Wij, het Nederlandse volk, zaten op een zomeravond buiten rondom een vuurtje de komende verkiezingen te beïnvloeden en te bepalen. Hapje erbij, drankje. Volgens onderzoek van de European Social Survey vond 96,1 procent van ons het belangrijk plezier te hebben; 7,3 procent van ons verlangde naar een sterke overheid.
In deze statistische tijden hoefden we daar niet over te bakkeleien, op onze klapstoeltjes. Er werd onderzoek naar ons gedaan en dat was voldoende. Ook de nadenkende delen van de samenleving beschouwden de vraag naar het waarom van onze overtuigingen niet langer als relevant. „Zou je je krantenabonnement een cijfer willen geven?” vroegen ze. „Hoe waarschijnlijk is het, op een schaal van 1 tot 10, dat je ons ziekenhuis aanbeveelt aan een vriend?”
Zo zaten we daar in stilte op onze stoeltjes en we lieten ons tellen. Wie was het Nederlandse volk eigenlijk? Niemand die het wist. Er waren mensen die zeiden dat zij het waren, maar dat waren er hooguit dertig procent, de rest had geen mening.
„In Nederland zijn we klaar met het Europese gevoel!” riep iemand van de media op de televisie verhit tegen een politicus. „Honderd procent.” Dat was tamelijk onlogisch, want de politicus was duidelijk niet klaar met het Europese gevoel, en dus wezen intellectuele mensen in het land plechtig op het belang van feiten en data. We verwachten dan ook elk moment een serieus enquêteformulier van een wetenschappelijk instituut toegestuurd te krijgen. „Op een schaal van 1 tot 10: hoe klaar bent u met het Europese gevoel?”
Redeneren was uit de mode geraakt. Discussiëren was niet langer en vogue. En wat de statistici precies aan het tellen waren, was een raadsel. Volgens een nieuw leiderschapsonderzoek van onderzoeksbureau Motivaction en bestuursadviseurscollectief Duivelse Dilemma’s verlangde 63 procent van de Nederlandse bevolking dat leiders van grote organisaties zich maatschappelijk uitspreken. Alleen wilde slechts 28 procent dat ze het publieke debat opzoeken. Hè?
„Leiders krijgen te maken met zoveel uiteenlopende verwachtingen dat het vrijwel onmogelijk is om het goed te doen voor iedereen”, concludeerden de onderzoekers scherpzinnig. „Wat bij de ene groep vertrouwen wekt, kan bij een andere groep juist weerstand oproepen.” Tja. Daar zeg je me wat.
We zaten in een kringetje en zwegen. De inflatie was gedaald van 3,1 naar 2,9 procent, zoveel was zeker. Chocoladefabrikanten verhoogden hun prijzen met 15,8 procent, ook dat was een onwrikbaar gegeven. Maar wat we daarvan vonden? Dat was een stuk lastiger in percentages vast te leggen.
Aan ons, het volk, had je niet veel als je alleen maar bleef optellen wat we wilden. De meesten van ons verlangden volgens het leiderschapsonderzoek dat leiders duidelijk zijn over dilemma’s. Alleen bleek de helft van ons de voorkeur te geven aan leiders „die openlijk twijfelen bij moeilijke beslissingen” en de andere helft aan „iemand die altijd zeker van zijn of haar zaak lijkt”.
Uiteindelijk kreeg president Donald Trump er aan de overkant van de oceaan schoon genoeg van. Hij ontsloeg de directeur van het statistiekbureau. In Zweden onthulde premier Ulf Kristersson aan de krant Dagens Industri dat hij dagelijks van ChatGPT gebruik maakt om het land te besturen. Zijn collega-politici, zei hij, laten zich inmiddels ook allemaal door taalmodellen leiden. En zo nam de wereld definitief afscheid van het inhoudelijk argument.
Nu maakten systemen statistische berekeningen op basis van obscure bronnen en hoefden wij op onze stoeltjes helemaal nergens meer met elkaar over te praten. Voor leiders had dit het voordeel dat de systemen erop waren ontworpen de gebruiker naar de mond te praten en tevreden te stellen. De Zweedse premier kon ervan genieten op zijn minst door zijn chatbot bevestigd te worden in zijn twijfels en zekerheden.
Het was alleen niet duidelijk hoe lang dat zou gaan duren. Als je chatbots via prompts voedt met alternatieve statistieken, kun je ze gemakkelijk misleiden en manipuleren, schreef een groep universitaire onderzoekers uit Michigan, Georgia en Singapore in een recent paper. Zo kun je heel simpel kwaadaardige respons oproepen en het tegenovergestelde bewerkstelligen van wat de gebruiker zou willen.
Veel maakte het allemaal niet uit. Het zou wel goed komen met het tellen van onduidelijke dingen en we waren toch al opgehouden zelf na te denken. Na een plezierige avond rondom het kampvuur gingen we gerust slapen. „Maar liefst 79 procent van de Nederlanders slaapt slecht tijdens zogeheten plaknachten”, schreven de statistische onderzoekers. Maar ditmaal waren wij toevallig allemaal die andere 21 procent en we sliepen als rozen.
Source: NRC