Het is makkelijk om Wijk aan Zee, met zijn grauwe kerkje en de dreigende nabijheid van Tata Steel-fabrieken, te beschouwen als het lelijke eendje onder de Hollandse badplaatsen. Maar fotograaf Mark Rammers (38) vond er pure schoonheid.
Door Arno Haijtema
Fotografie Mark Rammers
Rijd van Beverwijk naar Wijk aan Zee, en je waant je bij de poorten van de hel. Links de grauwe fabriekshallen, de hoogovens, de gitzwarte cokesbergen, stoom en rook uit de schoorstenen van Tata Steel. Rechts de honderden meters lange blinde wanden van de warmwalserij, waar roodgloeiende ijzerplakken door immense walsen tot een rol dun staal wordt geperst. Met enige overdrijving: hier heeft geen mens uit vrije wil iets te zoeken.
Maar rijd nog even verder, en plots bevind je je in Wijk aan Zee. Bij de grote karakteristieke dorpsweide met grazend vee, bescheiden vrijstaande woningen, een Spar-supermarkt. En dan, achter een rij huizen die met witgekalkte gevels de moed erin houden, het centrum met dat grauwe protestantse kerkje aan het plein met de snackbar.
Wijk aan Zee en inwoners
De misantroop ziet in Wijk aan Zee het lelijke eendje van de Hollandse badplaatsen. De stank van de cokesovens, het stof van grafietregens, maximale uitbraker van gif en koolstofdioxide – broeikasgas. Nee, de misantroop laat in Wijk aan Zee ook de laatste hoop varen.
Zo niet de Amsterdamse fotograaf Mark Rammers (38).
Gebouwen in Wijk aan Zee
Die ziet geen lelijk eendje, die wandelt met genoegen door De Zwaanstraat en ontdekt daar schoonheid en saamhorigheid waaraan een ander mogelijk voorbijgaat. Kijk met andere ogen, met die van Rammers, en je ziet Wijk aan Zee niet als het einde van de wereld, maar als een schiereiland. Slechts door een tweebaansweg met het achterland verbonden, met bewoners die een zekere eigengereidheid uitstralen – wellicht een variant op de mentaliteit van eilanders.
Thea en interieurs van inwoners van Wijk aan Zee
Het hart op de tong. Recht voor z’n raap. Allemaal met zorgen over de vervuiling door Tata. Maar ook bijna allemaal economisch verbonden met de megafabriek, de grootste werkgever van de IJmond. En dus allemaal bezorgd over hun baan, of die van hun ouder of nakomeling. Allemaal trots op dat machtige bedrijf. En allemaal, door hun lotsverbondenheid, elkaars steun en toeverlaat. Zit een jonge dorpsbewoner zonder benzine voor zijn quad, dan giet de buurjongen een paar litertjes in de tank, en scheurt hij even later weer vrolijk met wapperende haren langs de branding over het stuivende zand.
Kam To en Kristof aan zee
Rammers leerde Wijk aan Zee, of preciezer: de Noordpier, aan de zuidkant van het dorp, kennen in coronatijd. Zoals menig wereldburger in de lockdown: ziel onder de arm, in Amsterdam. Geplande fototrip naar Senegal op het laatste moment geannuleerd. Opbloeiende carrière als autodidact-fotograaf in het voorjaar van 2020 gesmoord in de inertie van mondkapjes, avondklok, vliegverbod, anderhalve meter. Dit was niet het leven dat Rammers zich had voorgesteld toen hij een paar jaar eerder een carrièreswitch had gemaakt, weg van het bestaan als sales manager en marketeer voor een hotelketen en achter zijn ziel en zaligheid aan – de fotografie.
Tata Steel Orkest
De somberheid die Rammers bekroop, net als menig wereldburger, hield een paar maanden aan. De opdrachten verdampten en zo groot waren zijn verdiensten als opkomende fotograaf nog niet dat hij het lang zou kunnen uitzingen. En dus zocht en vond hij een baan als bediende bij restaurant Timboektoe, gelegen in de oksel van de Noordpier en het brede strand. De pleisterplaats voor eigenzinnige Wijkers, surfers, hippe Amsterdammers en overige stuurlui aan wal. Een beetje ruige, ongepolijste strandtent, met stoer meubilair en de geur van houtvuur.
Gaandeweg verschoof de focus van de pier en Timboektoe naar het dorp zelf: op de pier slenteren vooral dagjesmensen, de karakteristieke dorpelingen vind je rondom het groene hart, de begraasde weide.
De fabrieken van Tata rond het dorp zijn een verhaal apart. We hebben, vraag niet hoe, geleerd om ze lelijk te vinden. Om ze te beschouwen als een buitenaardse materialisatie van smakeloosheid en het ultieme kwaad. Maar Rammers is zich op buitenlandse reizen gaan realiseren dat die afzichtelijke hallen, de schoorstenen, de leidingen en pijpen, zijn gemaakt door mensenhanden. En dat hun architectuur iets van ons, de mens, weerspiegelt.
Cor, Stef en Frits met inwoners van Wijk aan Zee
Toen hij in 2017, net voor een opdrachtgever geland in Alicante, vanaf het vliegveld een verkeerde afslag nam, belandde hij op, wat hij noemt, zo’n typisch Spaans industrieterrein. Veel pastelkleuren. Bijzondere vormen. Beschenen door zacht zonlicht. Niet lelijk. Prachtig. Dat plotse inzicht heeft zijn visie gevormd op wat mooi en lelijk is.
Hoe kan het dat de bewoners, als het zo verschrikkelijk is in Wijk aan Zee, daar niet wegvluchten? Rammers keek met andere ogen, luisterde met nieuwe oren. Zag het aangenaam onaangepaste van vakantiehuisjes die net iets langer worden bewoond dan vergunningshalve toegestaan. Richtte de camera op uitbouwtjes en balkons waarvan de bouwtekeningen wat minder aandacht hadden gekregen van de welstandscommissie, omdat die misschien eventjes druk was met andere, prestigieuzere bouwprojecten.
Hij hoorde de verhalen van dorpsbewoners die niet op de eerste rij staan om met rappe tong voor de tv-camera commentaar te leveren op een nieuw milieurapport of dreigende ontslagen. Merkte dat die bewoners geworteld zijn en zich thuis voelen in het dorp, hun dagelijkse leven leiden en niet constant gebukt gaan onder zorgen. En dat ze, als ze tijdens het gouden uurtje – wanneer de zon naar de horizon van de Noordzee zakt – hun blik op de verfoeide fabriekshallen richten, ook domweg kunnen genieten van het uitzicht.
Mark Rammers exposeert zijn serie Wijk van 26/8 tot en met 5/10 in het Kennemer Theater, Beverwijk. Een installatie van de serie is van 30 augustus t/m 5 oktober ook te zien op het Julianaplein in Wijk aan Zee.
Kijkend naar de buitenbadfoto’s van Bram Belloni ziet John Schoorl geen water maar herinneringen. Aan die zomers in Hillegom waar ‘het’ als puber allemaal begon.
Jarenlang trok fotograaf Hanne van der Woude op met een onstuitbaar kunstenaarsechtpaar van in de tachtig. Hoogtepunt was een reis naar Frankrijk, waar de twee nergens voor terugschrokken. ‘Ze zagen het probleem niet, want ze hadden de oorlog nog meegemaakt.’
Hun dna zit vol passie voor de zee en liefde voor het paard. De paardenvissers van het Vlaamse Oostduinkerke grazen nog altijd het strand af op zoek naar garnalen. Fotograaf Stephan Vanfleteren portretteerde hen voor de eeuwigheid.
Source: Volkskrant