Karaktermoord? De redacteur van De Correpondent was stellig, over de Israëlische liquidatie van Anas Al-Sharif: Israël heeft de Al Jazeera-journalist vermoord, maar „de westerse pers” pleegde daarna „karaktermoord” – door te vermelden dat Israël hem ervan beticht een „terrorist” te zijn geweest, in dienst van Hamas.
Toch vreemd. De verwijzingen naar die Israëlische beschuldigingen waren in de Nederlandse ‘mainstream media’ juist heel summier. Alleen de Telegraaf ging los.
Die terughoudendheid is ook op zijn plaats, want de manier waarop Israël de aanval op Al-Sharif (en zes anderen) probeert te rechtvaardigen past in de systematische vernietiging van berichtgeving vanuit Gaza. Het Israëlische +972-magazine, dat al eerder onthullingen bracht over de oorlogsvoering, meldt dat het leger een aparte afdeling heeft opgezet, de ‘legitimatie-afdeling’, om Palestijnse journalisten in diskrediet te brengen, waarna ze doelwit worden.
Waar gaat het dan om bij Al-Sharif, die al jaren mikpunt was van een lastercampagne? Israël presenteerde snippers bewijs: oudere selfies van de journalist met Hamas-kopstukken (toen de politieke macht in Gaza) en een (verwijderd) Telegram-bericht van 7 oktober waarin hij de terreuraanval van die dag toejuicht. De zwaarste beschuldiging is dat hij zou hebben gediend bij een Hamas-brigade.
+972 magazine wijst erop dat de ‘bewijzen’ die Israël levert, als ze al authentiek zijn, slaan op de jaren 2013 tot 2017, lang voor de huidige oorlog; volgens de BBC werkte Al-Sharif in die periode ooit met een media-team van Hamas. In zijn latere berichten, nog tot kort voor zijn dood, uitte hij juist kritiek op de organisatie, stelde die verantwoordelijk voor „onze Nakba” en drong hij aan op een wapenstilstand en vrijlating van alle gijzelaars.
Hoe dan ook, dat Israël Al-Sharif al eerder bedreigde als hij niet zou ophouden met zijn berichtgeving zegt genoeg. Zelfs als hij sympathiseerde met Hamas is dat bovendien geen rechtvaardiging van moord en zou dat aan het belang van zijn werk niet vanzelf afdoen. De massamoord op Vietnamese burgers in My Lai (1968) werd vastgelegd door een fotograaf in dienst van het Amerikaanse leger.
In zijn boek Geweten verwijt schrijver Maurits de Bruijn de ‘westerse’ media iets algemeners: dat zij de Israëlische slachtoffers van 7 oktober („terecht”) een gezicht gaven maar, deels omdat ze Gaza niet in kunnen, de talloze vermoorde Palestijnen hebben „gereduceerd tot aantallen”. Het is een vaker gehoorde klacht, die intuïtief aanspreekt: het lot van Palestijnen kan de media niet schelen.
Maar is het waar? De omslag in de publieke opinie – op basis van veelal diezelfde media – wijst op iets heel anders. Uit de eigen krant: NRC bracht tal van Palestijnse getuigenissen en portretten. Dagboeken, een groot stuk Dit zijn de [toen nog] 103 gedode journalisten in Gaza, het relaas van de gevluchte Sami al-Ajrami, portretten van ‘de levens achter de [toen nog] ruim 40.000 doden in Gaza’, een indringend stuk over fotograaf Bashar Taleb die zijn werk niet meer kan doen. Een portrettengalerij van Israëlische doden van 7 oktober vond ik niet, wel enkele reportages.
Dat laatste is geen smacht naar ‘valse balans’. De totale verwoesting van Gaza nu centraal plaatsen is noodzakelijk – en gebeurt ook; dat de Nederlands pers die bekijkt door een Israëlische hasbara-bril is moeilijk vol te houden.
De diepste onwaarachtigheid over de rol van de ‘westerse media’ blijft intussen die van de staat Israël zelf. Je kunt niet blijven klagen over ‘Hamas-propaganda’ en tegelijk alle internationale media uit het gebied weren. Wie zo overtuigd is van zijn handelen laat journalisten toe om dat te beoordelen, zeker die van bevriende naties.
De Israëlische weigering dat te doen wijst maar op één ding: de genocidale werkelijkheid van Gaza is net zo gruwelijk als, of nog gruwelijker dan, wat Al-Sharif en zijn collega’s de wereld hebben laten zien.
Source: NRC