tegelwand waarop stickers met namen van slachtoffers waren geplakt. Geen officieel monument, maar een actie van een paar New Yorkers. Op elke tegel een sticker met de naam, soms getypt, soms handgeschreven, van een slachtoffer en de sterfdatum: 9/11/2001. Dat is alles. Het is ingetogen, simpel, het ontroert me. Veel meer dan officiële monumenten uitgevoerd in zware stenen, die soms pompeus aandoen.’
‘Dikke boeken lezen is lastig als je dyslectisch bent. Op de kunstacademie in Arnhem maakte ik kennis met het werk van Bordewijk, Elsschot en Nescio. De korte baan is voor mij beter te doen. Pas toen ontdekte ik wat lezen voor je kan betekenen.’ De duizend pagina’s van De Toverberg van Thomas Mann durfde hij pas laat in zijn leven aan. Op advies van zijn vrouw, die een fervent lezer is. ‘Fantastisch boek, het gaat eigenlijk over niks, nou ja, over menselijke verhoudingen in een sanatorium op die berg, in relatie tot wat zich in het dal afspeelt. Over twijfels en overwegingen. Het is eerlijk, het is eenvoud, dat is meestal de beste keuze bij elk werk.’ Over het boek van Mann heeft hij een jaar gedaan en hij heeft het nog niet uit. ‘Het is zo bijzonder dat ik het niet tot de laatste bladzijde wilde uitlezen. Het eind bewaar ik voor het laatste deel van mijn leven.’
‘Ik heb een groot zwak voor kunstenaars en ontwerpers die experimenteren, die geïnteresseerd zijn in het alledaagse en dat net in een ander perspectief weten te zetten.’ Dat gebeurt allemaal in Man with a Movie Camera, een geluidloze Russische avant-gardefilm uit 1929. Filmmaker Dziga Vertov trekt de stad in en registreert ogenschijnlijk zonder script een uur lang alles wat voor zijn camera komt. ‘Het is alleen maar beeldtaal, de film heeft geen plot, geen structuur. Ja, er is wel een structuur, Vertov is net als ik gefascineerd door beweging. Mensen, auto’s, treinen, een orkest dat een stuk inzet, mensen die trouwen, werken en feesten.’ Man with a Movie Camera staat hoog aangeschreven bij filmhistorici vanwege de camerastandpunten, montage, jump cuts en beeld-in-beeldeffecten. ‘Ik draaide de film graag voor studenten. Goed kijken naar alledaagse taferelen, hoe mensen bewegen. Het is een van mijn belangrijke inspiratiebronnen.’
‘Meestal wordt een werk pas interessant als je net iets te ver gaat’, zegt Martens. ‘Als ik het te mooi wil maken, wordt het pleasen. Dan stelt het niets voor.’ Diezelfde houding ziet hij bij twee pioniers in het grafisch vak. ‘Piet Zwart en Willem Sandberg hebben grote betekenis gehad voor de ontwikkeling van vormgeving. In hun tijd waren er nog maar weinig voorbeelden, zij zochten hun eigen weg.’ Zwart is zowel typograaf als industrieel vormgever, die ook keukens voor Bruynzeel ontwierp. Sandberg is een meer autonoom werkende graficus die na de oorlog directeur werd van het Stedelijk Museum Amsterdam. ‘Hun werk is oorspronkelijk, geen gezeik en heel radicaal. Voor mij laten ze zien dat het grafisch vak heel breed is.’
‘Ik zag dat schilderij voor het eerst op de kunstacademie in Arnhem. Een zwart blok op een witte ondergrond. Wat krijgen we nou, dacht ik. Dat het zo bijzonder was, begreep ik niet meteen. Een dorpsjongen, hè. Later ben ik de magie ervan gaan herkennen, de extreme uitkomst van denken over wat schilderkunst is.’ Malevitsj was een Pools-Oekraïense schilder die via het impressionisme en kubisme steeds abstracter werk ging maken. In 1915 resulteerde dat in een zwart vierkant. Het is een ijkpunt in de ontwikkeling van abstracte schilderkunst. ‘Wat ik op academie heb geleerd, is dat er magie uitgaat van het radicale. Dat iets betekenis kan hebben zonder dat je het meteen begrijpt.’
