De thuiswedstrijd in Zwitserland | Hornussen Als de sneeuw gesmolten is zoeken Zwitsers ander sportvertier. Een populaire, traditionele en verbindende sport is Hornussen, een mix van cricket, golf en kogelstoten. „Niemand krijgt hier de schuld. Na afloop proosten we.”
Een speler van het team uit Gossau slaat met zijn slagstok, de stecken.
Skiën, bergwandelen en mountainbiken zijn waarschijnlijk de eerste sporten die bij mensen opkomen bij het denken aan Zwitserland. Maar op het Zwitserse platteland leeft een sport die nauwelijks buiten de landsgrenzen bekend is: Hornussen – een spel dat het midden houdt tussen cricket, golf en kogelstoten. „Bij Hornussen scoort niet het individu, maar draait het om samenwerking.”
Op een strak gemaaide weide bij Gossau, een dorp ten oosten van Zürich, maakt Martin Liechti (71) zich klaar voor zijn slag. In zijn handen: een drie meter lange, buigzame slagstok, de Stecken, met aan het uiteinde de Träf – het slagvlak. Liechti richt zich op een schuin omhoog geplaatste Hornuss, een zwarte schijf van 78 gram. Die ligt klaar op een metalen constructie genaamd de Bock: twee geleiders in V-vorm, te vergelijken met een rodelbaan.
De schijf is zorgvuldig geplaatst door Belinda Diethelm (37), de enige vrouw in het team van Gossau. Met een kloddertje klei – niet groter dan een duimtopje – bevestigt ze de Hornuss aan de Bock. De positie wordt aangepast aan de ervaring van de slagman of -vrouw. „Een ervaren speler krijgt een lage positie voor maximale kracht,” legt ze uit. „Voor beginners leg ik hem iets hoger; dan komt de Hornuss makkelijker los.”
Belinda Diethelm is aan de beurt om te slaan.
Het doel van het slagteam is om de Hornuss zo ver mogelijk in het Ries te slaan, een rechthoekig veld dat begint op honderd meter afstand en tot tweehonderd meter doorloopt, met een breedte van zo’n tien meter. In dat veld staat het verdedigende team opgesteld, elk lid gewapend met een Schindel – een houten of kunststof plank waarmee ze de Hornuss uit de lucht proberen te slaan. Ze mogen de plank vasthouden of werpen, zolang ze de Hornuss maar raken. Lukt dat niet, dan scoort het verdedigende team een punt, een zogenaamde Nummer, te vergelijken met een strafpunt. Het team met de minste punten wint.
Liechti staat met zijn standbeen in een ijzeren voetsteun in het zand. „Uit het ene been haal je kracht,” zegt hij. „Het andere laat je vrij, zodat je volledig kunt meedraaien.” Als een golfer – maar dan agressiever en luidruchtiger– zwaait hij de Stecken over zijn schouder. In één explosieve beweging slaat hij de Hornuss de lucht in.
Het projectiel schiet richting de bergen uit het kanton Sankt Gallen. Een Hornuss kan tot 330 meter ver vliegen, hoogtes van zeventig meter bereiken en snelheden van wel 300 kilometer per uur halen. Daarbij maakt hij een scherp, zoemend geluid – als een hoornaar, een grote wesp. Daar dankt de sport haar naam aan, althans zo gaat de legende: hoornaar betekent in Zwitserse dialecten Hornuss.
Het team uit Gossau gooit hun Schindel in de lucht om de Hornuss te raken.
Vanwege de hoge snelheid geldt er sinds kort een helmplicht voor spelers geboren vanaf 1982. Vooral de voorste verdedigers moeten razendsnel reageren. Nadat Liechti geslagen heeft, klinkt er vanuit het verdedigende team geroep. Ze proberen in te schatten waar het de Hornuss landt. Maar het is tevergeefs: het team van Biglen-Arni C, uit het kanton Bern, raakt de Hornuss dit keer niet. Het projectiel slaat na zo’n honderdvijftig meter in het gras neer. De jury bevestigt: een Nummer voor Biglen-Arni C.
