Syrië Regeringstroepen maakten zich volgens een onderzoek van de VN in maart schuldig aan sektarisch geweld tegen burgers. Er is geen bewijs dat ze handelden in opdracht van de nieuwe regering.
Leden van de Syrische strijdkrachten in Latakia op 7 maart.
Op de ochtend van 7 maart verschijnen in Al-Sanobar – een dorp aan de Syrische kust – zo’n driehonderd gewapende mannen in militaire uniformen. Een vrouw beschrijft hoe ze beginnen met het plunderen van huizen. „We zijn hier om jullie te vermoorden, net zoals jullie ons vermoorden tijdens het bewind van Hafiz en Bashar [Assad],” hoort ze een van de gemaskerde figuren zeggen. Haar echtgenoot is een van de mannen die wordt geëxecuteerd.
Met dit soort gruwelijke anekdotes staat het onderzoeksrapport van de Verenigde Naties over de geweldsexplosie aan de Syrische kust in maart vol. De VN-commissie die het onderzoek donderdag publiceerde, concludeert dat zowel troepen van de nieuwe Syrische regering als strijders die loyaal waren aan het voormalige Assad-regime zich waarschijnlijk schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden.
De dagenlange geweldsspiraal aan de kust kostte zo’n veertienhonderd mensen – voornamelijk burgers – het leven en begon met een reeks gecoördineerde aanvallen van pro-Assadmilitanten op troepen van de Syrische interim-overheid. De kustregio, waar veel alawieten wonen, was van oudsher een bolwerk van het Assad-regime. De familie Assad hoort bij deze minderheid. Het rapport schat dat er in maart nog minstens tweeduizend gewapende pro-Assadstrijders in de regio waren, onder meer militairen van het voormalige regeringsleger.
Als reactie op de aanvallen van de pro-Assadmilitanten trokken tienduizenden, voornamelijk soennitische, militairen van het nieuwe regeringsleger, daaraan gelieerde milities en gewapende individuen naar de kustregio om de strijd met hen aan te gaan. Dit ging gepaard met wraakacties tegen alawitische burgers. Op basis van meer dan tweehonderd interviews beschrijft het VN-rapport onder meer hoe strijders van deur tot deur gingen om alawitische mannen en jongens te zoeken en te doden. Executies en martelingen werden soms door daders gefilmd.
De VN-onderzoekscommissie concludeert dat er geen bewijs is dat de strijdkrachten die betrokken waren bij het doden van burgers, handelden op bevel van de nieuwe Syrische regering onder leiding van voormalig rebellenleider Ahmed al-Sharaa. Maar de nieuwe regering faalde in het nemen van voorzorgsmaatregelen om burgers te beschermen. Ze had geen grip op de voormalige rebellengroepen die nu in naam onderdeel uitmaken van het regeringsleger.
In juli brak in Syrië opnieuw grootschalig geweld uit, ditmaal tussen gewapende bedoeïenen en het regeringsleger aan de ene kant en druzische milities aan de andere kant.. Ook toen had president Ahmed al-Sharaa zijn regeringstroepen op cruciale momenten niet in de hand, en maakten zijn veiligheidstroepen zich schuldig aan geweld tegen burgers.
Tientallen verdachten van het geweld in maart zijn inmiddels door de autoriteiten gearresteerd. Maar ondanks beloftes van de nieuwe regering om geweldplegers op te sporen en te berechten, blijven veel minderheden de regering wantrouwen.
De Syrische minister van Buitenlanse Zaken Asaad al-Shibani zei in een reactie op het VN-rapport „met ernst kennis te nemen van de vermeende schendingen” en aan de slag te gaan met de aanbevelingen van de onderzoekscommissie, waaronder het intensiveren van de opsporing van verdachten en het aanscherpen van de screening en training van militairen.
Source: NRC