Home

‘Ooit komen we hieruit en dan is er bewijs nodig van wat zich hier heeft afgespeeld, zei mijn moeder’

Anne-Ruth Wertheim zat als kind in een Joods Jappenkamp

Met de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 eindigde de Tweede Wereldoorlog tachtig jaar geleden ook in toenmalig Nederlands-Indië. De Volkskrant sprak met enkele laatste ooggetuigen.

Door Ellen de Visser

Fotografie Stephan Vanfleteren

In de week dat in Nederland de laatste Joden naar een concentratiekamp worden gedeporteerd, komt in Jappenkamp Kramat-Zuid op Java de selectie op gang. ‘Plotseling bericht: Joden moeten zich laten registreren’, schrijft Hetty Wertheim op 4 september 1944 in haar dagboek. Die mededeling stelt de moeder van drie jonge kinderen voor een groot dilemma. Haar man Wim, die elders gevangen zit, is Joods, zij niet. Gevolg is dat haar half-Joodse kinderen zonder haar op transport moeten.

Niets zeggen is een optie: de Japanners weten niet dat Wertheim een Joodse naam is. Maar ze zit in het kamp met een paar onbetrouwbare Duitse vrouwen. ‘Die kunnen me verraden’, schrijft ze. En dus besluit ze te liegen. Ze zegt dat ze Joods is, gaat mee op transport en slaagt erin om met haar zoontje en twee dochtertjes het laatste oorlogsjaar, een jaar met ‘gekmakende honger’, te overleven.

Tachtig jaar later blikt dochter Anne-Ruth Wertheim in haar Amsterdamse benedenwoning terug op een kamptijd die het gezin, opmerkelijk genoeg, veel heeft gebracht. Toen Wim en Hetty Wertheim elkaar na drie jaar terugvonden, waren ze er allebei van overtuigd geraakt dat het Indonesische volk recht had op onafhankelijkheid. Het racisme, het onrecht en de vernederingen die ze in de kampen hadden meegemaakt, hadden een ommekeer in hun denken veroorzaakt. Voor dochter Anne-Ruth zou die ellendige tijd uitmonden in een levenslange strijd tegen racisme.

Anne-Ruth Wertheimer wordt door het huispersoneel naar een feestje gebracht. ‘We hadden Indonesische bedienden en wij vonden het vanzelfsprekend dat wij belangrijker waren dan zij.’

Ze was 9 jaar oud toen ze met haar moeder, broertje Hugo en oudere zus Marijke in een kamp werd opgesloten. Haar moeder had papier en kleurpotloden meegenomen en moedigde haar kinderen aan vooral de heftige gebeurtenissen te tekenen. ‘Ooit komen we hieruit en dan is er bewijs nodig van wat zich hier heeft afgespeeld, zei ze ons.’ De tekeningen bleven bewaard, vijftig jaar na de bevrijding bundelde Anne-Ruth ze in een boek: De gans eet het brood van de eenden op. Het is inmiddels in acht talen vertaald.

Drie- tot vijfduizend Joden telde Nederlands-Indië toen Japan het land bezette, de meesten kwamen uit Nederland. Wim Wertheim was er in 1931 met zijn vrouw naartoe verhuisd omdat hij in Nederland geen werk kon vinden. In Batavia, het toenmalige Jakarta, werd hij hoogleraar aan de rechtshogeschool. De Japanners behandelden de Joodse gevangenen aanvankelijk niet anders dan de rest maar dat veranderde na een bezoek van Helmut Wohltat, een adviseur van Hitler, die de Japanners erop wees dat ze als bondgenoot van nazi-Duitsland hardere maatregelen moesten nemen tegen de Joden.

En dus ging Anne-Ruth met haar familie in december 1944 vanuit het vrouwenkamp Kramat-Zuid op Jodentransport naar het kamp Tangerang. ‘Dat Joodse Jappenkamp was er niet om ons dood te maken’, zegt ze. Er was alleen nog minder te eten, er heersten nog meer ziektes, er werd nog meer geweld gebruikt.

Ze tekende de smalle slaapplekken, het strafappel, het verplichte buigen voor de Japanse kampcommandant. ‘We moesten soms voor straf zeven uur lang in de zon staan, zonder eten en drinken. En we moesten aanzien hoe anderen werden gestraft. Ik heb nog altijd het beeld voor me van de Irakese Jodin die urenlang een kist omhoog moest houden. Haar armen werden helemaal blauw.’

‘Nee, dat was uitgesloten. Wij waren altijd de overheersers geweest, we konden van de bevolking niet verwachten dat ze voor ons risico’s wilden lopen. Ontsnappen was ook zinloos, onze witte huid zou ons onmiddellijk hebben verraden.’

‘Mijn opa en oma hebben op 15 mei 1940, de dag van de capitulatie, zelfmoord gepleegd. Het contact met Europa was verbroken, maar een kennis van de familie is er via de Italiaanse ambassade in geslaagd om mijn vader daarover een brief te sturen. Over de rest van de familie hebben mijn ouders zich grote zorgen gemaakt. Pas na de oorlog werd duidelijk dat ze bijna allemaal vermoord waren, in Sobibor en Auschwitz. Ons lot zou vermoedelijk anders zijn geweest als mijn ouders in Nederland waren gebleven. De kamptijd in Indonesië was verschrikkelijk, maar we zijn er wel ontsnapt.’

‘We hadden Indonesische bedienden en wij vonden het vanzelfsprekend dat wij belangrijker waren dan zij. Als kind mocht ik de bedienden ook opdrachten geven, al moesten we van onze ouders wel beleefd blijven. Om me heen zag ik soms anders gebeuren.’

De blinde vlek voor de oorlogsverhalen uit Nederlands-Indië is een doorwerking van ons koloniale verleden

Dat er nog altijd weinig aandacht is voor de geschiedenis van Nederlands-Indië zegt veel over de bredere omgang met ons koloniale verleden, betoogt historicus Suze Zijlstra.

‘Ik heb in de kampen veel andere moeders bezig gezien, we zaten dag en nacht boven op elkaar. Er waren genoeg vrouwen die instortten, er waren zelfs moeders die het eten van hun kinderen opaten omdat ze zo’n honger hadden. Mijn moeder bleef, laten we zeggen, psychisch overeind. Ze las voor, gaf ons les. Toen mijn boek uitkwam, kreeg ik verbaasde reacties omdat wij, zo jong, al in perspectief tekenden. Dat had mijn moeder ons geleerd.’

Enthousiast vertelt ze over het ganzenbord dat haar moeder in het kamp maakte. Met daarop tekeningen van hun eigen witte villa, van de wachttorens en de toegangspoort van het kamp. Toen het kartonnen bordspel dreigde te scheuren, verstevigde haar moeder het met een stukje laken. Het spel ging mee van kamp naar kamp. Na de dood van haar moeder schonk ze het aan het Joods Historisch Museum.

‘Mijn vader is ons vrij snel na de bevrijding gaan zoeken. Hij kwam erachter dat we vanuit Tangerang naar kamp Adek waren gedeporteerd, in het zuiden van Batavia. Ik stond bij de poort toen ik hem aan zag komen, op een gammele fiets. Toen pas hoorden we dat hij zijn Joodse identiteit in het kamp geheim had gehouden, net als veel andere Joodse gevangenen. Je moest de Japanners niks vertellen wat ze tegen je konden gebruiken, zei hij daarover.’

Terug in Batavia was ‘alles heel anders’, noteerde Wim Wertheim in zijn naoorlogse herinneringen. ‘De wil tot vrijheid en gelijkheid was ontwaakt.’ Voor dat verlangen hadden haar ouders tijdens hun kampjaren begrip gekregen, vertelt Anne-Ruth Wertheim. ‘Ze kwamen uit een rechts milieu. In hun kringen stond de witte overheersing over gekleurde volkeren niet ter discussie. Toen ze in Nederlands-Indië aankwamen gingen ze aanvankelijk mee in die koloniale verhoudingen. Maar ze hadden een groot rechtvaardigheidsgevoel. Mijn vader had veel contact met Indonesische studenten en dat opende hem de ogen.’

‘Wij werden van de een op andere dag van een bevoorrechte groep een onderdrukte en een vervolgde minderheid. We ondervonden zelf wat het betekent als je wordt uitgesloten en racistisch wordt bejegend. Mijn vader had in het kamp bovendien gesprekken met geestverwanten. Hij las de boeken die zij hadden meegenomen. Ook dat heeft zijn verzet gevoed.’

‘Mijn vader werd hoogleraar in Amsterdam, daar kwam ik op de middelbare school terecht. Het was de periode waarin het Nederlandse leger het gezag in Nederlands-Indië probeerde te herstellen. Ik was een buitenbeentje, alleen al omdat al mijn klasgenoten vonden dat wij Indië moesten behouden. We hadden een vreselijke aardrijkskundeleraar, die man was rechts tot en met. Als ik het over Indonesië had, dan wees hij me terecht. Nee Anne-Ruth, zei hij dan, je moet zeggen: ons Nederlands-Oost-Indië.’

Het foto-album van de familie Wertheim uit 1940. Toen ze 9 jaar oud was veranderde dat. ‘Wij werden van een bevoorrechte groep een onderdrukte en een vervolgde minderheid.’

‘In de kampen heb ik gezien dat discriminatie een soort fuik is, dat het in stappen gaat. Eerst wordt een groep mensen aangewezen op grond van hun herkenbaarheid, daarna worden ze apart gezet en ontmenselijkt. Zo ontstaat een voedingsbodem voor geweld. Om racisme te kunnen bestrijden moeten we oog hebben voor dat mechanisme.

‘Toen mijn vader aankwam in Indonesië zag hij twee typen vooroordelen. De Nederlanders beschouwden de Indonesiërs, die het vuile werk deden, als dom en lui. Over de Chinese minderheid in het land konden ze dat niet zeggen, want de Chinezen waren succesvolle handelaren. Dus deed het verhaal de ronde dat ze sluw waren en onbetrouwbaar. Precies dezelfde vooroordelen als in Europa over de Joden werden verkondigd: ze hebben het achter hun ellebogen, ze zijn zo slim dat ze ons belazeren. Het eerste type racisme noemde hij uitbuitingsracisme, neerkijken op de ander. Het tweede type noemde hij concurrentieracisme, racisme als gevolg van jaloezie en angst.’

Anne-Ruth Wertheim mag inmiddels 90 jaar zijn, nog altijd publiceert ze over de inzichten die ze opdeed in het toenmalige Nederlands-Indië. ‘Het racisme van nu heeft weinig meer te maken met neerkijken maar vooral met jaloezie en angst. Ze moeten integreren, klinkt het vaak over de minderheden, maar daar gaat het niet om. De Joden waren in Europa perfect geïntegreerd en toch heeft dat ze niet behoed voor uitroeiing.’

In het boek met de tekeningen uit haar kamptijd heeft ze de gedachten genoteerd die haar toen, tussen het prikkeldraad en de wachttorens, bezighielden: ‘Omhoog kun je net zo ver kijken als je maar wilt, dan kijk je naar de vrijheid. Als ik later groot ben, en er zijn nog mensen gevangen, ergens op de wereld, zal ik net zo lang doorgaan tot ze bevrijd zijn.’

‘Dat ik me uitspreek over de situatie in Gaza. Meelopen in een demonstratie kan ik niet meer, ik publiceer erover op websites en sociale media, dat is mijn manier van actievoeren. Ik voel de plicht me uit te spreken, juist omdat ik half-Joods ben. De Gazanen zitten ook in een concentratiekamp, vind ik, net als wij in het Jappenkamp. Het verschil is dat wij Hollanders eerst de baas waren en dat toen een andere baas het regime overnam. Maar de omstandigheden zijn vergelijkbaar. Geen voedsel, geen medicijnen, geweld tegen onschuldige mensen.’

‘Het gaat om het gevoel van gevangenschap. Ons eerste kamp was een omheinde wijk van Batavia, we konden een heel eind lopen maar we konden er niet uit. Net als de Gazanen. Ze zitten als ratten in de val. Wij wisten in het kamp ook niet hoe lang het nog zou duren, net als nu in Gaza. Dat geeft een groot gevoel van onveiligheid, je hebt niets om je aan vast te houden. Je weet alleen dat het nóg erger kan worden.’

Verschillen zijn er ook, zegt ze. ‘Op ons werden niet ook nog bommen gegooid.’

Source: Volkskrant

Previous

Next