‘Letters die wat anders doen dan je verwacht, dat oefent grote aantrekkingskracht uit op mij.’ Zoals meer van Martens’ werk leest de cover die hij maakte voor Volkskrant Magazine als een letterpuzzel. De inhoudsregels trekken schuine regenbanen over een helgele zon. ‘De briefing voor de cover hield niet heel veel meer in dan dat het een zomernummer zou worden. Ik had eerst alleen die gele zon, maar dat typeert niet echt de wisselvallige Hollandse zomers.’ Het idee voor de typografie ontstond door een werk van Guillaume Apollinaire, een vrije geest die zijn experimentele poëzie maakte in het Parijs van begin 20ste eeuw. Hij schreef gedichten in de vorm van een object (een hart, een appel) of gebouw (de Eiffeltoren). Il Pleut uit 1916 is een melancholisch gedicht over verlatenheid en verloren liefde, waarbij de tekst in pijpenstelen over een wit vel stroomt. ‘Soms zijn de letters handgeschreven, maar in Il Pleut zijn de letters getikt. Geweldig werk. Die Hollandse zomercover is mijn ode aan Apollinaire.’
‘Dyslexie heeft me mijn hele middelbareschooltijd dwars gezeten. Ik werd de les uitgestuurd omdat ik een gedicht niet kon voordragen. Dat knaagt aan je zelfvertrouwen.’ Voor Martens betekende zijn tijd op de Arnhemse kunstacademie een keerpunt. ‘Daar waren opeens docenten die wél wat in je zagen.’ Ze moedigden hem aan tentoonstellingen te bezoeken en boeken te lezen. Henk Peeters, een van oprichters van de kunststroming Nul, nam een koffer platen mee naar school. ‘Luisterden we de hele les alleen naar muziek.’ Peeters was om meerdere redenen belangrijk voor Martens. ‘Hij en andere kunstenaars trokken met de Nul-beweging de kunst van haar voetstuk en maakten hun werk met alledaagse restmaterialen. Peeters heeft me doen inzien dat je ook het niet-belangrijke serieus moet nemen.’
‘Ik val voor wat oorspronkelijk en echt is. Of het nu in een ontwerp, muziek of kunst zit.’ Zijn muzieksmaak is breed, maar Amerikaanse country en blues heeft een speciale plek in zijn hart, vooral vanwege de eenvoud. Favoriet zijn Dolly Parton maar vooral ook Hank Williams, een geniale en tragische liedjesschrijver. Hij stierf in de jaren vijftig eenzaam aan een mix van pillen en alcohol op de achterbank van een auto, onderweg op een eindeloze tournee. ‘There’s a Tear In My Beer is een prachtig simpel nummer, over een liefde die je heeft verlaten. Dat je daar op zo’n manier in tekst en muziek uitdrukking aan kunt geven, ik vind het prachtig.’
Wie op de tentoonstelling Unbound in het Stedelijk ziet hoe Martens boeken en tijdschriften uit elkaar haalt en ze hermonteert tot iets anders dat toch nog herkenbaar is als een oude Donald Duck of een exemplaar van Das Kapital van Karl Marx, zal niet verbaasd zijn dat hij een fan is van de kunstenaar Peter Kubelka. Deze Oostenrijker gebruikt film als medium, maar het eindresultaat heeft niets te maken met wat je als filmverhaal kunt herkennen. Kubelka’s werk bestaat uit collages van lange stroken filmnegatieven die hij tegen een witte achtergrond plaatst. In 1960 maakte hij met Arnulf Rainer een van de eerste flicker films, een montage van sterk wisselend licht-donker-beeld dat een stroboscoopeffect geeft. ‘Het zijn oplichtende frames in een ogenschijnlijk willekeurig ritme. Simpeler kan bijna niet.’
‘Voor mij is het fascinerend hoe moderne choreografen omgaan met het menselijk lichaam. Klassieke dans spreekt me minder aan, omdat het ingestudeerde virtuoze bewegingen zijn, een pirouette of een arabesk. Knap, maar het maakt bij mij niet veel los. Toen ik voor het eerst de film van Wim Wenders over de Duitse danser en choreograaf Pina Bausch zag, raakte ik gegrepen. Hoe zij van alledaagse bewegingen lichaamstaal maakt, dat is heel krachtig. Ik vergelijk het met typografie, waarin de letters acteurs zijn en alles draait om menselijke gedragingen en hoe hun positie in de ruimte de spanning bepaalt.’
Onze gids dit weekeinde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een bekend persoon (op velerlei terreinen) uit binnen- of buitenland ons gidst langs zijn of haar favorieten.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant