Met de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 eindigde de Tweede Wereldoorlog tachtig jaar geleden ook in toenmalig Nederlands-Indië. De Volkskrant sprak met enkele laatste ooggetuigen. Truus Cobben-Schoonenberg, die als kind in kamp Tjideng zat: ‘Ik heb er geen trauma van opgelopen.’
Door Rik Kuiper
Fotografie Stephan Vanfleteren
‘Het stonk er verschrikkelijk’, zegt ze. ‘De huizen waren zo vol dat de riolen het niet aankonden. Soms had ik corvee, met andere meisjes van mijn leeftijd. Dan moesten we de overlopende riolen leegscheppen. We vulden emmers met poep en brachten die naar het riviertje. Vies werk was het. Ik weet niet eens of we laarzen en handschoenen droegen.’
Gekleed in een gebloemde blouse en een zuurstokroze broek vertelt Truus Cobben-Schoonenberg (94) over haar tijd in kamp Tjideng, een interneringskamp in Batavia, de hoofdstad van het toenmalige Nederlands-Indië. Ze zat daar vast tijdens de Tweede Wereldoorlog, samen met haar moeder en twee zussen. Het leven was er spartaans, de honger niet te harden.
Ze overleefde het kamp en verkaste na de onafhankelijkheid van Indonesië met haar ouders naar Nederland, keerde daarna nog een paar jaar terug, en rondde uiteindelijk in Utrecht haar studie geneeskunde af. Ze trouwde, kreeg zes kinderen en werkte jarenlang als arts op een consultatiebureau. Na haar pensioen deed ze vrijwilligerswerk, onder meer voor vluchtelingen.
De oorlog heeft geen diepe sporen achtergelaten, zegt ze. ‘Ik ben een gelukkig mens en heb geen trauma.’
‘Maar er is één ding dat je niet kunt’, zegt haar dochter Margriet (62), die in het appartement in Eindhoven koffie en spekkoek serveert.
‘Wat dan?’
‘Eten weggooien. Dat is bij jou heel extreem.’
Truus Cobben-Schoonenberg werd op 30 oktober 1930 geboren in Bandung, een stad in de bergen van Java. Haar ouders waren kort daarvoor vanuit Woerden naar de kolonie geëmigreerd, waar haar vader ging werken als onderwijzer.
Ze groeide op in Padang Sidempoean, een plaats op Sumatra waar weinig Nederlanders woonden. Haar vader werkte op de plaatselijke mulo. ‘We hadden een mooi huis aan een rivier met een harde stroming. Door van kei naar kei te springen konden we naar de overkant, waar het bos begon. Daar mochten we niet spelen van mijn ouders, maar dat deden we toch. Voor de tijgers waren we niet bang. We wisten dat ze overdag sliepen. Soms ving de lokale bevolking zo’n tijger. Die werd dan opgegeten. Wij aten geen tijger.’
‘In een van de Indonesische scholen was één lokaal in gebruik voor de Nederlandse kinderen. Die kregen les van één meester. Ik zat daar met mijn oudere zus Anneke en een paar kinderen die op de rubberplantages woonden. Ik was de enige van mijn jaar. Anneke zat een klas hoger.’
‘Wij hadden een kokkie om te koken, een baboe voor de was en de inkopen op de markt en een djongos om de maaltijd op te dienen en de tuin te onderhouden.’
‘Nou ja, iedereen in Indië had toen personeel. Nu het koloniale verleden in de belangstelling staat, klinkt het soms alsof er sprake was van slavernij. Dat was niet zo. Het waren betaalde krachten. En in die tijd hadden families in Nederland ook een dienstmeisje.
‘Later ben ik me wel gaan afvragen waarom ik zo weinig wist van het personeel. Mijn kokkie was getrouwd, de djongos had kinderen. Daar hoorde ik niets over en het kwam niet in me op ernaar te vragen. Dat vind ik heel raar van mezelf.’
‘Japan had eerder de Filipijnen veroverd, maar dat ze ook Indië zouden binnenvallen verwachtte niemand. Mijn vader was een van de weinigen die dat wel voor mogelijk hield. En hij kreeg gelijk. Omdat hij in Nederland in militaire dienst was geweest, kreeg hij een oproep voor het leger. Na de capitulatie werd hij als krijgsgevangene naar een concentratiekamp gebracht.’
‘Ja. Wij woonden op dat moment in Batavia en ik weet nog dat de school naast ons huis werd betrokken door een groep Koreaanse stoottroepen, die met de Japanners meevochten. Wij zaten limonade te drinken op ons terras, toen er een dronken Koreaan opdook die aan mijn oudere zus begon te voelen. Mijn moeder schreeuwde als een viswijf, waarna de soldaat vertrok. Die nacht deden we geen oog dicht, omdat er de hele tijd op de deur werd gebonkt. De volgende dag hebben we onze spullen gepakt en zijn we vertrokken naar kennissen in het centrum.’
Dat er nog altijd weinig aandacht is voor de geschiedenis van Nederlands-Indië zegt veel over de bredere omgang met ons koloniale verleden, betoogt historicus Suze Zijlstra.
