Geschiedenis De biografie van Elisabeth van Culemborg toont vooral haar machtige familie. Want van haarzelf is weinig bekend.
Elisabeth van Culemborg geschilderd door Nicolaes de Kemp.
Een fors boek schrijven over iemand van wie je nauwelijks iets concreets weet – het kan, maar is riskant. De hoofdpersoon krijgt in Wijnand Mijnhardts Het verdriet van Elisabeth van Culemborg nauwelijks een gezicht, laat staan gedachten en gevoelens. Ze stamt uit een oud adellijk huis, wordt gaandeweg steeds rijker en heeft entree in de hoogste kringen, maar we hebben zo goed als geen brieven, dagboeken of andere documenten waaruit blijkt hoe ze een en ander onderging.
Toch was er een bijzondere aanleiding om dit boek te schrijven. Wijnand Mijnhardt en zijn echtgenote bewonen sinds 1997 in Culemborg een middeleeuws stadspaleis uit het bezit van de dynastie waarin Elisabeth een van de centrale figuren was. Het rechtlijnige gebouw uit 1477, met de bijnaam Huis van de Bastaard, was tot de Mijnhardts het kochten in gebruik geweest als zalencentrum van de hervormde gemeente. Het vergde twintig jaar restaureren voor het in oude luister hersteld was, maar dan wel naar de oude luister van omstreeks 1800. In de Middeleeuwen wil niemand meer wonen, zelfs geen historicus.
Mijnhardt, emeritus hoogleraar Cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, beschrijft de hele geschiedenis wat gespeeld onwennig, als een opfriscursus, maar dan wel voor gevorderden. Zijn verkenning van de late Middeleeuwen is een voortdurende aha-erlebnis. En ook af en toe een voelbare worsteling met de materie – veel sprongen door de tijd, en ook nogal wat zaken die twee of drie keer genoemd worden. Het maakt het boek bij vlagen tot wat taaie lectuur. Maar daar staat veel tegenover. Bijna alles wat zich zoal met deze tijd laat associëren – het Lam Gods van de gebroeders van Eyck, de voltooiing van de Utrechtse dom, de opkomst van de moderne devotie, de verspreiding van de boekdrukkunst, het snelle succes van Luther – blijkt te verbinden met de binnenwereld van de Culemborgse adellijke familie.
Die familie bestierde sinds de veertiende eeuw een bescheiden heerlijkheid in het rivierengebied, en viel lange tijd nauwelijks op tussen andere regionale dynastieën. Culemborg kreeg in 1318 stadsrechten, maar telde een eeuw later nog altijd maar zo’n duizend inwoners. Het stadje moest het niet zozeer hebben van zijn eigen economische ontwikkeling maar meer van de slagvaardigheid van heer van Culemborg om zich op te werken. Dat lukt pas in de tweede helft van de vijftiende eeuw.
Het jaar 1477 is het grote scharnierpunt in het verhaal van Mijnhardt. Het staat bekend als het jaar waarin het over een groot deel van de Nederlanden heersende Bourgondische huis zich via erfdochter Maria vastklonk aan het machtige Oostenrijkse huis Habsburg, in de persoon van Maximiliaan. 1477 is ook het jaar waarin Maria van Bourgondië de opstandige Nederlandse gewesten enkele grote concessies moest doen, die bekend werden als het Groot Privilege. De gewesten wierpen daarmee een barricade op tegen de centralisatie-ambities van eerdere Bourgondische hertogen. Die ambities waren daarna niet verdwenen, allesbehalve, ze zouden omstreeks 1560 de voedingsbodem worden voor de grote Nederlandse Opstand, onder aanvoering van Willem van Oranje.
Mijnhardt beschrijft minutieus hoe de heren van Culemborg juist enorm wisten te profiteren van dit Bourgondisch-Habsburgse centralisme. Gerrit II (1418-1480) legde het fundament door slagvaardig het grondgebied van zijn heerlijkheid uit te breiden. Nog belangrijker was het huwelijk van zijn zoon Jasper (ca. 1445-1505) met Johanna van Bourgondië in 1470. Zij was de dochter van een rijke bastaardzoon van Filips de Goede, Antoine van Bourgondië. Tegelijkertijd kreeg het echtpaar een enorm grondbezit in handen, waaronder de heerlijkheid Hoogstraten.
Jasper slaagde er in zich zeer geliefd te maken bij de Bourgondiërs – hij was een dapper militair en bleek hondstrouw, ook op het moment dat aartsvijand Frankrijk hem probeerde te verleiden over te lopen. Hij werd beloond met de functie van kamerheer van Maximiliaan. Het Culemborgse huis had opeens een positie in de hoogste kringen. Het was aan de volgende generatie om die positie te consolideren en liefst nog verder uit te bouwen. Die plicht rustte vooral op de oudste dochter Elisabeth (1475-1555), de hoofdpersoon van het boek. Ook zij trouwt een veelbelovende partij, Jan van Luxemburg, niet zozeer rijk, maar wel populair in regeringskringen. Hij is veel op reis en sterft al na een zeven jaar huwelijk. Elisabeth blijft kinderloos achter. Ze trouwt daarna met de ambitieuze Henegouwse edelman Antoon van Lalaing, die het tot stadhouder over Holland, Zeeland en Utrecht schopte. Ook dit huwelijk bracht geen kinderen voort. Dit is het verdriet uit de titel.
Om dichter bij het Brusselse vuur te zitten, werd door Elisabeth en Antoon in Hoogstraten een groot renaissanceslot gebouwd, dat als uitvalsbasis voor de familie ging dienen. Ook in Brussel en Mechelen werden paleizen uit de grond getrokken. Wanneer Antoon in 1540 sterft, is Elisabeth 65 jaar oud, en pas dan leren we haar wat beter kennen. Het verdriet over de kinderloosheid en de problemen die dat schept voor de dynastie, zet ze om in een enorme godsdienstijver. In Hoogstraten bouwt ze een kolossale kerk, die eigenlijk een paar maatjes te groot was, en nog steeds is voor dit bescheiden plaatsje. Er kwam een clarissenklooster bij. Kerken in de wijde omgeving kregen van haar kapitale glas-in-loodramen. Mijnhardt vermoedt dat deze godsdienstijver niet alleen door vroomheid werd ingegeven, maar ook door een diepe afkeer van het lutheranisme, dat overal in de Nederlanden om zich heen greep. Ze lijkt daarin wel op haar tijdgenoot de Antwerpse schooljuf Anna Bijns. Deze vrouwen vertoonden in die jaren meer pit om het protestantisme stevig aan te pakken dan de roomse clerus.
Mijnhardt tekent Elisabeth als een zelfstandig opererende vrouw. Ze had een groot deel van haar leven doorgebracht aan het Bourgondische hof in Mechelen, waar ze in ontwikkelde vrouwen als Margaretha van York en Margaretha van Oostenrijk rolmodellen had, die maximale armslag voor zichzelf opeisten. Als weduwe zal Elisabeth haar bezit verdelen onder zijtakken van de familie, een huis Culemborg en een huis Hoogstraten, die beide tot graafschap werden verheven
Omstreeks 1540 keerde ze zelf terug naar het kasteel in Culemborg, en had daar de laatste vijftien jaar van haar leven het uitzicht op het Huis van de Bastaard, dat zo werd genoemd, naar de eerste bewoner, Zweder van Culemborg, een onechte zoon van haar grootvader Jasper, die het huis in 1477 liet bouwen. Inmiddels is dit huis het enige tastbare overblijfsel van de korte glorietijd van de Culemborgse dynastie. Je zult er maar wonen.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC