Home

Na tachtig jaar is het tijd te erkennen: Soekarno was een groot vrijheidsstrijder

Indonesië Nederland heeft al belangrijke stappen gezet om in het reine te komen met zijn koloniale verleden. Het is passend dat de regering Soekarno nu eindelijk de erkenning geeft die hij verdient, meent Kartika Soekarno.

Soekarno roept op 17 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijkheid uit.

Deze zondag viert Indonesië de tachtigste verjaardag van zijn onafhankelijkheid. Mijn overleden vader was een van de grondleggers van het land, en mijn overleden echtgenoot was Nederlander. Hij en ik spraken vaak over de betrekkingen tussen Indonesië en Nederland, en hij steunde mij volledig in mijn pogingen om onze gedeelde koloniale geschiedenis beter te begrijpen. In de loop van ons huwelijk besefte ik dat er in beide landen nog altijd veel historische feiten onbekend zijn.

Kartika Soekarno is een dochter van Soekarno, de eerste president van Indonesië. Zij staat aan het hoofd van de Kartika Soekarno Foundation, die jonge kinderen in Indonesië toegang geeft tot onderwijs

In Nederland begrijp ik dat er een zekere terughoudendheid kan bestaan om stil te staan bij het verlies van een kolonie die zo belangrijk was voor de nationale identiteit. Toch was ik geschokt over de mate van onwetendheid onder de Nederlandse jeugd van nu – zeker omdat Indonesië zo’n grote rol speelde in de Nederlandse economie. Ter vergelijking: het is alsof jongeren in het Verenigd Koninkrijk slechts vaag weten dat India bestaat of ooit een kolonie was.

Zelfs als het VK en Nederland tot de landen behoren die het meest trots zijn op hun koloniale verleden, ben ik er vrij zeker van dat de naam Gandhi bij de meeste Britten wel een belletje doet rinkelen. Vandaag de dag heeft hij in het VK meerdere bronzen standbeelden, waaronder een monumentaal exemplaar op Parliament Square in Londen, niet ver van dat van Winston Churchill. De naam van mijn vader daarentegen is bij de Nederlandse jeugd grotendeels onbekend, en bij oudere generaties ligt zijn nagedachtenis nog altijd gevoelig. Hij is zo lang en om zoveel verkeerde redenen zwartgemaakt.

Ik verloor mijn vader toen ik nog maar drie jaar oud was. Het was een complexe erfenis: een nationale held, er door sommigen van beschuldigd een communist te zijn, door anderen een collaborateur. Beide verwijten wijs ik van de hand.

Beladen betekenis

Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd voerde de Nederlandse regering – op zoek naar Amerikaanse steun – een propagandacampagne tegen mijn vader, waarbij ze hem tegelijk neerzette als collaborateur met de Japanse bezetters én als communist. Omdat ik ben opgegroeid in Frankrijk, heeft het woord ‘collaborateur’ voor mij een bijzonder beladen betekenis. Toen het Japanse leger in 1942 Indonesië binnenviel, verlieten de koloniale autoriteiten het land en lieten ons over aan de Japanners. Het is een duister hoofdstuk uit de geschiedenis, maar zoals mijn moeder zei in David Van Reybroucks boek Revolusi: „Het is heel eenvoudig: de Nederlanders hadden Soekarno gevangen gezet, en de Japanners hebben hem vrijgelaten.”

Tijdens de Koude Oorlog, in de late jaren vijftig, voerde de Amerikaanse president Eisenhower een anticommunistische campagne, geleid door de gebroeders Dulles: John Foster Dulles, minister van Buitenlandse Zaken, en Allen Dulles, directeur van de CIA. Onder Eisenhower werd neutraliteit als immoreel beschouwd. Veel staatshoofden uit Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten, Afrika, en Midden- en Zuid-Amerika die zich tegen het kolonialisme hadden gekeerd, werden toen geconfronteerd met Amerikaans imperialisme. Nationalistische leiders die streefden naar onafhankelijkheid en ongebondenheid, werden onder het mom van communisme afgezet. In werkelijkheid probeerden deze nieuwe staten niet om de VS te dienen, maar trachtten zij simpelweg hun nationale belangen te beschermen.

Ik leerde mijn vader kennen via gesprekken met zijn vroegere collega’s, vrienden en familie, en via geschiedenisboeken. Zo ontdekte ik dat de Nederlandse regering het Marshallplan gebruikte om haar militaire aanwezigheid in Indonesië tussen 1945 en 1949 te financieren, in een poging onze onafhankelijkheidsbeweging neer te slaan. Ook leerde ik dat de Indonesische regering de Nederlanders moest compenseren voor hun ‘verliezen’, inclusief de oorlogskosten – met andere woorden: voor het doden van ons eigen volk. Op de Haagse Ronde Tafel Conferentie van 1949 koos de Amerikaanse vertegenwoordiger Merle Cochran de kant van Nederland en eiste dat de nieuwe Republiek 4,3 miljard gulden aan schuld van Nederlands-Indië zou overnemen, een bedrag dat vandaag neerkomt op 25 miljard euro.

Herschreven verhalen

Helaas denk ik dat veel van deze feiten ook voor de meeste Indonesiërs onbekend zijn. Na de machtsovername door het Nieuwe Orde-regime in 1967 werden historische verhalen herschreven om in het straatje van de nieuwe regering te passen. De heroïsche onafhankelijkheidsstrijd na 350 jaar Nederlands kolonialisme werd gebagatelliseerd. Want hoe anders kon men verantwoorden dat de vader des vaderlands werd gearresteerd, onder huisarrest geplaatst, medische zorg werd ontzegd en verboden werd zijn familie te zien?

Vandaag de dag wordt bapak (vader) in Indonesië geëerd en is hij gerehabiliteerd door de regering. In de Tweede Kamer stelde minister-president Rutte dat Nederland 1945 „volledig en zonder voorbehoud” erkent als het jaar van de Indonesische onafhankelijkheid. Koning Willem-Alexander heeft namens de Nederlandse staat excuses aangeboden voor de ‘geweldsontsporingen’ tijdens de onafhankelijkheidsoorlog.

In 2022 en 2023 organiseerden het Rijksmuseum en de Nieuwe Kerk tentoonstellingen over Indonesië. Ik juich deze inspanningen toe: ze openen de deur naar pijnlijke maar noodzakelijke gesprekken over onze gedeelde geschiedenis.

Enkele jaren geleden stelde de gemeente Amsterdam voor om straten op IJburg te vernoemen naar vrijheidsstrijders uit de voormalige koloniën: Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen. Maar onderzoeksinstituut KITLV, toen onder leiding van Gert Oostindie, leek alleen die vrijheidsstrijders te willen eren die een deel van hun leven in Nederland hadden doorgebracht. Dat criterium was willekeurig en werd niet eens consequent toegepast; het diende er waarschijnlijk alleen toe om de naam van mijn vader van de lijst te houden.

Soekarno met John F. Kennedy tijdens een bezoek aan het Witte Huis in 1961.

Mijn vader kon tijdens de koloniale periode nooit voet op Nederlandse bodem zetten. Na de onafhankelijkheid werd hij geen enkele keer uitgenodigd naar Nederland te komen. En zelfs vandaag lijkt hij nog altijd een onwelkome gast. Zijn hele leven werd bepaald door een Europees land dat hij nooit kon bezoeken – hij onderging, weerstond en overwon het Nederlandse gezag – maar tachtig jaar na de onafhankelijkheid wordt hij nog steeds met wantrouwen bejegend.

Het Indonesië dat hij schiep, was echter het op drie na grootste land ter wereld, de op twee na grootste democratie in de geschiedenis, het land met de grootste moslimgemeenschap ter wereld, een trotse pluralistische natie, en het allereerste land dat na de Tweede Wereldoorlog zijn onafhankelijkheid uitriep.

Op de legendarische Afro-Aziatische conferentie in Bandung, in april 1955, nodigde mijn vader andere vrijheidsstrijders uit om zich te laten inspireren door de Indonesische ervaring. Hij liet zien hoe een kolonie een land kon worden. In de decennia daarna werd dit model in veel delen van de wereld actief gevolgd. Mijn vader werd van New York tot Moskou en Peking ontvangen als een wereldleider die de mondiale dekolonisatiebeweging had helpen ontketenen. In de hoofdsteden van Egypte, Marokko, Pakistan en Cambodja zijn straten naar hem vernoemd. De op twee na drukste luchthaven van Zuidoost-Azië draagt zijn naam. Maar in Nederland is hij nergens te bespeuren.

Soekarno bij een bezoek aan Zwitserland (1956)

Mandela-straten

De Nederlanders hebben echter een traditie van het moedig aanpassen van toponiemen. Als het Pretoriusplein en de Louis Bothastraat in Amsterdam, vernoemd naar witte kolonisten in Zuid-Afrika, konden worden hernoemd ter ere van de anti-apartheidsactivisten Steve Bikoplein en Albert Luthulistraat; als de Paul Krugerbrug in Utrecht kon worden omgedoopt tot de Sowetobrug; en als er tientallen Mandela-straten, -lanen, -parken en -bruggen door het hele land bestaan – waarom zou de Coentunnel dan niet een meer universele naam kunnen krijgen? Vandaag telt Amsterdam ongeveer zeventig straten die verwijzen naar Indonesische eilanden en plaatsnamen, maar slechts acht die naar Indonesische personen verwijzen. Dat voelt niet juist. In de Utrechtse buurt Lombok zijn de straten uitsluitend vernoemd naar Indonesische regio’s en Nederlandse koloniale ‘helden’ – van wie velen meedogenloze moordenaars waren – maar niet één naar een Indonesiër. Het is alsof het land nog steeds aan de Nederlanders toebehoort. Dat is niet waar mijn vader voor vocht.

Ik wil nogmaals benadrukken: mijn vader vocht niet tegen het Nederlandse volk, maar tegen het koloniale systeem. Het blijft een onvoltooide revolutie zolang de Nederlandse regering niet volledig in het reine komt met haar geschiedenis en geen stappen onderneemt om de vader van onze natie te erkennen als een van de belangrijkste vrijheidsstrijders van de twintigste eeuw. Indonesië moet de plaats krijgen die het verdient in de Nederlandse publieke ruimte, het schoolcurriculum, het collectieve geheugen en het mondiale bewustzijn.

Vertaald door David Van Reybrouck

Source: NRC

Previous

Next