‘De Japanners zeiden dat ze vrouwen wilden beschermen en dat we daarom moesten verhuizen naar ‘beschermde wijken’. Wij kwamen in Tjideng terecht, een buitenwijk van Batavia. We namen bedden mee en een enorme hutkoffer, die mijn moeder vulde met etenswaren: puddingpoeder, gecondenseerde melk en vruchten op sap. Daar hebben we heel lang mee gedaan. We kregen een kamer toegewezen in een groot huis waarin ook andere vrouwen en kinderen woonden.’
‘In het begin was het een open kamp. We mochten overdag naar buiten. Ik ging met Anneke papaya’s verkopen. Daar kregen we een beetje geld voor. Ook kochten we kokosnoten om die te raspen en er kokosolie van te maken. We waren heel ondernemend.
‘In de garage van ons huis begonnen we een kinderopvang. We regelden vlechtmatjes, kleurpotloden en puzzeltjes en vingen daar vijftien tot twintig kinderen op. Terwijl we zelf ook nog jong waren: 12, 13 jaar oud.’
‘Nee. En dat vond ik heel erg. Ik leerde graag. Het ergste van het kamp vond ik dat er geen boeken waren. Voor de oorlog las ik een boek per dag. Mijn moeder noemde me een ‘leesheks’. Ik herinner me nog dat ik in mijn stapelbed lag, waar ik de wandluizen over het plafond zag kruipen, en ik dacht: in Nederland is er een gewoon meisje dat naar school gaat. Daar was ik zo verdrietig van.’
‘Sonei was geestelijk niet helemaal in orde. Hij liet ons twee keer per dag koempoelen, op appel staan op het plein achter de poort. En dan riep hij de nummers af. Wij waren 600, 601, 602 en 603. Het duurde eindeloos voordat hij iedereen had afgeroepen. Een paar keer liet hij ons de hele dag staan, zonder eten en drinken. Sommige mensen vielen flauw. Kinderen mochten gaan zitten.’
‘Dat mijn zusje verdween. Ze was ziek geworden, lag even in het ziekenhuisje in het kamp en werd op een dag met een vrachtwagentje afgevoerd. We wisten niet waarheen. Na drie maanden keerde ze terug. Ze bleek tuberculose te hebben gehad, waarvoor ze was behandeld in een ziekenhuis. De Japanners waren als de dood voor ziekten.’
‘Ik denk dat ik het vreselijk vond en verdriet had. Die onzekerheid! Maar ik heb er geen trauma van opgelopen.’
‘Iedere overlevende heeft een eigen, persoonlijke herinnering. De een heeft verschrikkelijke dingen meegemaakt, de ander niet. Er zijn vrouwen die zagen hoe iemands hoofd werd afgehakt, er zijn vrouwen die werden mishandeld. Ik heb dat allemaal niet meegemaakt. Kennelijk heb ik geluk gehad.’
‘Ik ben boos geweest over dat boek. Brouwers was een peuter toen hij in dat kamp kwam! Hij heeft die verhalen verzonnen. Zijn roman is niet gebaseerd op de werkelijkheid. Dat schreef Rudy Kousbroek later ook. En die heeft eveneens in het kamp gezeten.’
‘De poort van het kamp stond op een dag open en er kwamen geallieerde soldaten binnen: uit India, met zo’n tulband op. Die vertelden ons over de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. En dat de oorlog voorbij was. Geweldig! Mijn moeder had nog ergens een Nederlandse vlag. Die hing ze toen uit.
‘Ze besloot ook dat we snel het kamp moesten verlaten. We pakten onze spullen en lieten ons door die Indiase soldaten naar een leegstaand huis brengen. Daar zijn we ingetrokken. Omdat het lekte, verhuisden we snel naar een ander huis.’
‘Wij vonden Soekarno een verrader en een misdadiger, omdat hij met de Japanners had samengewerkt. Maar tegelijkertijd begreep ik – als een van de weinige Nederlanders daar – dat de Indonesiërs autonomie wilden.’
‘We wisten dat het gevaarlijk was, maar ik kan me niet herinneren dat ik bang was. Mijn zus en ik gingen nog gewoon naar de bioscoop.’
‘Hij had een vreselijke tijd gehad op Sumatra, waar hij als dwangarbeider aan de Pakanbaroe-spoorweg werkte. Hij werd daar geslagen en vernederd, hij kreeg er malaria en leed honger. Later vertelde hij hoe hij een muisje aan zijn staartje vastpakte en opat. Er zijn daar veel mensen omgekomen, vooral Indonesiërs.
‘Toen zijn kamp werd bevrijd, was hij zo ziek dat ze hem naar Singapore brachten. Daar herstelde hij. Vervolgens reisde hij als verstekeling mee op een boot terug naar Indië. Op 10 februari 1946 stond hij bij ons voor de deur. Ik herkende hem direct, het was een innig weerzien.
‘En weet je wat grappig is? Mijn moeder, mijn zussen en ik sliepen in dat huis met z’n allen op één kamer. Mijn vader kwam daar ook bij. Later zou mijn zusje beweren dat ze die eerste nacht gehoord heeft hoe mijn broertje werd verwekt. Mijn ouders waren blij dat ze weer bij elkaar waren.’
Source: Volkskrant