Elke ploeg mag twee keer slaan en twee keer verdedigen. Na Liechti is Peter Trachsel (73) aan de beurt, het manusje-van-alles van de vereniging. Ook zijn slag wordt niet onderschept. „Ze zijn nog aan het slapen”, grapt hij, terwijl hij zijn Stecken opbergt.
Toch waakt Trachsel ervoor om zichzelf te veel te prijzen. „Bij Hornussen draait het niet om het individu,” benadrukt hij, „het gaat om samenwerking.” Of dit past bij het karakter van de Zwitsers? „Het zou kunnen dat wij in dit land niet zo’n groot ego hebben.”
Hornussen is tegenwoordig, samen met Schwingen (worstelen) en Steinstossen (steenwerpen), een van de drie nationale Zwitserse sporten. Maar dat was lang niet vanzelfsprekend. De sport ontstond in de 16e of vroege 17e eeuw in het Emmental, iets ten oosten van Bern. Daar kwamen boeren na de oogst bijeen om tegen andere dorpen te spelen. Ze sloegen met een stevige, flexibele stok een projectiel — vaak een bot of een wortel — in de richting van een afgesproken doelgebied. De tegenpartij probeerde dit vliegende voorwerp te stoppen met een houten plank.
Hornussen werd ook gebruikt om dorpsruzies te beslechten; wie het spel won, kreeg gelijk in het conflict. Maar dit alternatieve besluitvormingsproces eindigde vaak opnieuw in ruzie, „Vanwege de vele alcohol,” aldus Trachsel. „Na afloop moest de verliezende ploeg de grill betalen.” De overheid keek er met argusogen naar: de wedstrijden op zondag zouden mensen zorgen dat mensen minder naar de kerk gingen. Hornussen werd verboden.
Stecken van het team uit Gossau.
Pas in de 19e eeuw, tijdens de opkomst van het Europese nationalisme, kreeg Hornussen opnieuw erkenning als typisch Zwitserse traditie. Sinds 1902 bestaat de officiële bond: de Eidgenössischer Hornusserverband (EHV), die tegenwoordig duizenden leden telt. Toch blijft de sport relatief onbekend — zelfs binnen Zwitserland. „De beste speler van het land slaat voor vijftig, misschien honderd toeschouwers,” vertelt Trachsel.
De sport is allang niet meer het exclusieve domein van boeren. In het team van Gossau zitten een restauranthouder, een hondentrimmer, een bouwvakker. Volgens Trachsel is Hornussen vooral „een passievolle amateursport, waarbij iedereen het beste uit zichzelf wil halen.” Professionele spelers zijn er niet, prijzengeld evenmin. Wel een landelijke competitie. Maar: „De landskampioen gaat met lege handen naar huis – op een beker en een ronde bier na.”
Toch zijn er wel degelijk verschillen in niveau, techniek en slagkracht. De competitie is georganiseerd zoals in het voetbal: met een A- en B-klasse, gevolgd door vijf divisies. Spelers uit de hoogste klasse slaan de Hornuss aanzienlijk verder het veld in dan hun collega’s uit lagere divisies. Ook trainen de hogere teams ’s winters door in overdekte hallen, terwijl de meeste clubs hun seizoen afsluiten zodra de sneeuw valt.
„In Zwitserland zijn zo’n 170 tot 180 verenigingen,” zegt Trachsel, terwijl hij door een boek bladert over de geschiedenis van Hornussen. „In totaal zijn er ongeveer zevenduizend actieve spelers, vooral uit de kantons Bern en Zürich. In andere delen van het land kennen mensen de sport nauwelijks, of alleen van naam.”
