Arjen van Veelen wil soms graag offline zijn, maar niet onbereikbaar. Dus kocht hij een seniorentelefoon die bijna niks kan. En leest hij meer, loopt hij meer, kijkt hij meer.
De Britse schrijfster Gwendolen Howard woonde als een soort heremiet in een huisje op het platteland waar de vogeltjes vrijelijk in en uit vlogen. Mensen liet ze nauwelijks toe, voor het huis stond een bordje met: NO VISITORS. NESTING BIRDS. MUST KEEP COTTAGE QUIET. NO CALLERS.
In 1952 publiceerde Howard haar beroemde vogelstudie Birds as Individuals. Eén van de belangrijkste inzichten: vogels hebben net als mensen geheel eigen persoonlijkheden. Als je hun gedrag wilt snappen, heb je niet genoeg aan instinct als verklaring; je moet ook kijken naar hun individuele intelligentie, opvliegendheid en zelfs gevoel voor humor.
Gedurende haar leven leerde Howard zo liefst veertig verschillende koolmezen hoogstpersoonlijk kennen, las ik in Het vogelhuis (2019) van Eva Meijer, een op feiten gebaseerde roman. „Ze begrepen de gebaren die ik maakte en we maakten oogcontact.”
In het raam van mijn schrijfhokje zie ik ook veel koolmezen; maar zo’n intieme verstandhouding met vogels leek me tot voor kort een onhaalbaar ideaal.
Ik was al blij dat ik het verschil kende tussen kool- en pimpelmees. Toch leerde ik onlangs mijn allereerste individuele koolmees leren kennen – ze heet Vlekje en eet bijna uit mijn hand.
Dat is grotendeels te danken aan mijn nieuwe telefoon. Het is een zogeheten seniorentelefoon. Een klaproosrood klaptoestel, met hele grote toetsen voor mensen wier vingers beven. Een telefoon waar je eigenlijk niets mee kunt, behalve bellen en sms’en. Met de alarmknop kan ik alarm slaan als ik op de grond lig. Maar een spel als Snake zit er niet op, laat staan een AI-app om vogels te herkennen. De beltoon is standje doof- en slechthorend, zo schril dat je je rot schrikt. Maar er belt zelden iemand zomaar. De klaptelefoon maakt het leven saai. Precies wat ik soms zoek. Must keep cottage quiet.
Een poosje geleden beleed ik in NRC mijn onbeschaamde liefde voor de smartphone: dat kraakheldere venster op de wereld, mijn alwetende metgezel, mijn alles. Ik schreef het als tegenhanger tegen alle morele paniek over de smartphone, maar misschien duwde ik te hard de andere kant op, dan bestaat het gevaar dat je zelf uit het lood gaat staat.
Aan mijn smartphoneliefde wil ik verder niets afdoen, maar behalve dat digitale venster is er ook een echt raam waar ik gek op ben: dat van mijn schrijfhokje, waar de koolmezen kwetteren. Dat hokje ligt afgelegen, in een natuurgebiedje in de bocht van de rivier. De dichtstbijzijnde winkel is een kwartier lopen. Een belangrijke minderheid in het parlement van mijn brein vindt het belangrijk om deze plek heilig te houden: om hier te kunnen nadenken zonder publiek, wandelen zonder stappenteller, kijken zonder hebberige Instagram-blik.
Enfin, ik ben ook graag offline. Er huizen twee zielen in mijn borst, maar anders dan Goethe’s Faust zie ik dat niet per se als probleem. Wel als een logistieke puzzel.
Het lijkt me een onmogelijke eis om alsmaar een mens uit één stuk te zijn: consistent, herkenbaar, immer on brand. In die drang naar eenheid schuilt juist het gevaar.
Eén van de pijnlijkste geluiden van dit jaar vond ik het honende gejoel op het ledencongres van de fusiepartij PvdA-GroenLinks. Een Kamerlid had een motie ingediend waarin ze opriep te stoppen met het ondersteunen van Israëls luchtverdediging. Ze was boos dat de wereld zwijgend toekeek, en terecht; maar zo boos dat ze ging tegenhangen, en vermoedelijk zichzelf verloor. Haar harde motie had als uiterste consequentie dat onschuldige burgers geen bescherming meer zouden krijgen. Een minderheid van het congres was daarom tegen. Deze groep werd weggehoond, de partij die opkomt voor minderheden kon niet omgaan met de minderheid in eigen gelederen. Daarom klonk dit joelen schril. Zoals het schril klonk toen een andere partij, NSC, ja zei tegen een wet die celstraf zet op het helpen van hen die honger hebben.
Beschaving is leren leven met je tegenstrijdigheden. Hoe moeilijk dat is, de rust bewaren in dat interne parlement, merk ik aan de telefoon. Het lijkt een eenvoudige wens: ik wil meestal online zijn, maar soms helemaal niet. Hoe organiseer ik dat?
Ik kan zonder telefoon naar mijn werk fietsen, maar dan ben ik ook onbereikbaar voor als de school belt over een ziek kind. Tot nu toe gebruikte ik de apps Freedom en Appblock waarmee ik internet kon afsluiten op bepaalde tijden en locaties. Het stond me wel tegen dat je dan betaalt om niet te kunnen beschikken over iets waar je voor betaalt, maar soit. Erger was: de software is te omzeilen. Ik ontdekte bijvoorbeeld dat internet op mijn telefoon weliswaar afgesloten was, maar dat de hotspot het op mijn laptop gewoon deed. Ik dacht het monster getemd te hebben, maar soms ontglipte het alsnog.
Ander mogelijk paardenmiddel: in de winkel om de hoek een simplistisch drugsdealertelefoontje kopen met een aparte simkaart – maar dan zat ik met een tweede nummer, een dubbelleven, heel onhandig. Dus vroeg ik me laatst af: kon ik niet twee simkaarten krijgen met één en hetzelfde nummer?
En ja, dat kon. Het stond weliswaar goed verstopt op de website van mijn provider, en ik moest een kwartier in gesprek met de klantenservice, maar een dag later arriveerden twee identieke simkaarten per post. Gratis. De ene kaart deed ik in mijn smartphone, de andere in mijn nieuwe rode mafklapper. Sindsdien wissel ik simpel van ziel.
Er bestaan romantische verwachtingen over het losgekoppelde leven. Hoe overspannen die zijn, merk ik aan de Instagram-advertenties voor driedaagse verblijven in je eentje in een hangmat op een modderig Nederlands eilandje waar je zelf heen moet peddelen, zonder telefoon, alcohol of lekkernijen, enkel de belofte dat je dan dichter bij jezelf komt, bij de essentie, voor slechts 800 euro (exclusief muggenspray).
De natuur is helemaal geen wonderpil. En offline zijn kan je tot de essentie voeren, maar die essentie kan ook bestaan uit verveling, eenzaamheid, zinloos repetitief gedrag als van een dier in een kooi.
De eerste keer dat ik met mijn klaptelefoon naar het werk was gefietst, ging ik dat ding steeds open- en dichtklappen. Moet gezegd: het toestel klapt heerlijk open, als een springbalsemien. En het klapt dicht met iets tussen poef en klap in, heel satisfying. Maar na een poosje ben je echt uitgeklapt.
Toen zocht ik mijn schrijfhokje af naar prikkels. Ging gewichtheffen met boeken. Las het dubbeldikke zomernummer van De Groene Amsterdammer uit – dat van vorig jaar, inclusief de kleine advertenties (‘Verstilling verbinding en vrede, abdijhoeve Bethlehem nodigt u uit…’ AAARRRRGH!). Herontdekte mijn verrekijker, de loep. Las lukraak boeken die ik al eens las, steeds in de zinnen speurend naar zintuiglijke prikkeling, als een zwerver die peukstompjes raapt. Bladerde koortsachtig door Proust, Zeewind op het platteland, vertaling Kiki Coumans, noteerde woorden als ‘wemeling’ en ‘bleekgouden watervallen’.
Toen ik het hokje grondig had uitgekamd, ging ik maar naar buiten, plukte wat bramen en propte ze in mijn mond tot mijn gezicht vertrok van het wrange sap; maakte een veel langere wandeling dan normaal, hopend mensen tegen te komen, intussen denkend aan het saldo van mijn stappenteller op mijn thuisgelaten iPhone: mijn respectabele daggemiddelde van 13.000 was in vrije val – juist nu ik zoveel wandelde.
