Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant
Dat je hart gewoon doorklopt zonder dat je het achter z’n vodden hoeft te zitten, waardeer ik. Hetzelfde heb ik met rente.
‘Niet met negatieve rente. Daar heb ik jou nog nooit iets positiefs over horen zeggen.’
Zeker, geef ik toe, ik ben geregeld uit mijn slof geschoten tegen negatieve rentes, niet aardig van me, maar grotere moeite heb ik sinds enige tijd met voortwoekerend onkruid, nu de downside van dit soort spontane processen ter tafel is gebracht. ‘Ik ga het zo doen’, fluister ik. ‘Ik meen het.’ Ik wijs naar de voordeur.
Erachter is tussen de granieten drempel en de stoeptegels een verbluffende groene haag opgeschoten, een pijlsnel bos dat hoger is dan de pakketbezorger.
Ze moeten zich de afgelopen maanden voltrokken hebben, de groene stammetjes. Onlangs ging de bel, en toen ik opendeed, zag ik niemand staan, alleen genoemde bijna-bomen. Na een harde ritsel verscheen op borsthoogte een pakket, een hand zag ik niet. Ik heb het doosje maar aangepakt, als een gift van de natuur.
Het gewoeker was me vooralsnog nauwelijks opgevallen. De dagen lengden, maar in huis werd het juist donkerder, groener, als in een moeras. Dat moeten die stengels zijn geweest, besef ik inmiddels, tussen de ramen en de zon.
Soms kwam ik thuis en trok de buitendeur achter me dicht, en dan stak de flora in hoek van 30 graden het halletje in. We keken er glimlachend naar. ‘Inheems’, zei mijn vriendin Jet. Ze sprak teder, liet torretjes over haar hand lopen. Voor haar bestaat onkruid niet, alle stengels zijn gelijk en verdienen een plantwaardig bestaan.
Ik twijfelde. Niet lang geleden hield een gezelschap darwinisten stil voor onze deur. Ze droegen verrekijkers en botaniseerstrommels en bestudeerden de pluimen, roken eraan, bladerend in boekjes. ‘Moet je kijken’, fluisterde ik. De biologen waren, om het eindelijk zowel letterlijk als figuurlijk te mogen uitdrukken, gebiologeerd. Zeker tien minuten bedreven ze hun floristiek, toen pas trokken ze omkijkend en wijzend voort. Vrienden, dacht ik, dit is een woonwijk, geen Galapagoseiland. Vage snoeigevoelens bekropen me, maar op mijzelf, zijnde een burger van Breda, betrok ik die niet.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Welaan, op een middag kwam ik de straat in gelopen, en zag uit de verte onze buren met groot materieel bezig voor hun stee, scharen, handschoffeltjes, een bezemsteel met aan de onderkant een fonkelend mosmesje voor de voegjes.
We groeten elkaar vriendelijk en keken als één groot peinzend oog naar de haag. En ik plus open zakkende mond. Zeker, het klopte, zag ik plotseling, we woonden in een keurige straat. Allemaal mosvrije voegen. En in die straat verrees, als een aberratie, onze manshoge bosschage.
‘Wij vinden het een leuke pluktuin’, fluisterde de buurvrouw, ‘maar op de hoek vragen ze zich af, ik zeg het maar even eerlijk, wanneer het stopt.’ Ze gaf met vlakke hand lagen in de stratosfeer aan.
Er liep een gesoigneerde kerel langs met boodschappen. ‘En’, vroeg hij aan onze buurman, ‘gaat-ie er iets aan doen?’
Fred Flintstone begreep het. Hij knikte en liep het bos in. Het was vreemd, maar ik kwam er zonder machete bijna niet door. Muggen, lianen, apen. De buurt zag me worstelen. Toen ik de deur met de halve saladebar ertussen in het slot drukte, riep ik tegen Wilma dat ze me de zeis moest komen brengen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns