Home

In dit museum ratelen de weefgetouwen nog volop

Serie | Kleine musea Nederland telt veel kleine, onbekende musea. NRC portretteert er deze zomer twaalf, uit elke provincie één. Deze week deel 7: het Weverijmuseum in Geldrop.

Een Spoelweefmachine.

‘We moeten opnieuw beginnen”, zucht Frits, een ervaren wever in de grote hal van het Weverijmuseum in Geldrop. Hij kijkt mistroostig naar een scheur-achtige beschadiging in het doek van damast, dat hij aan het weven was op een jacquard-weefgetouw van honderd jaar oud. Het moest een tafellaken worden met ingeweven familiewapen, op bestelling, en nu is de stof die al af was hoogstens nog goed voor servetten, zegt de wever. Hij moet eerst het probleem met de machine gaan oplossen voordat hij opnieuw aan het tafellaken kan beginnen.

Over dit museum

Wat: Weverijmuseum Geldrop

Waar: Molenstraat 21, 5664 HV Geldrop

Open: Wo t/m zo van 13 tot 17 uur.

Verzameld wordt: Weefgetouwen, lokaal en historisch textiel, weefgerelateerde objecten en boeken

Pronkstuk: een Jacquard-weefgetouw uit begin vorige eeuw

Oppervlakte: 1.500 vierkante meter museum

Aantal bezoekers per jaar: 10.000

Aantal medewerkers/vrijwilligers: 0,8 fte en 124 vrijwilligers

Kaartje: 9,50 euro. Goedkoper voor kinderen en onderwijs. Gratis met de Museumkaart.

Wacht, op bestelling? Ja, het Weverijmuseum is een werkend museum, waar in de ochtend op een aantal van de tientallen weefgetouwen theedoeken, tafellakens, kunst en labels worden geweven, kletterend en stampend. In de middag kunnen bezoekers het industriële erfgoed bekijken, begeleid door een van de talrijke vrijwilligers van het museum (124), veel van hen voormalige wevers. Daarbij gaan ook ’s middags verschillende weefgetouwen aan, zodat bezoekers kunnen zien hoeveel razendsnel bewegende onderdelen er nodig zijn om een stuk stof te weven.

Op de meeste getouwen staat een zogeheten schering: honderden dunne draden naast elkaar, in de lengterichting opgespannen tot een strak plat vlak. Weven gaat dan als volgt. Bij zogeheten schachtweefgetouwen worden steeds verschillende groepen draden omhoog gehaald door bewegende schachten . In het meest eenvoudige weefsel zijn dat alle ‘even’ draden, daarna alle ‘oneven’, om en om. Daardoor ontstaat er steeds een opening in dat platte vlak van de schering, waar een dwarsdraad doorheen wordt gehaald: de inslag. Inderdaad, schering en inslag. Daarna wisselen de scheringdraden weer en wordt de draad als het ware ingesloten. Zo vorm je een stabiele stof.

In het museum staan ook grote, hoge getouwen. Dat zijn Jacquard-weefgetouwen. Die werken iets anders en zijn technisch complexer, omdat daarin de scheringdraden individueel op en neer kunnen worden bewogen, niet alleen als ‘schachtgroep’. Daardoor kunnen veel complexere patronen worden geweven – zoals een familiewapen – hoewel het basisprincipe van schering en inslag hetzelfde blijft.

In het eerste deel van het museum, voordat je de grote hal met de weefgetouwen instapt waar het naar smeerolie ruikt, is de ontwikkeling van het weven te zien, en de toepassing in verschillende culturen. Ook demonstreert een ervaren wever hoe geweven kunst wordt ontworpen op een computer. De verschillende bindingen (hoeveel draden waar over hoeveel draden kruisen) leveren verschillende patronen op, en verschillende kleurintensiteiten, waarmee je gedetailleerd kunt ‘schetsen’.

Topstuk jacquard Weefgetouw van 100 jaar oud. Er is momenteel een tafellaken in de maak.

Het ‘harnas’ van een Bandweefgetouw.

Klossen met garen.

Het is wel passend dat productie en museum hier samengaan. In de hoogtijdagen van de textielproductie in de streek, zo halverwege de vorige eeuw, stonden er in Geldrop vijftien werkende textielfabrieken, met vele honderden weefgetouwen. Daarop werd veelal wollen, linnen en katoenen stof geweven voor kleding, gordijnen, meubels, etc. Die fabrieken waren, na de uitvinding van de stoommachine, de voortzetting van het in die streek gangbare thuisweven. Of, zoals Bert Vermeer, coördinator productie en onderhoud zegt: „Elke zichzelf respecterende boer had wel een thuisweefgetouw.” De boerin spon de wol, de boer weefde de stof. Dat thuisweven had door de schaal ook al iets van een industrie: de wol werd ingekocht door tussenpersonen, zogeheten fabrikeurs, die ook de gewoven stof verhandelden.

Die weefgetouwen van boeren, waarvan ook enkele bonkige exemplaren staan in het museum, waren een teken van armoede – Vincent van Gogh schilderde sombere werken van wevende boeren in Nuenen. De grond rond Geldrop is schraal, en in de winter was er weinig te doen; met het weven kon dan wat worden bijverdiend. Zo ging het tot halverwege de negentiende eeuw, toen de stoommachine kwam. Fabrikanten konden tientallen weefgetouwen achter één stoommachine hangen, in de fabrieken die in Geldrop werden gebouwd. Het dorp lag gunstig voor deze industrialisering, met stromend water, een rijk achterland, en goede spoorverbindingen.

Maar in de tweede helft van de vorige eeuw betekende concurrentie van grote weverijen in landen met lagere kosten het einde van de Nederlandse textielindustrie. Toen de ene na de andere fabriek sloot en de inboedel grotendeels naar de sloop ging, besloot een wever, de heer Verhagen, eind jaren 70 weefgetouwen, boeken en andere inboedel te verzamelen. Dat werd de voorganger van dit Weverijmuseum, in een oud kousenfabriekje aan de Heilige Geeststraat.

Een weefgetouw voor vaatdoeken.

Hij werd geholpen door enthousiaste wevers die de machines goed kenden, omdat ze er jaren aan hadden gestaan. Het kleine museum was snel vol, en in 2000 verhuisde het Weverijmuseum naar het huidige gebouw: de voormalige wolweverij Wollenstoffenfabriek A. van den Heuvel en Zoon. Dezelfde familie Van den Heuvel overigens die aan de wieg heeft gestaan van De Centrale Boerenleenbank, voorloper van de Rabobank.

Het is een interessant moment voor het museum, zegt directeur Sander Roovers. De professionele wevers die vrijwilligers zijn in het museum, zijn inmiddels op leeftijd: veel van hen lopen tegen de 80 jaar. Ze zijn heel erg belangrijk voor het museum. Met hun jarenlange weef-ervaring kunnen ze de machines bedienen en problemen oplossen, en ze geven de demonstraties in het museum. „Maar er komt een moment dat ze niet meer inzetbaar zijn. Dus we moeten die ambachtelijke kennis overdragen aan jongeren.”

Jonger is een relatief begrip, hij bedoelt net gepensioneerden van rond de 65 jaar. „Die hebben tijd, zijn betrokken, en ze willen leren en zich inzetten. Daar hebben we best wel een grote aanwas van.” Roovers ziet dat ook jongere jongeren meer belangstelling krijgen voor ambachten, en het museum werkt samen met textielopleidingen in de buurt. In een aparte tentoonstellingsruimte hingen de winnaars van een tekenwedstrijd onder lokale schoolklassen; leerlingen schetsten wat vrijheid voor hun betekent. De winnende tekeningen zijn nu kleurrijke theedoeken, die overigens ook te koop zijn in de museumwinkel.

Topstuk jacquard Weefgetouw van 100 jaar oud. Er is momenteel een tafellaken in de maak.

Serie Kleine musea

Lees ook de andere afleveringen van deze serie:

Vorig jaar portretteerde NRC ook twaalf kleine musea, die artikelen zijn hier terug te lezen.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Source: NRC

Previous

Next