Maar tot zover wat kanttekeningen, de rode mafklapper beschouw ik verder als een geslaagd experiment. Het ding doet wat het moet: ik kan nu eenvoudigweg het ene hoofd opschroeven en het andere thuislaten.
In senioren-modus lees ik meer, loop ik meer, kijk ik meer en maak ik minder foto’s (er zit een camera op mijn klaptelefoon maar die heeft de pixeldichtheid van een borduurwerkje). Veel ruis blijft me bespaard. Problemen ontstaan en lossen zich weer op helemaal zonder mijn tussenkomst. Ophef wervelt op en gaat weer liggen zonder dat ik er erg in heb. Alles laat ik heerlijk achter mijn rug om gebeuren.
Het wereldnieuws loop ik mis – maar ik hoor de tijdgeest des te beter in het zware doek-doek-doek van de legerhelikopters die hier steeds vaker overvliegen. Ik lees het woeden van de wereld wel af aan de enthousiaste gezichten van de piepjonge mariniersrekruten die in het natuurgebiedje hiernaast boomstammetjes sjouwen, als generale voor het tillen van getroffen kameraden straks.
Ik verander in een wijze senior van negentig, die alles heeft gezien, maar nog veel meer wil zien, omdat hij eindelijk heeft ontdekt dat je het leven niet elders moet zoeken; het leven is dit hier, wat zich nu pal voor je neus voltrekt. Dit is alles, hier moet je het mee doen.
Pal voor mijn neus heb ik een venster op de wereld, koolmezen fladderen voor het open raam. Ik kon ze tot voor kort nooit uit elkaar houden, daarvoor schoten de met dons beplakte zieltjes te snel heen en weer. Het is alsof je zoek-de-verschillen speelt met tien, vijftien bijna identieke stuiterballen. Ik zag een zwerm, geen ikken.
Nee: het waren mijn eigen gedachten die te veel heen en weer schoten om me er lang op te focussen. Maar als ik geen dansend schermpje heb, moet ik wel.
Vlekje is een koolmees voor beginners. Flets en pluizig en onbevangen, ze ging rustig voor mijn neus zitten. Een vrouwtje, denk ik, zonder de dikke zwarte borststreep, de ‘stropdas’ die mannetjes aan moeten. Met op de witte linkerwang ter herkenning een duidelijk vlekje. Eerst schrok ze steeds van haar eigen moed. Nu trippelt ze over de schrijftafel.
Ik zal niet tot de veertig individuen komen. Daarvoor snak ik op het einde van de dag te veel naar mijn andere ziel. Maar ik kan nu leven als de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau. Hij ging in een hut in een bos wonen, to front only the essential facts of life. Maar wel op anderhalve kilometer van de eerste buren. Hij deed soms boodschappen in de stad. Hij snapte het: je moet je leven zo organiseren dat je niet hoeft te kiezen. Mijn rode klaptelefoon maakt dat mogelijk: soms stadsmens, soms bosmonnik. Het toestel verdient evengoed een ode als mijn smartphone. Samen vormen ze mijn ideale toestel, mijn allestelefoon, die me de wereld geeft én verstilling.
Tegen het einde van de middag krijg ik zin in de smartphone, zoals je op het einde van de zomer zin in herfst krijgt. Als ik thuiskom schroef ik die andere ziel weer op. Dan liggen er, net zoals vroeger na de zomervakantie, stapels ansichtkaarten op me te wachten. Ik laaf me aan de heerlijke waterval van betekenisvolle notificaties, ik zoek de namen der bloemen op, laat me meeslepen in groepsverontwaardiging. Post foto’s. Tel likes. Tot ik weer zin krijg om van ziel te wisselen.
Je telefoon temmen is een voortdurende dressuur. Mijn klaptelefoon leert me intussen dit: in een wereld die wil dat je of een één of een nul bent, mag je wisselen zo vaak als je wilt. Moet je jezelf soms loskoppelen van de zwerm. Je moet jezelf als individu blijven zien.
Stukken die je helpen om je leven fijner en je carrière beter te maken
Source: NRC