Door Noël van Bemmel
Fotografie Hendra Eka
‘Ik ben geboren in Solo, in een huisje van bedeg (geweven bamboe, red.), met twee broers en twee zussen. Mijn ouders waren analfabeet, net als iedereen in de buurt. Mijn vader verdiende geld met losse klusjes in de bouw. Er was geen geld, geen elektriciteit, geen eten, geen wc, geen schoenen. Toen mijn vader overleed, verhuisden we naar Semarang, waar mijn moeder groente ging verkopen op straat.
‘Op de volksschool leerde ik rekenen, lezen en schrijven, met een leesplankje van leisteen. Schriften en pennen waren er niet. Daarna ging ik naar de technische school en op mijn 19de verhuisde ik met vrienden naar Jakarta.
‘Daar werkten we als houtklovers in een fabriek. Slapen deden we met z’n allen in een loods op de grond. De stad was toen nog rustig, zonder wolkenkrabbers en tolwegen, meer een moerasgebied vol muggen. Mijn salaris van 35 euro per maand was net genoeg om van te leven.
Suyatno (80)
‘Mijn broer zat bij het Korps Mariniers. Hij zei dat ik daar ook een vaste baan kon krijgen. Dat wilde ik graag, want zonder kon ik niet trouwen. En het salaris was hetzelfde, maar ik hoefde geen eten en onderdak meer te betalen.
‘Graag was ik matroos geworden, dan had ik nog wat van de wereld gezien, maar dat kon niet. Als marinier zat ik toch nog bij de marine, en ik hou wel van discipline en uniformen.
‘In 1965 werkte ik nog in de houtfabriek, toen ik op de radio hoorde dat er generaals waren vermoord. (Er was een jacht op ‘communisten’ gaande, waarbij ten minste vijfhonderdduizend Indonesiërs werden vermoord, red.) Zelf heb ik nooit ontvoeringen of executies gezien. Die machtsstrijd was, denk ik, wel een van de zwartste bladzijden uit onze geschiedenis.
‘Tijdens mijn eerste uitzending, in 1966, in Tanjung Pinang nabij Singapore, gebeurde er weinig. Ik at en sliep, dat was het. In 1977 werd ik ingezet op Oost-Timor en die periode staat mij het meest bij (tijdens de Indonesische bezetting van Oost-Timor, van 1975 tot 1999, kwamen ten minste honderdduizend burgers om het leven, red.). Onze commandant legde uit dat we de bevolking daar moesten redden van de communisten.
‘Ik heb geen spijt van wat op Oost-Timor heeft plaatsgevonden; ik volgde slechts bevelen op’
Suyatno
‘Ik heb geen spijt van wat daar heeft plaatsgevonden; ik volgde slechts bevelen op. Iedere week patrouilleerden we door veelal verlaten dorpen. Eén keer liepen we een maand lang, zonder te slapen, zonder te baden, om een nieuw gebied in te nemen. We aten onderweg kraaien, paarden, buffels, cassave – wat we maar konden vinden.
‘De sluipschutters van Fretilin (Timorese bevrijdingsbeweging, red.) schoten op ons en wij schoten terug. Ik herinner me nog goed hoe we met z’n vieren in het veld lagen. Mijn vrienden links en rechts werden geraakt en stierven. Een derde werd in zijn been geraakt en raakte invalide. Alleen ik kwam ongeschonden uit dat vuurgevecht.
‘Ik had medelijden met de burgers van Oost-Timor; zij leden honger en werden door Fretilin gebruikt als schild. Wij probeerden hen te helpen, zo zag ik dat. Toen Indonesië besloot dat Oost-Timor onafhankelijk mocht worden, was ik het daar niet mee eens. Nog steeds niet! We hebben zulke offers gebracht, allemaal voor niks.
Foto van een jonge Suyatno.
‘Indonesië is erg veranderd, vooral op economisch gebied. Kijk maar naar de hoge gebouwen en de overvolle wegen om ons heen. Wie arm is, kan nu toch naar school en naar het ziekenhuis. We zijn vrij en het is hier veilig. Een groot verschil met toen ik opgroeide.
‘Wel is Indonesië een paradijs geworden voor corruptelingen. Dat is enorm schadelijk voor ons land en laat mensen onnodig lijden. Ik hoop dat er ooit een sterke leider opstaat die corruptie gaat aanpakken.
‘De wetten van de Nederlanders waren streng, en hun toezicht ook. Ik vind dat wel goed. Maar tijdens de Nederlandse koloniale periode genoten de meeste Indonesiërs geen onderwijs, waardoor de samenleving nauwelijks vooruitkwam. Alleen kinderen van de elite mochten naar school.
‘Daar moet Nederland zich wel voor schamen, vind ik. De Britten leidden de inwoners van hun koloniën bijvoorbeeld beter op. Maar ik ben niet boos als ik nu een Nederlander zie langslopen, hoor.
‘Mijn vrouw heb ik leren kennen omdat onze ouders dat zo hadden geregeld; we hebben nooit gedatet. Toen ik haar voor het eerst ontmoette, was ik meteen verliefd! Ze was mooi en slim, en ze gaf les. Gelukkig vond ze mij ook leuk. Ik kreeg een week verlof, zodat ik kon trouwen.
‘In 1970 huurden we een kamer in Jakarta, waar we op de grond sliepen en kookten op een petroleumstel. Ons eerste kind overleed na vijftien dagen, want we hadden geen geld om naar een ziekenhuis te gaan. Later kochten we een huis en kregen we nog twee dochters en een zoon.
‘Ik heb altijd gehoopt dat mijn kinderen mij zouden overtreffen. Dat ze niet zouden eindigen zoals ik, met een lage opleiding en een laag salaris. Mijn dochters hebben allebei gestudeerd; de een werkt op de financiële afdeling van een vastgoedbedrijf, de ander is therapeut voor kinderen met bijzondere behoeften. Elk verdienen ze zo’n 250 euro per maand! Mijn zoon zoekt nog werk.
‘Ik heb vier kleinkinderen, van wie er één marinier wil worden. Maar ze mogen worden wat ze willen van me.’
Indonesië viert dit weekend 80 jaar onafhankelijkheid van Nederland. De Volkskrant interviewde gewone Indonesiërs van dezelfde leeftijd over de veranderingen in hun land. Oud-onderwijzer Ester Kereway uit Papoea mist het gedegen onderwijs van het Nederlandse koloniale bewind. ‘Als je mij president zou maken, zou ik het kostschoolsysteem zo weer invoeren.’
‘Ik ben in 1945 geboren op het eiland Roon, in de Paradijsvogelbaai. Daar is het ongelooflijk mooi, maar er was geen school. Ik was de tweede van negen kinderen. Toen mijn vader onderwijzer werd, verhuisden we naar het vasteland.
‘Op mijn 10de stuurden ze me naar een kostschool. Zo ging dat in die tijd: iedereen kreeg drie jaar volksschool van de Nederlanders. We leerden rekenen, lezen en schrijven in het Maleis en in het Nederlands. Op de slaapzaal leerden we discipline: hoe we onze tijd moesten indelen en zelfstandig konden worden. Ik heb ontzettend veel gehad aan die tijd.
‘Ik was de beste van de klas, maar er was geen middelbare school. Het was de ambachtsschool of de opleiding tot dorpsonderwijzer. Ik was trots toen ik op mijn 15de werd toegelaten tot de lerarenopleiding. We leerden ook veel over psychologie, want als je kinderen niet begrijpt, hoe kun je ze dan goed begeleiden?
‘Mijn familie heeft veel te danken aan de kerk. Mijn vader vroeg aan dominee Kijne (een Nederlandse missionaris die zich inzette voor onderwijs in Papoea, red.) of hij mocht doorleren. De vrouw van de dominee bedacht dat mijn vader twee jaar voor haar konijn kon zorgen, totdat er weer plaats was op hun school.
‘Met zijn vrouw was Kijne een rolmodel voor de hele gemeenschap. Ik heb als kind nog gezongen in hun koor. Zelf heb ik ook altijd geprobeerd het goede voorbeeld te geven, als onderwijzer en als kerkleider. Dan heb ik het over eerlijkheid, discipline, beleefdheid, kleding, taalgebruik.
‘In de jaren zestig viel het Indonesische leger Papoea binnen. Ik kon dat niet verkroppen; samen met vrienden ging ik demonstreren en als onderwijzer tolkte ik voor Nederlandse officieren. We moesten ons verstoppen in het bos, maar na drie maanden werden we alsnog gearresteerd. Ik was nog jong, eerlijk gezegd genoot ik van de guerrillatijd.
‘In 1969 was er de Pepera (volksreferendum op verzoek van de VN, red.), daar heeft iedereen in Papoea het nog steeds over. Een selecte groep mocht stemmen over onze toekomst. De rest van Papoea, onder wie ik, was slechts toeschouwer. We stonden letterlijk voor de deur te wachten op de uitslag. Toen die werd bekendgemaakt, was ik erg verdrietig. De meeste Papoea’s wilden geen onderdeel zijn van Indonesië, maar wat kun je dan nog? Hun soldaten waren overal.
Ester Kereway (80)
‘De onafhankelijkheid van Papoea blijft een droom. Als God het wil, zal het gebeuren.
‘Op school is de Pepera geen onderdeel van het curriculum. Toch ben ik blij dat ik in Papoea woon – waar zou ik anders heen moeten? Maar wanneer begint de overheid de kinderen van Papoea fatsoenlijk onderwijs te bieden, zodat ze hun leven kunnen verbeteren? Sinds het vertrek van de Nederlanders is het onderwijsniveau enorm gedaald.
‘Er is ook vooruitgang in Papoea, hoor. Mijn vader werd bijvoorbeeld na zijn pensionering dorpshoofd in het district Duairi. Hij voegde drie dorpen samen en daar staan nu een basisschool, een middelbare school en een gezondheidscentrum. Dat was er allemaal niet. De infrastructuur is ook beter dan vroeger, zo zijn er nu asfaltwegen.
‘Maar de economische vooruitgang is helaas ongelijk verdeeld. Het nationale motto van Indonesië, Bhinneka Tunggal Ika (‘Eenheid in verscheidenheid’, red.), gaat volgens mij niet op voor Papoea.
De inheemse bevolking is kansloos tegen migranten uit andere provincies
Ester Kereway
‘De inheemse bevolking is kansloos tegen migranten uit andere provincies. Ze verkopen hun groente en fruit op een kleedje op de stoep, terwijl de nieuwkomers winkels openen en merkproducten verkopen.
‘Op de banenmarkt staan Papoea’s hier zelfs achteraan. Dat ligt niet alleen aan hun opleidingsniveau – ze kunnen minder goed lezen en schrijven, al zitten ze op de universiteit – maar ook aan hun instelling. Om die reden mis ik het Nederlandse kostschoolsysteem; dat besteedde ook veel aandacht aan de ontwikkeling van karakter en discipline.
‘Als je mij vandaag president van Indonesië zou maken, zou ik het Nederlandse kostschoolsysteem zo weer invoeren. Veel oudere inwoners spreken nog Nederlands, het was tot 1962 de voertaal voor ambtenaren.
‘Ik heb negen kinderen. Zij kregen stuk voor stuk morele lessen van Mama Ester. (Lacht.) ‘Wees eerlijk! Doe je huiswerk!’ Zo kweek je karakter. Later zag ik dat zij hetzelfde deden met hun kinderen – ik heb twintig kleinkinderen.
‘Sommige van mijn kinderen zijn gaan studeren en hebben hun ouders overtroffen. Eén is advocaat in Jayapura (een stad 800 kilometer verderop, red.), drie zijn ambtenaar en een vierde heeft zijn studie niet afgemaakt. De rest koos voor een rol als huisvrouw.
‘Mijn oudste broer woont in een verzorgingshuis in Nederland. Hij heeft daar in de jaren zestig gestudeerd en mocht blijven na de inval van Indonesië. In 2007 bezocht ik hem daar voor het eerst.
Ester Kereway maakt souvenirs in haar huis in Manokwari, in West-Papoea.
‘Na mijn pensionering ben ik souvenirs en accessoires gaan maken. Zo blijf ik gezond. Kijk, dit konijntje van schelpen is een eerbetoon aan dominee Kijne, die mijn vader de kans gaf om leraar te worden.
‘Op 17 augustus vieren we Onafhankelijkheidsdag met Nederlandse spelletjes als kroepoekhappen en zaklopen. Ik woon altijd de vlaggenceremonie in Manokwari bij als lid van een vrouwenorganisatie.
‘Ik denk dat Papoea veel heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van Indonesië. Vooral door de mijnbouw en de olie-industrie. Nu is het wat mij betreft hoog tijd om meer aandacht te schenken aan de inheemse inwoners van Papoea. Zij verdienen ten minste dezelfde kansen als hun broers en zusters elders in het land.’
Met de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 eindigde de Tweede Wereldoorlog tachtig jaar geleden ook in toenmalig Nederlands-Indië. De Volkskrant sprak met enkele laatste ooggetuigen. John Simons (102), die als dwangarbeider in Japan op een haar na ontsnapte aan de atoombom.
De Tweede Wereldoorlog eindigde voor Nederland pas echt op 15 augustus 1945. Dat er nog altijd weinig aandacht is voor de geschiedenis van Nederlands-Indië zegt veel over de bredere omgang met ons koloniale verleden, betoogt historicus Suze Zijlstra.
Source: Volkskrant