Home

Je hebt geen identiteitslabel nodig om mens te zijn

Lhbtqia+ Voor jongeren is het vanzelfsprekend om jezelf te definiëren aan de hand van de lhbtqia+-categorieën. Maar als identiteit afgebakend en verabsoluteerd wordt, dreigt het unieke van ieder mens uit het zicht te verdwijnen, meent Geert-Jan Edelenbosch.

Deelnemers aan de Canal Parade, die begin augustus in Amsterdam plaatsvond.

Voor jongeren is het inmiddels vanzelfsprekend om zichzelf te omschrijven in termen van seksuele of genderidentiteit: „Hoe identificeer je je?” Op het eerste gezicht lijkt dat een stap vooruit, immers eindelijk erkenning, eindelijk zichtbaarheid. Jongeren mogen openlijk spreken over hun gevoelens en worden aangemoedigd om ‘zichzelf te zijn’. Waarom voelen velen zich dan niet veiliger?

Geert-Jan Edelenbosch is communicatieadviseur in Amsterdam. Eerder leidde hij het jongeren- en onderwijsprogramma van het COC.

Wie goed kijkt, ziet dat er een verschuiving gaande is. Wat ooit bevrijdde, verandert langzaam in een nieuwe vorm van ordening. We zien elkaar steeds minder als individu en steeds vaker als vertegenwoordiger van een categorie. Verschil voelt niet langer als iets menselijks, maar als iets wat definieert en afbakent. Dat leidt tot uitsluiting én vervreemding.

Identiteitsmenu

Jongeren groeien op in een wereld die zegt: wees jezelf. Maar wat betekent dat, als dat ‘zelf’ al voor je is ingevuld? In plaats van vrijheid krijgen ze een identiteitsmenu voorgeschoteld: cis of trans, hetero of queer, non-binair. En in het woord ‘identiteit’ schuilt ook verwarring: het lijkt iets van jou, maar verwijst tegelijk naar iets collectiefs. Gevoelens zijn persoonlijk, maar de betekenis ervan ligt al klaar.

Het probleem zit niet zozeer in het benoemen van identiteit, maar in het verabsoluteren ervan. Wie afwijkt van de norm, wordt geacht dat te benoemen en een afwijkende identiteit te claimen. Jongeren zien zichzelf echter geplaatst in een groter narratief: dat van emancipatie, strijd en representatie. Binnen dat systeem ben je onderdrukte, óf onderdrukker. Wat emanciperend lijkt, zet jongeren vast in rollen die ze niet zelf kiezen. Je krijgt erkenning, maar niet zonder voorwaarden.

De gedachte dat ieder mens uniek is, lijkt verschoven naar een overtuiging dat je vooral uniek bént als je van de norm afwijkt. ‘Wit en hetero’ geldt voor sommigen als de blanco standaard – de saaie categorie, die geen verhaal of strijd lijkt te hebben. Wie wil opvallen, moet afwijken. Uniek zijn wordt iets dat je aantoont via identiteit, niet door karakter, keuzes of waarden.

Maar als afwijking het nieuwe ideaal is, ontstaat er opnieuw een wij-zij-denken.

Taal is machtig. Het kan verbinden, maar ook begrenzen. Neem het activistische ‘queer’ (letterlijk: vreemd), ooit een herovering van een scheldwoord. Het klinkt tegenwoordig open en inclusief, maar eigenlijk creëert het een wij-zij-tegenstelling. Als er een ‘queer-gemeenschap’ is, waar hoor je dan bij als je dat niet bent? In plaats van ruimte te bieden, bakent het af: jij hoort bij een aparte groep, een aparte gemeenschap.

Bovendien: alle mensen die iets níet zijn (niet-hetero), zijn natuurlijk niet automatisch samen iets wél (queer). Het is zoals ‘allochtoon’: zogenaamd neutraal, maar vaak ervaren als markering voor wie er niet echt bij hoort.

In een reportage zei een jongere: „Jongeren worden constant bevestigd in hun denken dat homoseksualiteit niet normaal is.” Maar versterkt zo’n label dat niet juist? Queer wil ‘de norm’ bevragen, maar bevestigt tegelijk dat niet-hetero blijkbaar vreemd is.

Ook bij het label ‘non-binair’ zien we zo’n mechanisme. Jongeren die zich zo noemen, geven aan dat man/vrouw-opvattingen hen niet passen. Die gevoelens verdienen aandacht, want gendernormen zijn voor velen nog altijd beperkend. Maar ook hier ontstaan nieuwe verwachtingen: wie een label kiest, blijft denken binnen het systeem van indeling. Terwijl de kern juist lijkt te zijn: laat mij zijn wie ik ben, zónder vooraf ingevulde rol.

Je moet ook gewoon van de norm kunnen afwijken, zonder direct in een alternatieve categorie geplaatst te worden. Zolang identiteit verwachtingen moet volgen, blijven we opgesloten in ons eigen spiegelpaleis.

Je bent al wie je bent

In onze cultuur laten we jongeren geloven dat ze moeten uitzoeken wat ze zijn. Alsof je pas echt jezelf bent met een label. Maar je bént al wie je bent. Je lichaam, je verlangens, je karakter – die zijn er gewoon.

Wat wél de moeite waard is om te onderzoeken zijn je waarden. Wat vind je belangrijk? Waar wil je naartoe? Dát is wat we jongeren moeten meegeven: je hoeft jezelf niet te herdefiniëren, maar je mag ontdekken wat voor jou betekenis heeft.

Misschien moeten we leren om elkaar vooral weer als mens te zien: veranderlijk, tegenstrijdig, individueel.

Een samenleving die minder op identiteit leunt, kan jongeren misschien weer lucht geven – in hoe ze naar zichzelf kijken, maar ook naar elkaar. Wie de ander vooral ziet als vertegenwoordiger van een categorie, raakt het zicht op de mens erachter kwijt. Zo wordt het moeilijker om elkaar echt te begrijpen – en dus ook om elkaar te accepteren.

Juist jongeren die nu met afwijzing te maken krijgen, verdienen geen nieuwe hokjes, maar een samenleving die ruimte laat voor mensen zoals ze zijn – of dat nu in een hokje past of niet.

Source: NRC

Previous

Next