Home

Hoezo hebben we een identiteit? Steeds maar weer jezelf ontdekken? Zonde van de tijd

Identiteit Het geloof in een onvervreemdbare persoonlijke ‘identiteit’ maakt mensen rigide en onverdraagzaam en is een kwaadaardige illusie. In werkelijkheid hebben mensen bijna niets ‘van zichzelf’, meent Alexander Douglas in het uitdagende Against Identity.

Het algoritme zal zijn redenen hebben, maar in mijn tijdlijn verschijnt met regelmaat een fragment uit een podcast met de Britse actrice Joanna Lumley, waarin ze stelt dat mensen veel te veel met zichzelf bezig zijn. Zo interessant zijn we helemaal niet, eigenlijk zijn we te saai voor woorden. „Steeds maar bezig zijn te ontdekken wie je bent, zonde van je tijd.”

Liever leest Lumley boeken, kijkt ze naar schilderijen, praat ze met anderen om ideeën op te doen. Dus u bent niet iemand voor introspectie, vraagt de interviewer. Lumley: „Ik zie er het nut niet van in. Also, I am as shallow as a puddle.”

Dat er aan onszelf an sich niet veel te beleven valt, is natuurlijk vloeken in de kerk van het heilige individu. Je wordt geacht jezelf te verwezenlijken, te bevrijden van wat je afremt of dwarszit, eindeloos te werken aan jezelf, geest, lichaam, geld, status. Maar voor de jonge Australische filosoof Alexander Douglas is juist die notie van het onbepaalde zelf het uitgangspunt van zijn uitdagende essay Against Identity.

Het hele idee dat we vanuit onszelf iets zijn, een identiteit hebben die diep in ons verscholen ligt, is wat hem betreft de wortel van alle kwaad, en een ‘romantische leugen’ bovendien. Vanuit onszelf zijn we niks bepaalds, alles wat we van binnen denken te vinden, vinden we in werkelijkheid buiten onszelf.

Anders gezegd: we doen niet, we doen na.

Maar dat achteloze zelfinzicht van Lumley is voor de meeste mensen onverteerbaar. Want het betekent dat we zelfs wanneer we het meest „onszelf” zijn, we ons hebben aangepast aan modellen die we in de buitenwereld hebben gevonden. Daarom zie je zoveel vrije individuen precies hetzelfde doen. Zoals Oscar Wilde schreef: „De meeste mensen zijn andere mensen. Hun gedachten zijn de meningen van iemand anders, hun levens mimicry, hun hartstochten een citaat.” Of om een van de drie denkers waar Douglas zijn essay aan ophangt, de Frans-Amerikaanse denker René Girard, te citeren: „Individualisme is een formidabele leugen.”

Kwaadaardige illusie.

Dat natuurlijke gebrek aan eigenheid ontkennen, ervan uit blijven gaan dat wij vanuit onze identiteit een stempel op de wereld kunnen drukken, is wat Douglas betreft het resultaat van een kwaadaardige illusie. Want het geloof in onze ‘identiteit’ maakt ons rigide en onverdraagzaam. Om onze illusie te beschermen, stellen we ons vijandig op jegens andere identiteiten.

De waarden en overtuigingen die deel uitmaken van onze „identiteit” mogen niet bevraagd worden, want dan komt ons „wezen” in gevaar. Daarom kunnen we elkaar de hersens inslaan vanwege betekenisloze symbolen, daarom willen we in de debatten niet overtuigen maar domineren, daarom houden we vast aan denkbeelden en meningen wanneer de feiten ons domweg ongelijk geven.

Naast Girard gaat Douglas te rade bij twee andere filosofen, beide afkomstig uit een totaal andere tijd en cultuur, de Chinees Zhuangzi, die leefde in de 4e eeuw v.Chr. en als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het daoïsme geldt, en Spinoza, over wie Douglas eerder al twee boeken schreef. Wat de drie gemeen hebben, aldus Douglas, is dat ze alle drie in een tijd leefden waarin de vaste collectieve structuren in samenleving verkruimelden en mensen op zoek gingen naar hun identiteit als houvast.

De denkers van Douglas keerden zich juist tegen dat identitaire denken, omdat het onherroepelijk tot uitsluiting en geweld leidt. Bovendien is het een zoektocht zonder einde. Douglas: „Onze hang naar identiteit brengt ons ertoe anderen na te volgen, navolging leidt tot rivaliteit, rivaliteit leidt tot een algemene strijd, een algemene strijd tot een samenbindende vijandigheid jegens een vervolgde minderheid.” Dat houdt in dat een gemeenschappelijke identiteit alleen kan bestaan door minderheden uit te sluiten – of te vernietigen. Bedenk de voorbeelden er zelf bij.

De illusie van een eigen identiteit leidt nog tot een andere doodlopende weg – het progressieve idee dat je jezelf kunt bevrijden wanneer de maatschappij jouw identiteit als gelijkwaardig erkent, dat gevoelens van woede en miskenning enkel het resultaat zijn van systematische onderdrukking. Volgens Douglas is verbetering van maatschappelijke omstandigheden broodnodig, maar het idee dat een identiteit ooit helemaal zichzelf zou kunnen zijn in een ideale samenleving is opnieuw een romantische leugen; volgens hem zijn die identiteiten juist gevormd door, en dus ook afhankelijk van, die maatschappelijke repressie.

Ook dat is een ongemakkelijke notie – laten we ons deels bepalen door de (vijandige) blik van anderen? Douglas ontkent dus ook hier de notie van een autonome identiteit, die alleen de ketens af hoeft te schudden om „zichzelf” te kunnen zijn.

Uit één stuk

Waarom wil een mens iemand uit één stuk zijn? Aan de grondslag van de hang naar identiteit, betoogt Douglas zien, ligt een metafysisch streven. De ander die wij als voorbeeld nemen lijkt te hebben wat wijzelf zo jammerlijk missen – een onvervreemdbare kern, een vaste eigenheid, die ons in staat stelt de onbegrijpelijke wirwar in onszelf te overstijgen. Daarom doen we hem na, maar daarom willen we op een gegeven moment ook zelf nagevolgd worden, ter bevestiging van onze zogenaamde identiteit – wie dat niet doet, wordt als vijandig gezien.

Wat René Girard „mimetische begeerte” noemt, komt dus niet voort uit een neiging om te begeren wat een ander heeft, maar wat een ander is – of lijkt te zijn. Valt er aan dat verlangen te ontsnappen, zoals Douglas bepleit? Hij zoekt het bij het afleggen van ego bij het daoïsme, het omarmen van onbepaaldheid, je verliezen in de ander, zonder die ander op jezelf te betrekken. Ook de God van Spinoza, die overal en in alles aanwezig is en aan ieder vorm van beperkend identitair denken ontsnapt, helpt hem in zijn pleidooi.

Maar uiteindelijk, en dat pleit voor hem, verliest Douglas zich niet teveel in zweverige abstracties die ons de verlossing zouden moeten brengen. Ook hijzelf ontsnapt niet aan het streven iemand te willen zijn, zich te laten gelden, geeft hij eerlijk toe. Bovendien is hij het eens met Girard, die onze mimetische begeerte ook als de bron van heel veel goeds ziet, onze cultuur, onze creativiteit. Ons hang tot navolging maakt ons tot wie wij zijn, dat is de paradox.

Douglas’ essay moet je dan ook eerder lezen als een zoekend pleidooi voor bewustwording en relativering. Jouw idee van wie je bent is een constructie, ontleend aan voorbeelden buiten jezelf – wees dus niet al te zeker van jezelf. Het zijn immers de grootste ego’s die het meest afhankelijk zijn van de blik van anderen. Bedenk de voorbeelden er zelf bij.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next