Complotdenkers De politie gebruikt een intern document om in te schatten of iemand een gevaarlijke complotdenker is, zo lekte deze week uit. Maar de lijn tussen mensen die praten over samenzweringen en potentiële aanslagplegers is niet zo makkelijk te trekken.
De politie op het Piet Paaltjesplein in de Rotterdamse wijk Spangen.
Eindelijk halen de complotdenkers hun gelijk: ze worden in de gaten gehouden door de overheid. Bij de politie lekte deze week een intern document uit waarin wordt beschreven hoe je een gevaarlijke complotdenker kunt herkennen. In de handreiking ‘Herkennen, duiden, handelen: complottheorieën en anti-institutioneel gedachtegoed’ wordt beschreven wat politieagenten moeten doen als ze in contact komen met een complotdenker.
De handleiding roept op sociale media veel vragen op, onder meer omdat het Toeslagenschandaal in het stuk wordt genoemd als een thema waar complotdenkers zich mee bezighouden. In hetzelfde rijtje staan zaken als Covid-19, satanisch ritueel kindermisbruik en de gevaren van 5G.
Politicus Pieter Omtzigt klom meteen in de pen. Het Toeslagenschandaal is „geen complottheorie, maar een rauwe en zeer harde werkelijkheid die door velen ontkend is”, schreef de oud-politicus in een brief aan korpschef Janny Knol. De politie liet daarop weten dat de handleiding verkeerd wordt begrepen.
„Het stuk is slechts bedoeld om agenten inzicht te bieden in de vraag over welke onderwerpen er complottheorieën rondgaan”, licht politiewoordvoerder Suzanne van de Graaf toe. „Iedereen mag geloven in complottheorieën. Maar als wij merken dat mensen bereidheid tonen tot geweld, dan hebben wij als politie de taak om dat te herkennen. Daarom is het belangrijk dat collega’s kennis nemen van het gedachtegoed.”
De omgang met complotdenkers vormt momenteel een grote uitdaging voor de politie, zegt terrorisme-expert en hoogleraar geschiedenis Beatrice de Graaf van de Universiteit Utrecht. „De incidenten en bedreigingen vanuit die hoek zijn de afgelopen jaren fors toegenomen. Ik hoor regelmatig van wijkagenten die zich afvragen: iemand in mijn wijk gelooft in de reptielentheorie, is dat gevaarlijk? Of iemand die agressief verkondigt dat de aarde plat is en opvalt omdat er buren klagen. Dan moet er een agent gaan kijken: wat speelt hier nou echt? Gaat het om radicalisering waar we aandacht aan moeten besteden? Dat wil je wel graag weten, voordat iemand naar de wapens grijpt.”
Maar kán dat wel: het gevaar van complotdenkers inschatten aan de hand van een schema?
De handleiding schetst drie soorten complotdenkers. De eerste groep zijn de ‘gewone’ complotdenkers waar „beperkte” dreiging van zou uitgaan. Deze mensen zijn bezig met zelfvoorzienende moestuintjes, hebben het over hun ‘spirituele ontwaking’ of dat ze ‘Mens van Vlees en Bloed’ zijn, en raken niet uitgepraat over tal van samenzweringen. De tweede groep is aan het radicaliseren. Deze mensen zien de overheid als „de vijand van het volk” waartegen zij in verzet moeten komen. Ze roepen op tot mobilisatie, hebben een „fixatie” op bijvoorbeeld de Belastingdienst of het RIVM en roepen op tot „tribunalen”. Als agenten deze mensen tegenkomen, moeten ze hun bevindingen registreren in de politiesystemen, voorzien van een meldcode voor potentiële terroristen (‘CTER’). Dan is er nog een kleine, laatste groep: de extremisten die daadwerkelijk over willen gaan tot geweld. Daar wordt strafrechtelijk onderzoek naar gedaan.
„Ik vind het schema vooral onduidelijk”, zegt Jan-Willem van Prooijen, bijzonder hoogleraar radicalisering en complotdenken aan de Universiteit Maastricht, die het uitgelekte document heeft bekeken. „Het is bedoeld als praktische handleiding, maar als ik agent was zou ik in de meeste gevallen het onderscheid tussen complotdenken en radicalisering niet kunnen maken. Omdat het vaak niet zo zwart-wit is. Het geloof in complottheorieën gaat vaak gepaard met het idee dat de overheid de vijand van het volk is. Dat valt in dit schema onder radicalisering. Maar er zijn volgens de AIVD wel honderdduizend mensen in Nederland die met dit soort ideeën rondlopen. Die kan de politie niet allemaal in de gaten gaan houden.”
Het doet Pieter Nanninga, extremisme-expert aan de Rijksuniversiteit Groningen, denken aan de signalementen die rond de opkomst van terreurbeweging IS werden opgesteld om radicalisering onder moslims te herkennen. „Ook toen zag je modellen voorbijkomen waarbij eerst een brede groep van salafisten werd geschetst die hun baard lieten groeien, waarvan dan een deel zou doorradicaliseren. Het risico van dergelijke methodieken is dat de werkelijkheid zich meestal niet houdt aan een stappenplan.”
Ook complotdenkers zijn volgens Nanninga moeilijk te vangen in een schema. „Maar ik snap wel de behoefte bij de politie. Er zijn de afgelopen tijd meerdere soevereinen gearresteerd op verdenking van aanslagplannen. Als je die dreiging wil begrijpen en in de gaten houden, is het belangrijk dat agenten voldoende weten van de anti-institutionele beweging. Maar het is een delicate balans. Je moet oppassen dat je niet alle complotdenkers aan het criminaliseren bent. Terwijl we uit onderzoek weten dat uiteindelijk maar een fractie geweldsbereid is.”
Beatrice de Graaf ziet de meerwaarde van de handleiding wel. „Ik gebruik die stappen zelf ook in mijn onderzoek. Mensen komen in een complotfuik terecht, gaan demoniserende taal gebruiken, mobiliseren zich, en gaan dán over tot extremistische acties. De politie moet kunnen inschatten in welk stadium iemand zich bevindt. Als ze dit document maar niet gaan gebruiken als handleiding om te checken of iemand complotdenker is.”
Daar zit nog wel een vrees van Pieter Nanninga. „Bij zo’n stappenmodel moet je heel erg oppassen dat je mensen niet gaat benaderen als een potentiële terrorist-in-wording. Dat is wel een risico wanneer je alle politieagenten zo’n model laat gebruiken. Vooral omdat de uitleg erbij summier lijkt.”
Source: NRC