Sinds een paar jaar doen ook vrouwen mee. Bij Gossau is dat Belinda Diethelm. „Het mooiste aan Hornussen is het dat het gespeeld wordt door meerdere generaties in een team. Je speelt met de jongeren en de ouderen – allemaal samen in één team.” Ook de tegenstander heeft een vrouw in het team: Yana Eichenberger.
Op de vraag waarom vrouwen pas relatief laat zijn gaan Hornussen , antwoordt Trachsel nuchter: „Vroeger was er geen interesse voor of werd het zelfs afgekeurd.” Het is volgens hem te vergelijken met vrouwenvoetbal: sociale normen en beperkte interesse speelden lang een remmende rol.
Belinda Diethelm wacht om de volgende Hornuss uit het veld te slaan.
Het team uit Gossau staat in de tweede ronde in het veld om te verdedigen. Eichenberger slaat hard, maar haar Hornuss vliegt tegen een boom naast het veld. Ze mag opnieuw. In het veld nemen de spelers van Gossau hun plek weer in. Sommigen gebruiken hun Schindel als steun, zoals een boer dat soms doet met zijn hooivork.
„Ja!”, klinkt het vanuit het veld – het sein dat er weer geslagen wordt. De verdedigers richten hun blik op de lucht. „Links! Naar links! Heii la!”, coachen de spelers elkaar. De Hornuss raakt het gras, onaangeraakt. Gossau heeft nu hun eerste Nummer, ook een strafpunt dus. Maar de thuisploeg staat nog steeds voor, met 1 tegen 2.
De verdediger die het dichtst bij de Hornuss stond, krijgt geen enkel verwijt. „Niemand krijgt hier de schuld,” zegt Diethelm. „Als we in het veld staan, zijn we samen verantwoordelijk om de Hornuss uit het veld te slaan.”
Het team uit Gossau is aan de beurt om te verdedigen.
Later in de wedstrijd slaat Diethelm zelf nog een Hornuss die niet onderschept wordt. Biglen-Arni C ontvangt zo hun derde Nummer. De wedstrijd eindigt in het voordeel van Gossau: 1-3.
De spelers zijn fanatiek, maar op een kalme manier. Op het veld in Gossau wordt minder geschreeuwd dan bij een gemiddelde voetbalwedstrijd voor de jeugd onder 7 in Nederland. „Er is hier niet zoiets als ‘de tegenstander’,” zegt Trachsel. Ook Diethelm benadrukt: „We zijn vriendelijk tegen iedereen op het veld – ook tegen de tegenstander.”
Achter het clubhuis is intussen de barbecue aangestoken, een belangrijke vrijetijdsbesteding voor de meeste Zwitsers. En een traditionele afsluiting bij het Hornussen, net als in andere landen na een cricketwedstrijd. „Na de wedstrijd proosten we altijd samen, ook met de tegenstander,” zegt Trachsel.
Onder een partytent – vastgezet met stenen uit de bergen – zitten spelers aan biertafels. In een metalen kruiwagen branden de kolen. Een man met alpinopet keert de worstjes om met een tang. Aan de tafels wordt al gegeten: worstjes, aardappelsalade, brood. De eerste biertjes zijn opengetrokken, voor de meeste thuisspelers met alcohol, voor de gasten zonder. „De spelers uit Biglen-Arni C moeten zo nog twee uur naar huis rijden,” legt Trachsel uit.
Diethelm staat te praten met een speler van Biglen-Arni C. „We hebben een weddenschap”, zegt ze lachend. „Als hij de wedstrijd verliest, trakteert hij mij op een biertje. Als hij wint, dan is het mijn beurt. Het spel stopt eigenlijk niet bij de laatste slag – het gaat daarna gewoon verder.”
Sommige sporten zijn razend populair in maar één land of regio. Correspondenten van NRC maakten wereldwijd een rondje langs uitzonderlijke velden, banen en hallen. Wat maakt een sport historisch en nationaal erfgoed?
De teams eten na afloop van de wedstrijd samen.
Source: NRC